CD-recensie

 

© Aart van der Wal, september 2020

Schumann: Nachtstücke op. 23
Zuidam: Nox
Ravel: Gaspard de la nuit

Hannes Minnaar (piano)
Challenge Classics CC72853 • 73' • (sacd)
Opname: juni 2020, MCO, Studio 1, Hilversum

 

De nacht spreekt tot de verbeelding. Dat geldt niet in de laatste plaat voor componisten. Slechts een willekeurige bloemlezing in evenzo willekeurige volgorde: Les nuits d'été (Berlioz), Nacht und Träume (Schubert), Nachtmusik (Mahler), Der nächtliche Wanderer (Reinbert de Leeuw, zijn laatste orkestwerk), Lydische Nacht (Diepenbrock), Mondnacht en Nachtstücke (Schumann), Die Zauberflöte (Mozart), Gaspard de la nuit (Ravel). Daarme is de lijst nog bij lange na niet compleet. Zoals ook veel poëzie door de nacht werd geïnspireerd (en die dan weer deels haar weg vond in de muziek).

Nox is de treffende naam die aan dit nieuwe album van de Nederlandse pianist Hannes Minaar werd gegeven. Want dat betekent het Latijnse woord nox: nacht, hoewel er ook in figuratief opzicht een bijzondere betekenis aan kan worden ontleend, zoals die van de dood, het stervensuur (dat zich vaak in de nachtelijke uren voltrekt). En zeker niet te vergeten: de droom, waaraan Sigmund Freud zelfs een uitvoerige verhandeling in boekvorm heeft gewijd. De nacht en de (zoete of nare) droom: we kunnen ons er in ieder geval gemakkelijk mee associëren.

Het is in onze dromen dat de uit beelden groeiende emoties vrij spel hebben en waar we ons onvrijwillig aan overgeven, zoals het zich afspeelt in ons onderbewustzijn. Het waren juist verlangens, angsten en obsessies die volgens de beroemde Weense psychiater onze droomwereld in hoge mate bepaalden. Niet bepaald een opwekkend beeld dat in zijn Traumdeutung minutieus wordt uitgelegd.

In de muziek en in het proza kan het er, als het op de nacht aankomt, danook huiveringwekkend aan toe gaan, zoals in de bekende twee laatste deeltjes uit Ravels Gaspard de la nuit: het huiveringwekkende Le Gibet (de galg) en het demonische Scarbo (mens en duivel verenigd in dezelfde persoon). Maar het is niet alleen maar kommer en kwel als de avondklok slaat en vinden we troost en verlichting in bijvoorbeeld de nocturnes van Field en Chopin.

Maar aan welke kant we ook staan: waar het uiteindelijk toch op neerkomt is de pure verbeeldingskracht die begint bij de schepper en die zich vervolgens (hopelijk) ook van ons meester maakt: dat toverluik geconstrueerd uit de muzikale, psychologische, vaak ook literaire voorstellingen. Zo kan de verbeelding zich op de verbeelding stapelen, tot in mystieke oneindigheid.

Schumann componeerde het vier korte deeltjes omvattende pianowerk Nachtstücke in 1839, in dezelfde periode als zijn uitbundig getoonzette Faschingsschwank aus Wien. De onderliggende benamingen lijken rechtstreeks geput uit het literaire werk van E.T.A. Hoffmann: Trauerzug, Kuriose Gesellschaft, Nächtliches Gelage en Rundgesang mit Solostimmen De componist memoreerde in zijn eigen beleving een rouwstoet, ongelukkige en wanhopige mensen, lijkkisten. In een opwelling had hij zelfs een morbide titel ervoorbedacht: Leichenphantasie. Hij noteert het op 31 maart in zijn dagboek. En in een brief aan Clara Wieck, met wie hij verloofd was: ‘Ik was dikwijls zo radeloos dat de tranen mij over de wangen liepen; en ik begreep niet waarom.'Waren er tijdens het componeren sombere voorgevoelens? Ongetwijfeld, want vijf dagen na die dagboekaantekening vertrok Schumann spoorslags van Wenen naar Zwickau, naar zijn stervende broer Eduard, waar hij zowel diens overlijden als de begrafenis op een haar na miste.

Maar anders dan misschien gedacht biedt deze muziek niet datgene dat de onbevangen luisteraar zomaar kan navoelen, al is het openingsdeeltje – notabene in C-groot genoteerd! - wel degelijk als een stokkende treurmars ontworpen, een ‘model' dat Mahler later in zijn symfonieën zou toepassen, wel of niet 'streng wie ein Kondukt'. In de daarop volgende twee deeltjes overheerst niet de treurnis, maar de pianistische brille. Voor het slotdeeltje, met de aanduiding ‘Ad libitum – Einfach' mag de pianist zijn eigen koers kiezen. ‘Einfach' lijkt te wijzen op het resignerende karakter ervan, met zijn fraaie arpeggio-akkoorden en opnieuw, als herinnering, die stokkende beweging.

Dat het uiteindelijk toch Nachtstücke werd en bleef danken we overigens aan de meer zakelijk ingestelde Clara, die Leichenphantasie maar niets vond: het publiek zou het niet begrijpen, het misschien welals ongepast ervaren en er daardoor mogelijk zelfs afkerig van zijn, wat uiteraard de verkoopcijfers alleen maar negatief kon beïnvloeden. En Robert luisterde meestal wel naar zijn Clara (zelf een zeer getalenteerde pianiste en niet onverdienstelijke toondichteres).

De titel van dit album verwijst tevens naar Nox, het pianowerk dat de Nederlandse componist Robert Zuidam (1964) in 2020 schreef en dat met een speelduur van bijna een halfuur ook qua omvang zeker substantieel mag worden genoemd. In de ontstaansgeschiedenis ervan speelt zijn landgenoot Hannes Minnaar een niet onbelangrijke rol. Die begon eigenlijk vier jaar eerder, nadat Minnaar de eerste Nederlandse uitvoering had gegeven van het voor zijn Amerikaanse collega Emanuel Ax geschreven Tanglewood Concerto (2015). Zuidam was dusdanig onder de indruk geraakt van het spel van Minnaar dat hij spontaan twee korte pianowerken voor hem componeerde: twee nocturnes die ten slotte uit zouden groeien tot dit vijftal onder de noemer Nox: Nightfall, Insomnia, L'Heure bleue, Afscheid van Reinbert de Leeuw op Zorgvlied en Perseids passing, gekarakteriseerd door een bepaald aspect van de duisternis.

Het is Zuidams uitgevijlde compositietechniek (hij is een van de meest kundige, ervaren en verbeeldingsvolle componisten die ons land rijk is) die de meest fascinerende vormen tot ons laat komen en die wij daarbij als volkomen nieuw herkennen. Zelfs het in tonaal diep gekleurde mineur (f-klein) L'Heure bleue (het blauwe uur, het verschijnsel dat we soms kort zonsop- en zonsondergang kunnen waarnemen, wanneer het zwerk een kortstondig een blauwachtige kleur aanneemt) opent volkomen onverwachte vergezichten, al is uiteraard aan de toehoorder om daarbij zijn eigen beeld te creëren.

In Perseids passing komt het heelal aan bod en wat zich daarin soms afspeelt. Zoals krap een maand geleden, toen een zwem meteoren de staat van hoogste intensitei bereikte en ze 's avonds aan de hemel duidelijk zichtbaar waren als vallende sterren met het oplichtende naijleffect. Misschien was het wel een eerder soortgelijke gebeurtenis die Zuidam heeft willen ‘schilderen': zo klinkt het deeltje tenminste, als een regen oplichtende meteoren. Geheel onverwacht maakt Chopin in een flard zijn opwachting: het Scherzo in cis, op. 39 (evenals Schumanns Nachtstücke in 1839 ontstaan) maakt in een flits zijn opwachting, net zo betoverend als de stortvloed van arpeggio's die Zuidam eruit heeft losgewoeld.

Het vierde deeltje is geheel gewijd aan Reinbert de Leeuw, die overleed op 14 februari van dit jaar in zijn woonplaats Amsterdam en werd begraven op Zorgvlied. Zuidam heeft hem muzikaal willen typeren, ongetwijfeld bedoeld als hommage aan deze bekende pianist, dirigent en componist . Al aan het begin treffen de starre, sombere basnoten waarmee het beeld van De Leeuw als pianist en voorvechter van het late, uitgebeende oeuvre van Franz Liszt (Unstern! Sinistre, Nuages gris) raak wordt geschetst en die de weg naar de Tweede Weense School inluiden, met in het vervolg De Leeuw als factotum van de nieuwe muziek.

Ravel is vertegenwoordigd met de Trois poèmes pour piano d'après Aloysius Bertrand, beter bekend als Gaspard de la nuit, gecomponeerd in 1908. Het werk is sterk beïnvloed door een zeker in die tijd voor vrijwel iedere pianist bepaald nietr gemakkelijk te nemen technische hindernis: Balakirevs Islamej. Het verhaal gaat dat Ravel het de muzikale orde nog lastiger wilde maken, met als resultaat niet alleen een pianowerk dat met name in het slotdeel technisch extreem hoge eisen stelt, maar dat als geheel ook in interpretatief opzicht tot een van de lastigste werken uit de westerse pianoliteratuur behoort. De esthetica dat de drie deeltjes schraagt schuilt in het ongekende raffinement van de decoratieve vormen die structureel volmaakt zijn verbonden en die als het ware een spiegel vormen van Ravels uitzonderlijke verbeeldingskracht. In Ondine zijn het de levendige begeleidingsfiguren die ons bij uitsteken verplaatsen naar de waterwereld van de nimf Ondine, die anders dan in het mythologische verhaal door de componist wel degelijk een ziel is meegegeven in de vorm van een schitterende melodie te midden van een zich in rijke figuraties bewegende, fonkelende waterpartij. In het niet minder fijn geëtste Le Gibet treft de voortdurende presente b, ogenschijnlijk niet meer dan een losse noot, maar wel een met een bijzondere duiding: die van de onverstoorbaar tikkende klok, als luguber memento: ‘tussen de stadsmuren klinkt een klok met aan de horizon het karkas van een gehangene, roodgekleurd door de ondergaande zon'. Binnen het stilistisch fijnmazige raderwerk zijn het die b's die het discours bepalen en is het aan de pianist om zich verre te houden van welke eexpressieve kleuring ook: ‘sans expression' staat er genoteerd.

In het motorisch gedreven Scarbo met zijn snelle repeterende noten zijn mens en duivel in elkaar verenigd: half trol, half geest, uit het niets opdoemend en even in het niets verdwijnend. Het contrasteert hevig met het daaraan voorafgaande, statisch vormgegeven Le Gibet. Wat het voor de pianist vooral zo lastig maakt zijn de arpeggio's als een wervelwind, het dwingende ostinatokarakter, de flukse sprongen over het gehele klavier en de vele akkoorden in extreem wijde ligging. Het slot is even treffend als het gedicht zelf: de laatste maten zijn zo licht als een veertje, alsof de muziek daarmee wil uitdrukken dat er nooit een monster is geweest, het niet meer dan een nare droom.

De dichter Aloysius Bertrand (1807-1841) en de componist Maurice Ravel (1875-1937): proza en muziek schetsen door hun samenhang in overtreffende trap een uiterst expressief, surrealistisch beeld van de nachtzijde van het aardse bestaan. Het contrast met de bonustrack, Dobrou noc! (goede nacht!) uit Leos Janáceks Po zarostlém chodnícku, de dertien pianostukjes die vooral bekend zijn geworden onder de titel Over an overgrown path, had niet groter kunnen zijn. Maar ook hier niet meer dan enige repeterende noten die het verloop bepalen.

Hannes Minnaar, zowel actief in de kamermuziek (hij richtte samen met de violiste Maria Milstein het fenomenale Van Baerle Trio op), solorepertoire als soloconcerten, heeft met dit album niet alleen qua inventieve programmakeuze een daad van groot formaat gesteld, maar heeft er tevens grote bezieling in gelegd. Alles komt in dit diep gelaagde en evocatief vormgegeven, fascinerende recital op volmaakte wijze samen: de vroegromantische toets van Schumann, de stilistische, deels ecclectische en retrospectieve klankwereld van Zuidam en de afwisselend introverte en extroverte kleurenpracht van Ravel. Zo rijk en zo intens als dat op deze 'supervleugel‘ van Chyris Maene, de 'Straight Strung Concert Grand' (u kunt er hier meer over lezen) maar mogelijk is. De bijna verschroeiende directheid die dit spel kenmerkt is net zo treffend voor Minnaar als zijn betoverende souplesse in ritmiek, stemvoering en klankvorming. De door Bert van der Wolf gemaakte opname is zowel in stereo als in surround een pláátje. Wát een productie!

____________
Op zondag 20 september speelt Hannes Minnaar een deel van dit programma (Schumann, Ravel) in het kader van het Naarden international Piano Festival.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links