CD-recensie

 

© Emanuel Overbeeke, juli 2018

 

Adams: Doctor Atomic

Gerald Finley (Oppenheimer), Brindley Sherratt (Edward Teller), Andrew Staples (Robert Wilson), Julia Bullock (Kitty Oppenheimer), Jennifer Johnston (Pasqualita), Aubrey Allicock (General Leslie Groves), Marcus Farnsworth (Frank Hubbard), Samuel Sakker (Captain James Nolan), BBC Singers and BBC Symphony Orchestra o.l.v. John Adams
Nonesuch 7559-79310-7 • 2.37' • (2 cd's)
Opname: april 2017, BBC Malda Vale Studios en Barbican Center, Londen

   

John Adams heeft als operacomponist over belangstelling niet te klagen. Het succes begon met zijn eerste opera in de jaren tachtig, geïnspireerd door het bezoek van Richard Nixon aan China. Natuurlijk werd het libretto vergeleken met de feiten, maar, zoals een commentator bij de première terecht opmerkte: hoe beter de muziek, hoe meer de kunst de overhand zal krijgen op de werkelijkheid tot men over honderd jaar Richard Nixon alleen nog maar kent van de opera, precies zoals we nu bij de Engelse vorsten van voor 1550 niet denken aan historische traktaten maar aan Shakespeare. Of Nixon hetzelfde lot wacht, is nog een vraag. We staan nog veel dichter bij Nixon dan bij de vorsten en we weten over Nixon veel meer dan over zijn Engelse voorgangers. Bovendien is de huidige goede reputatie van John Adams een veeg teken voor zijn toekomstige: om de eeuwigheid te halen moet zijn muziek ook de moeite waard zijn voor latere generaties die invalshoeken hebben die wij nog niet kennen en die wij misschien wel net zo vreemd vinden als de toekomstige generaties de onze. Wat we zeker weten, is dat Adams een zeer hedendaagse componist is, anders had hij nooit zoveel erkenning gekregen.

Adams als hedendaags componist
Zijn muziek bij Doctor Atomic is een uitstekende belichaming van wat nu doorgaat voor correct. Geen wonder dat dit al de tweede opname is van een opera die amper tien jaar oud is (de eerste ontstond vlak na de première, door De Nederlandse Opera). Daarnaast zijn delen eruit te vinden op verzamel-cd's van vooral Amerikaanse zangers en zangeressen. Een deel isoleren van de rest en presenteren als zelfstandig stuk verwacht men bij Mozart, Verdi, Monteverdi en Wagner en niet zo snel bij Schönberg, Henze en Andriessen of Adams. Niet alleen qua vorm, ook qua middelen is Doctor Atomic voor een deel een retrospectief stuk, maar Adams is persoonlijk en boeiend genoeg om niet te vervallen tot een goedkoop neoclassicisme of vervelende neoromantiek met naoorlogse middelen. Men hoort voortdurend verwijzingen naar geleende elementen, met name in de gestiek van de vocalisten, de inzet van de instrumentatie ter wille van de frasering, de vaak meer onderhuidse dan zichtbare aanwezigheid van een puls, de aanwezigheid van centra in de harmonie, terwijl slechts zelden sprake is van een klassieke tonaliteit en een melodiestijl met cesuren (die niet altijd goed hoorbaar zijn). Kortom, dit is muziek voorbij het modernisme, maar ook ondenkbaar zonder dat modernisme. Als Adams dat niet erkent in zijn woorden, dan toch wel in zijn noten. Hoe hoog hij zijn voorbeelden ook heeft, zijn muziek staat er even ver vandaan als van de muziek die zijn conservatieve bewonderaars soms beschouwen als passé. Het duidt erop dat zijn band met de traditie zeer hecht is (als zijn grote voorbeelden in zijn autobiografie Hallelujah Junction: Composing an American Life noemt de componist Mozart, Stravinsky, Sibelius en Amerikaanse populaire muziek), maar hij maakt ook duidelijk dat hij in staat is hier op een quasi losse manier mee om te gaan. Het resultaat is een bijna permanent fluïdum in het orkestaandeel waarvan de afwisseling in klank zeer groot is en tegelijk gestuurd wordt door een onderhuidse architectuur. Het fluïdum zit op minder overtuigende wijze in het vocale deel; zang en orkest lijken soms hun eigen lijn te volgen. Ook al zijn alle vocalisten uitstekend, hun gemeenschappelijke, zeer Amerikaanse voordracht leidt tot een lichte eentonigheid (het zou een ware revolutie in de uitvoeringspraktijk betekenen als deze zeer Amerikaanse karakters gezongen zouden worden door niet-Amerikaanse stemmen). Misschien is het een nadeel van deze studio-opname dat deze voor zover bekend niet samenging met een uitvoering in het theater, maar zoals nu met een concertante uitvoering.

Het libretto
De enigszins vloeibare en ongrijpbare muziek past bij het verhaal. De opera speelt in Los Alamos, waar aan het einde van de Tweede Wereldoorlog de crème de la crème van de natuurkundige wereld in opdracht van president Roosevelt werkt aan de ontwikkeling van een wapen dat de vijand definitief op de knieën moet krijgen. We zitten een paar dagen voor de test van het nieuwe wapen in de woestijn. De weervoorspellers hebben altijd gelijk, behalve op de voorgenomen dag van de test. Onderzoekers en personen in het Witte Huis raken in onzekerheid. De leider van het project, Robert Oppenheimer, in de opera aangeduid als Oppie, vraagt zich in al zijn noblesse af welke doos van Pandora hij zal openmaken (de gevolgen van de bom waren destijds nog niet bekend). De voorspellers moeten het ontgelden (zit er symboliek in het feit dat we de natuur niet volledig kunnen kennen?) en Oppie's vrouw Kitty en hun Indiaanse hulp Pasquilita denken er het hunne van. Vlak voor het einde van de opera gaat de test door. Het is de enige gebeurtenis in de opera waarmee Adams naar eigen zeggen zich als componist geen raad wist. Blijkbaar wilde hij niet de moordende monotonie die Berg bedacht voor de derde akte van zijn Wozzeck en die de Notenkrakers slap imiteerden aan het slot van hun Reconstructie. De kortstondige ‘testmuziek' is een duidelijke verwijzing naar de elektronische muziek uit de jaren vijftig, toen velen dit nieuwe medium associeerden met ruimtevaart en kernenergie en als symbool zagen van een nieuwe tijd. Ik moest bij Adams' oplossing sterk denken aan Gesang der Jünglinge van Stockhausen.

Het drama
De opera (twee akten van ieder tachtig minuten) is een botsing van karakters, of beter, personen die staan voor een keuze in een situatie die ze niet in de hand hebben. Mensen kunnen in hun situatie de ander amper beïnvloeden, wat tot ongemak leidt bij iedereen. Wie eenmaal nieuwe technieken in de wereld heeft gezet, kan niet meer terug naar de wereld zonder, terwijl de mens daarentegen vaak blijft wie hij was.

De verschillende posities zijn snel duidelijk. Oppenheimer is in dialoog met zijn medewerker Teller die bij de bom veel sceptischer gedachten heeft. Oppenheimer worstelt tussen de noodzaak van een snel einde van de oorlog dankzij de bom en de vraag hoeveel ellende het nieuwe wapen zal aanrichten. Kitty houdt van een man die vrijwel uitsluitend bezig is met zijn werk, Pasquilita denkt modern gezegd aan de verstoring van de ecologische orde. De innerlijke conflicten worden niet menselijk opgelost, wel muzikaal getoond. De test brengt voor iedereen een inzicht. Dat is meteen het einde van de opera.

Geschiedenis en mythe
Tussen de bedrijven door las ik het hoofdstuk over de opera in Adams' autobiografie. De componist gaat daarin alleen in op de tekst en op historische achtergronden. In hoeverre de historische Oppenheimer lijkt op Oppie, was voor Adams in wezen een ondergeschikt punt. In Oppenheimer zag hij een mythische figuur wiens omgang met zijn innerlijke roerselen hem tot een American hero maakten. Vooral het conflict tussen ‘hoge beschaving' (Oppenheimer luisterde graag naar de late Beethoven en las Baudelaire bij voorkeur in het Frans) en de mogelijke vuiligheid van de door hem ontwikkelde bom intrigeerde Adams. Over de andere karakters schrijft Adams weinig. Veelzeggend voor Adams' intentie is dat hij over het libretto correspondeerde met de dochter van Teller, die pas na aarzeling akkoord ging met de woorden. De mythe moest weliswaar zegevieren over de feiten, maar hij wilde kennelijk geen gedoe over de vervorming van de werkelijkheid om creatieve redenen. Dat gedoe kende hij uit eigen ervaring.

De muziek wint het van de mythe
Over de muziek zegt Adams in zijn autobiografie niets terwijl juist daarvan de grootste fascinatie uitgaat. Adams plukt overduidelijk uit vele bronnen (vooral Stravinsky) en citeert in een flits zijn oude taal van de minimal music, maar hij maakt bovenal een persoonlijke taal waarin verhulde verwijzingen wedijveren met nieuwe dingen. Zijn muziek is Amerikaans energiek, maar ook ondogmatisch energiek. De grootste kracht is het persoonlijk eclecticisme. De delen die tot nu toe als zelfstandige nummers zijn uitgevoerd (de aria's van Kitty en een enkele van Oppie) leunen het sterkst aan tegen de traditie en zijn een mix van langzame Verdi, verheven Hollywood en geraffineerde popklanken, aaneengesmolten met een hiërarchie waarbij men niet zeker weet of Verdi is geactualiseerd dan wel Hollywood neigt naar de sterren. Het muzikale en dramatische vernuft waarmee Adams dat tweerichtingsverkeer realiseert en ons in het ongewisse laat over zijn intenties (misschien wel beide, hij is er multimuzikaal genoeg voor), is de grootste attractie van de opera.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links