CD-recensie

 

© Emanuel Overbeeke, november 2023

Bach – Herz und Mund und Tat und Leben – Cantatas BWV 6- 99-147

Bach: Cantate 'Bleib bei uns, den es will Abend werden' BWV 6 - Cantate 'Was Gott tut, das ist wohlgetan' BWV 99 - Cantate 'Herz und Mund und Tat und Leben' BWV 147

Dorothee Mields, Chiguki Okamura, Magdalena Podkoscielna (sopraan), Alex Potter, Cëcile Pilorger, Bert Uvyn (alt), Guy Cutting, Peter Di-Toro, Stephan Gähler (tenor), Peter Kooij, Philipp Kaven, Bart Vandewege (bas), Collegium Vocale Gent o.l.v. Philippe Herreweghe
Phi LPH 041 • 62' •
Opname: Metz (Arsenal), januari 2023

 

Philippe Herreweghe kan men onmogelijk een specialist noemen, tenzij men het woord anders opvat dan gewoonlijk. Meestal denkt men dan aan iemand die alles heeft met één onderwerp en weinig tot niets met een ander. Herreweghe is een meester in vele stijlen. Zijn discografie is ongemeen breed (een van zijn laatste cd's was met koormuziek van Gesualdo en zijn meest recente voor zover ik weet is met twee symfonieën van Schumann). Om de schijn van specialisme in de beperkende betekenis van het woord te vermijden, kan men bij hem, afgaande op de verschijningsdata van cd's, niet spreken van perioden waarin één bepaald repertoire centraal staat, zoals anderen zich een tijdlang in de studio concentreren op één componist of één periode.

Hoe meer van Herreweghe verschijnt, hoe meer men tussen de verschillende componisten overeenkomsten gaat horen. Dat pleit niet alleen voor de kracht van zijn persoonlijkheid, het is ook veelzeggend dat hij in een periode, waarin de cd naar verluidt zijn beste tijd heeft gehad, cd's kan blijven maken, zelfs met commercieel volstrekt onaantrekkelijke stukken als late werken van Stravinsky. Dat hij in dit zogeheten cd-ongunstige klimaat zich vooral kan concentreren op cantates van Bach (hij maakte voor Phi al diverse cd's met cantates en een dezer dagen verschijnt een box met al zijn opnamen van cantates ooit gemaakt voor Harmonia Mundi), zegt veel over de actualiteit van deze werken die nu groter is dan ooit, anders kan ik niet verklaren dat de afgelopen decennia zeker zes dirigenten van hun platenmaatschappij alle cantates mochten opnemen, terwijl dit een kosten verslindend project is. Het feit dat op dit punt de smaak alle moeite doet de commerciële omstandigheden naar zijn hand te zetten, duidt op de grote hedendaagse betekenis van deze werken. In zijn boek Reinventing Bach betoogt Paul Elie dat de groeiende populariteit van Bach vanaf 1900 alles te maken heeft met de komst van de geluidsdrager. Alles is teveel gezegd, maar het speelt zeker mee. Maar terwijl de geluidsdrager sommige stukken van Bach voor 1960 al goed in het zonnetje zette, zoals de Toccata en fuga BWV 565 en de Brandenburgse concerten, werden anderen vrijwel vergeten. Van de Goldberg-variaties, Cellosuites, Kunst der Fuge en de cantates bestonden jarenlang amper opnamen. En zoals de grote variëteit aan beschikbare composities pas zijn intrede deed met de welvaart, zo bleven deze laatst genoemde stukken in beeld toen de cd-markt in zwaar weer raakte, mede als gevolg van een verzadiging van de markt – een nieuwe opname van de Matthäus- en de Johannes-Passion is nu uitzonderlijker dan een nieuwe van de Goldbergvariaties en de cellosuites. Dat is niet alleen omdat deze stukken voor kleine bezetting om op te nemen minder kostbaar zijn dan werken voor grotere. Het illustreert de huidige culturele status van deze werken en daarmee ook hoezeer de Bach-receptie met zijn tijd is meegegaan. In die geschiedenis waarin de cantates jarenlang geen of een kleine rol speelden, verdient Herreweghe een belangrijke plek die men beter ziet als men zich niet laat intimideren door de mythen over deze receptie. Wat is de plaats van de cantates in die receptie en wat zegt dit over de geschiedenis na Bach?

Een idee over Bach is dat hij na zijn dood in 1750 in de vergetelheid raakte en daar pas uitkwam toen Mendelssohn in 1829 de Mathäus-Passion uitvoerde. Dat idee is half juist dus ook half onjuist. De eerste 80 jaar na zijn dood was Bach bepaald niet onbekend. (Mozart arrangeerde delen uit Das wohltemperierte Klavier voor strijktrio en Beethoven speelde op zijn tiende delen ervan uit zijn hoofd, terwijl het werk nog niet was uitgegeven en ‘slechts' circuleerde in manuscript.) Men kende nog maar weinig van Bach, maar dat weinige was voldoende voor een beeld: Bach als superieur vakman, meester van contrapunt en proportie. Zijn klavierwerken voor zover bekend waren verplichte kost bij de ambachtelijke vorming van musici.

Ondanks die bekendheid was de uitvoering van Mendelssohn een mijlpaal. Ze had op termijn tot gevolg dat de aandacht zich verlegde van Bach de vakman naar Bach de gelovige. De romantiek lijfde diverse stukken in (met als schoolvoorbeelden de arrangementen van Busoni en Stokowski), de Matthäus sloot aan bij de romantische hang naar grootsheid, Duitsers koesterden zijn ‘Duitsheid' en protestanten zijn geloof.

Een nieuwe Mendelssohn is niet gemakkelijk aanwijsbaar (Hindemith komt in de buurt), maar feit is dat vanaf 1920 de vakman opnieuw in het zonnetje komt te staan. In reactie op de romantiek en het enghartige nationalisme benadrukten sommigen het in hun ogen abstracte van zijn structuren en het bovennationale en tijdloze van zijn expressie. (Een latere exponent van deze richting was Glenn Gould die om deze reden een groot bewonderaar was van Hindemith en niets moest hebben van Busoni.) Dramatiek kreeg bij deze jonge Bach-bewonderaars een ander karakter dan in de romantiek, al was een hang naar grootsheid en pathos zeker niet afwezig, getuige de naoorlogse opnamen van onder meer Karl Richter en de jonge Herbert von Karajan. (Taruskins samenvatting van deze ideologie onder de kop ‘Pathos is banned' zegt meer over de motieven uit het interbellum dan over wat wij nu vinden van uitvoeringen uit deze jaren.) Bovendien betekende de komst van de nieuwe stijl niet de verdwijning van de oude. De macht van de gewoonte en het besef van kwaliteit speelden een grote rol. Terwijl Hindemith en geestverwanten school begonnen te maken in geschriften, vinden we op de eerste geluidsdragers met Bach allerlei arrangementen van Busoni plus de orkestrale uitvergrotingen van Stokowski.

Ook aan de volgende cesuur in de Bach-receptie kan men moeilijk één naam of gebeurtenis plakken, maar feit is dat de historische uitvoeringspraktijk zoals die in Nederland furore maakte vanaf eind jaren zestig met de bril van nu zowel een breuk is met de voorgaande consensus als een voortzetting ervan. De breuk zit in de grotere aandacht voor de intieme, soms lieflijke klank van oude instrumenten of kopieën daarvan en de grotere vrijheid in de omgang met de puls, de continuïteit zit in de aandacht voor het abstracte van de structuren zij het gebracht met meer zwier en de idee van Bach als een bovenlokaal en tijdloze figuur. (De aanvankelijke pretentie, gelukkig inmiddels verlaten, dat deze benadering ‘authentiek' zou zijn en die van de voorgangers ‘gelogen', is net zo kortzichtig als de tekst uit de folder van een platenmaatschappij waarin gesteld werd dat de belangstelling voor oude muziek pas begon met Leonhardt en Harnoncourt. Elke muziekpraktijk die muziek uit het verleden in beeld houdt is per definitie actualiserend. Dat geldt voor Bach evenzeer als voor Schönberg en gregoriaans.) Critici van rond 1970 uit de mainstream culture deden deze muzikale uiting van de opkomende tegencultuur (nostalgisch aangeduid als de jaren zestig) graag spottend af als geiten-haren-wollen-sokken, maar wat ooit marge was, is nu grotendeels hoofdstroom geworden. De omgangsvormen van de tegencultuur zijn in minder extreme vorm voor een groot deel nu de omgangsvormen van de hoofdstroom, ook al wordt de liefde voor de oude muziek lang niet door iedereen gedeeld.

In die actuele hoofdstroom zijn de cantates van Bach zoals ze nu worden gebracht het ideale muzikale voedsel en Herreweghe is hiervan een boegbeeld. Zijn Bach is geknipt voor een klimaat dat openstaat voor religie, maar religie of liever spiritualiteit eerder ziet als bron van ervaring en emotie dan een stelsel van geboden en verboden. De muzikale stijl is daarop afgestemd. De kunst dient zowel het woord als de kunst. De tekst is zowel belangrijk als niet meer dan een inspiratiebron. De klank is intiem en transparant. Musici en luisteraars hebben het hart niet op de tong, maar kunnen en willen niet zonder deze seculiere eredienst. Er is een band met de bron maar een losse. Schoonheid en dramatiek zijn in evenwicht en werken elkaar niet tegen. Bach is zowel exponent van zijn cultuur als ook ver daarboven verheven. In zekere zin is het de klassieke variant op een liedje van Koot en Bie: ‘Toen was geluk heel gewoon.' Er is altijd wel iets maar in de grond gaat het goed. Die houding hoor ik ook in en verklaart volgens mij ook de huidige ongekende populariteit van de Goldbergvariaties en de Cellosuites. Die grote populariteit was voor 1970 ondenkbaar.

Bij Herreweghe op zijn nieuwste cd lijkt alles te goed te gaan, want ik hoorde zelfs geen door de interpretatie gestuurde oneffenheden. De stemmen klinken prachtig, de balans tussen koor en orkest is uitstekend, de klank is uiterst transparant, de tekst is verstaanbaar als Bach dat mogelijk maakt, de subtiele nuances in de details passen perfect in de spanningsbogen, tragiek strijdt onnadrukkelijk maar niet mis te verstaan en in goede verstandhouding om de voorrang met sereniteit, de ernst sluit het speelse niet uit en andersom. Men gaat onwillekeurig en lichtelijk vilein denken aan wat de pianist Clifford Curzon zei tegen een leerling: ‘U speelt perfect, nu moet u fouten maken.' Toen Curzon laat in zijn carrière vertelde dat hij nog uren studeerde op werken die hij al vele malen had uitgevoerd en de interviewer vroeg of hij nog steeds bang was voor fouten, zei de pianist: ‘Wie niets fout doet, doet ook niets goed.' Bij deze cd met zoveel noblesse (al schrijvende dacht ik vaak aan Hendrik Andriessens typering van de Goldbergvariaties ‘wonderen van gevoelsdiepte') hoop je soms gaandeweg op een fout, al weet iedereen wat het normale geluk waard is als het niet bestaat én ook dat de kunst op dit punt de omkering is van ‘het leven'. Hopelijk maakt Herreweghe nog veel opnamen met cantates van Bach. Ik word er gelukkig van – en met mij gelukkig vele anderen, ongeacht wat de mode hiervan zegt.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links