CD-recensie

 

© Emanuel Overbeeke, april 2017

 

Bartók: Pianosonate Sz 80 - Drie Hongaarse volksliedjes uit het Csík District Sz 35a - Sonatine Sz 55 - Drie rondo's op Slovaakse volksliedjes Sz 84 - Études Sz 72 - - Sonate voor twee piano's en slagwerk Sz 110

Cédric Tiberghien en François-Frédéric Guy (piano), Colin Currie en Sam Walton (slagwerk)

Hyperion CDA68153 • 66' •

Opname: november 2014, maart en juni 2015, januari 2016, Henry Wood Hall, Londen

 

Bijna altijd hoort men dat Béla Bartók de Hongaarse volksmuziek ontdekte en die omzette in kunstmuziek, alsof dat zijn muzikale Heimat zou zijn, maar bijna nooit leest men over zijn eerste Heimat: de klassiek-romantische Duitse kunstmuziek. De grote betekenis van Bartók is niet dat hij de volksmuziek ontdekte, maar dat hij probeerde die op uiteenlopende wijzen te integreren in 'zijn eerste erfgoed', enerzijds telkens op een andere manier, mar waarbij anderzijds modernistische vernieuwingsdrang en traditiebesef altijd onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Die veelkoppigheid maakt zijn muziek tegelijk fascinerend en problematisch. De meest voorkomende reactie hierop was een zeer eenzijdige benadering van zijn muziek. Die traditie van selectiviteit begint al bij de componist. Hij speelde als pianist zijn eigen vioolsonates met de grote boog en de ritmische spanning waarmee hij ook Beethovens Kreutzersonate superieur uitvoerde. Zijn solowerken kregen onder zijn handen een lichtheid en klankrijkdom die men eerder verwacht bij zijn andere held Debussy. Na zijn dood was het niet anders. Strijkkwartetten benaderden vooral de ritmische spankracht in 'hun composities'. Dirigenten kozen bij voorkeur voor de late orkestwerken waarin Bartók meer apollinisch dan dionysisch omgaat met de balans tussen volks- en kunstmuziek. Pianisten speelden bij voorkeur die pianowerken waarin de volksmuziek meer toeristisch dan abstract is aangewend. Slechts enkelingen hadden oog voor de expressionistische gedaante van de spanning tussen zoveel invloeden (de dirigenten Boulez en Dorati in De wonderbaarlijke mandarijn en de pianisten Rosen en Jacobs in de Études). Zijn link tussen traditie en moderniteit is het duidelijkst hoorbaar bij de vele pianisten die zich inzetten voor zijn concerten én voor die van Beethoven.

De val van de muur leek deze eenzijdigheid even op te heffen. Oost-Europese musicologen hoefden zich niet meer te beperken tot de volksmuziek en kritiek te hebben op het modernisme, voor westerse musicologen gold het omgekeerde. (Zelden was de relatie tussen politiek en muziekwetenschap zo duidelijk.) Dit klimaat van meer onideologische openheid duurde helaas niet lang. Allereerst door de opkomst van het postmodernisme (antimodernisme is een betere term) en de komst van de neoromantiek. De curieuze aandacht bij kunstenaars voor hun Heimat (waarschijnlijk uit een behoefte te laten zien dat iemand zijn stijl min of meer heeft van een vertrouwd erfgoed, wellicht in de hoop de kunst daarmee toegankelijker te maken) maakte Bartók in theorie tot een dankbaar object, maar dit min of meer bekende botst bij Bartók altijd met bijtende elementen die een toon van vertrouwdheid rigoureus ondermijnen. Bartók is geen Prokofjev, Sjostakovitsj, Poulenc, Milhaud of Hindemith, wel een Stravinsky, oftewel, niet in de eerste plaats de representant van een stroming, in dit geval neoclassicisme, maar een persoonlijkheid, uiteindelijk los van zijn context.

Legden Hongaarse pianisten als Schiff en vooral Kocsis de nadruk op het volkse element in Bartóks muziek, Tiberghien is meer een westerse pianist. Alleen is zijn basis niet Beethoven. Een van zijn eerste cd's bevatte de ballades van Brahms en Chopin, waarbij hij Brahms aanzienlijk beter speelde dan Chopin omdat een combinatie van grote melancholie en grote ritmische vrijheid gedrenkt in klankschoonheid hem veel meer ligt dan een klassieke doorgaande puls. Een latere cd met werken van Debussy toonde wel zijn gevoel voor klank maar minder voor een cadans in passages met een minder zichtbare puls. Op deze cd probeert hij Bartók te veranderen in een Brahms van de Balkan. Dat lukt hem het beste als de geest van Debussy over zijn schouders meespeelt. Dat verklaart welke passages hij goed en minder goed doet. Het best geslaagd zijn die fragmenten waarin de klank de overhand heeft op het ritme. Korte episoden en stukken gaan beter dan lange omdat in de lange de continuïteit bijna voortdurend onder druk staat. De sonate voor twee piano's en slagwerk is een geval apart omdat Tiberghien hierin, als enige werk op deze cd, moet samenwerken met anderen in een ritmisch en polyfoon complex stuk zodat een eendrachtige koers in een strak ritmisch patroon meer voor de hand ligt.

Voor mij is dit het beste van de cd maar ook het minst representatieve. Mijn kritiek op zijn aanpak wordt duidelijk niet door iedereen gedeeld, want de pianist mocht eerder al cd's maken met Bartók plus opnamen van vioolsonates van Mozart en Beethoven die uiterst ontspannen lijken (zeker vergeleken bij de uitvoeringen van Bartók als pianist) en waarin het primaat soms meer bij de klank dan bij de vorm lijkt te leggen. Bartók wordt een zachtaardige en subtiel dromerige componist (zijn muziek is al te vinden op ECM) en bij de uitvoering van de Études hoort men af en toe meer Debussy dan Bartók. Nog even en Bartók schrijft vredelievende muziek. Op volksmuziek geïnspireerde muziek waarin het ritme cruciaal is, is spelen met een soms vrij, soms zwabberend ritme, in ieder geval een breuk met het erfgoed van Bartók-vertolkers. Tiberghien (nu 43) is daarmee, als men hem vergelijkt met andere pianisten van zijn generatie, in ieder geval een pianist van deze tijd.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links