CD-recensie

 

© Aart van der Wal, maart 2019

 

Zimmermann: Vioolconcert – Photoptosis – Die Soldaten (Vocalsymphonie)

Leila Josefowicz (viool), Anu Komsi (sopraan), Jeni Packaelen en Hilary Summers (alt), Peter Tantsits (tenor), Ville Rusanen (bariton), Juha Uusitalo (bas), Finnish Radio Symphony Orchestra o.l.v. Hannu Lintu
Ondine ODE 13125-2 • 74' •
Opname: mei 2018 (vioolconcert), september 2018 (Die Soldaten, live), juni 2016 (Photoptosis); Helsinki Music Centre (Finland)

   

Ik schreef het al zo vaak: als het om nieuw repertoire gaat moet je toch echt bij de kleine(re) labels zijn. Daar is op zich niets mis mee, want het zijn allang niet meer de mastodonten die vrijwel uitsluitend topmusici kunnen leveren. En als ik het toch over topmusici (dat hoeven overigens niet per se de meest bekende te zijn!) heb: er zijn er gelukkig genoeg die bijzonder interessante, menigmaal zelfs vaak onbekende stukken willen opnemen, hetzij wel of niet met behulp van crowdfunding of andere vormen van financiering. Het belangrijkste voordeel: dergelijke uitdagingen vergroten zowel het blikveld van de musicus als van de muziekliefhebber, mits men daarvoor open staat natuurlijk.

Als ik de namen Hannu Lintu en Leila Josefowicz zie, weet ik eigenlijk al bij voorbaat dat een boeiend avontuur in het verschiet ligt. Dat betreft dan niet alleen hun grote belangstelling voor nieuw of niet of nauwelijks ontgonnen repertoire, maar ook hun diep gewortelde muzikaliteit. Wat zij onder handen hebben verandert spoorlags in puur goud, onverschillig om welke muziek het gaat. De uitdagingen voortdurend aangaan, dat is het. Het zijn bovenal twee natuurtalenten die muzikaal geen zee te hoog gaat en zich zelfs bij de meest diep gelaagde muziek als een vis in het water voelen. Ze doen precies wat de Duitse componist Bernd Alois Zimmermann (1918-1970) eens opmerkte: dat we ons tegelijkertijd op vele verschillende tijdniveaus en ervaringen bevinden, zonder dat die met elkaar verbonden of aan elkaar verwant hoeven te zijn, terwijl toch het gevoel ontstaat van ons thuis voelen in een netwerk waarin oneindige draden toch op de een of andere manier samenkomen. Het zou een volmaakte blauwdruk voor Zimmermanns muziek kunnen zijn.

Dat deze drie werken van Zimmermann hier zijn samengebracht berust natuurlijk niet op louter toeval. Integendeel, ze vertegenwoordigen de drie belangrijkste scheppingsperioden in zijn oeuvre: het Vioolconcert uit 1950, ‘Die Soldaten' uit 1957-63 en ‘Photoptosis' uit 1968. Vroege, midden en late Zimmermann dus, hoewel er allerlei bezwaren kunnen worden aangevoerd tegen een dergelijke hokjesindeling.

In dat oeuvre overheerst een duistere stemming, al is die zelden zonder hoop. Het belangrijkste aanknopingspunt in dit verband lijkt de oorlog te zijn. Geboren in het laatste jaar van de Eerste Wereldoorlog was de jonge Zimmermann in 1939 ‘Soldatfähig' om als 21-jarige deel te nemen aan de grote Duitse veldtocht tegen Polen, waarmee de Tweede Wereldoorlog werd ingeluid. Hij vocht later ook in Frankrijk en Rusland, als mag ‘vechten' met een stevige korrel zout worden genomen, want zijn toch al wankele gezondheid liet hem onder de barre omstandigheden vaak danig in de steek. Hij zal waarschijnlijk meer in de lazaretten dan op het slagveld hebben gelegen. Wat hij in die jaren allemaal heeft gezien, gedaan, beleefd weten we niet, maar dat het een zwaar stempel op zijn verdere leven heeft gedrukt is wel zeker. Immers, in zijn werk horen we de echo's luid en duidelijk van een verwoestende oorlog, al is zijn muziek niet het werk van een nihilist: hij vertegenwoordigde wel degelijk de ‘canto di speranza', het gezang van de hoop. In een uiterst moeizaam leven heeft hij tegen alle psychische verdrukking in gepoogd om de ene na de andere geestelijke crisis te overwinnen door aan die hoop vast te houden, totdat het moment kwam dat hij de psychische problemen hem boven het hoofd groeiden. De ogenschijnlijke gelukkige echtgenoot en vader maakte op 10 augustus 1970 in zijn woning in Gross-Königsdorf, een dorpje vlakbij Keulen, een einde aan zijn leven.

Bernd Alois Zimmermann met dochter Bettina in Rome 1963/64

Het begin van zijn carrière als componist stond nog in het teken van het idioom van een Bartók, Hindemith en Stravinsky, waarna – zoals zoveel componisten van zijn generatie – de seriële techniek lonkte. Totdat hij zich vanaf het begin van de jaren zestig tot het pluralisme bekeerde: de leer die alleen het individuele voor werkelijk houdt, en de gehele werkelijkheid als een veelheid van individuele zelfstandigheden.

Daarover valt echter meer te melden, want na de oorlog kwam de contemporaine muziek in Duitsland sterk onder invloed te staan van de ideologisering. Dat begon in Darmstadt, de bakermat van de nieuwe muzikale stroming, waar componisten als Stockhausen, Boulez en Maderna zich sterk maakten voor het definitieve einde van de ‘verhalende' muziek, nieuwe wegen wilden inslaan. De toekomst was wat hen betreft nog uitsluitend aan muziek die werd geschreven op basis van rationele, mathematische of alleen maar puur natuurwetenschappelijke principes. Zimmermann moet daar toen ambivalent tegenover hebben gestaan, want hij hanteerde andere werkprincipes en voelde zich meer vertrouwd met het idioom dat de nieuwlichters nu juist afwezen. Toch bezocht hij met een zekere regelmaat het compositieseminar (‘Ferienkurse') in Darmstadt, nam zelfs les in de twaalftoonstechniek bij René Leibowitz, een leerling van Arnold Schönberg, en probeerde zich de seriële methodiek eigen te maken. Deze (her)oriëntatie leverde onder andere het Vioolconcert op.

Maar het probleem van de spagaat bleef desondanks rond zijn componeren cirkelen. Hij kon en wilde de traditie niet volledig loslaten, die als het ware bewaken, en dus zocht hij naar een symbiose waarmee hij zijn creativiteit nieuwe impulsen kon geven. Hij stelde het als zijn doel om de historisch overgeleverde traditie in een volkomen nieuw daglicht te plaatsen, hetgeen hij met die samensmelting van het 'oude' en het 'nieuwe' meende te kunnen bereiken. In zijn optiek strekte dat aanmerkelijk verder dan het zodanig restaureren van het bestaande dat daaruit het nieuwe kon ontstaan. Collagetechniek was bovendien niets voor hem. Daarvan getuigt het in 1952 ontstane Celloconcert, dat Zimmermann vijf jaar later nog eens duchtig onder handen nam. Hij maakte eerder aangebrachte vereenvoudigingen weer ongedaan, reduceerde terloops nog de bezetting tot 25 leden (vandaar de toevoeging 'kleines' Orchester in de slotversie) en het stuk werd bovendien drastisch ingekort. Vanaf nu zou het celloconcert de titel ‘Canto di speranza' dragen. Zimmermann componeerde het in strikte twaalftoonstechniek, zelfs serieel geradicaliseerd, waardoor zowel toonhoogte en toonduur als dynamiek en accenten door een gemeenschappelijke reeks worden beheerst.

Tussen ‘Canto di speranza' en Zimmermanns laatste werk ligt dertien jaar, waarin zich grote veranderingen in zowel het leven van de componist als in de muziekscène in Duitsland voordeden. De avant-gardisten uit Darmstadt hadden het strenge serialisme uiteindelijk weer overboord gegooid en had Zimmermann in 1965 na een lange en moeizame strijd dan eindelijk zijn Nieuwe Muziektheater van de grond gekregen. Het was het jaar van de première van zijn avondvullende opera ‘Die Soldaten'. Er was meer goed nieuws: aan zijn belabberde financiële situatie was dankzij zijn benoeming aan het Keulse conservatorium een einde gekomen, hij won compositieprijzen, ontving een stipendium en kreeg compositieopdrachten.

Het leek alsof de wereld hem van alle kanten toelachte. Alsof er een nieuwe toekomst voor hem openlag. De rauwe werkelijkheid was echter een andere. De verwoestende combinatie van een gebrek aan zelfvertrouwen en psychische labiliteit leidde tot psychiatrische behandeling en zijn onmiskenbare gevoel van een naderend einde. Reeds in zijn ‘Requiem für einen jungen Dichter', een multimediaal spraak-muziekspektakel, is Zimmermann al volop bezig met zijn eigen dood. Ligt hierin misschien de parallel met de beginstrofe uit Schuberts Winterreise? ‘Fremd bin ich eingezogen, fremd zieh' ich wieder aus'?

Zijn laatste werk, ‘Ich wandte mich und sah an alles Unrecht, das geschah unter der Sonne' (een citaat uit het bijbelboek Prediker) dateert uit 1970 en componeerde Zimmermann in opdracht van Hans Zender, voor - het klinkt merkwaardig - het Olympische zeilevenement in 1972. De subtitel ‘Ekklesiastische Aktion' verwijst naar het zeventiende-eeuwse ‘Azioni sacre', dat zich beweegt tussen opera en oratorium. Zimmermanns laatste werk is eigenlijk een miniatuuroratorium (het neemt slechts zo'n 35 minuten in beslag), waarin pas in de laatste tien minuten de toneelactie doorbreekt, wanneer de beide sprekers - zoals in de partituur is voorgeschreven - luchtsprongen en andere bizarre acrobatische toeren moeten maken, op de grond moeten stampen en wild door elkaar heen moeten schrééuwen.

Bernd Alois Zimmermann (l.) in gesprek met de dirigent Michael Gielen tijdens de repetities van de opera 'Die Soldaten'

‘Die Soldaten, eine Vokalsymphonie'. Kan dat? Uit een opera een symfonie destilleren? Natuurlijk, onder meer Hindemith was hem daarin reeds voorgegaan met ‘Mathis der Maler'. Vier van de in totaal zes delen gingen in 1963 première op het Keulse muziekfestival ‘Musik der Zeit', hoewel het complete werk pas in 1975 aan bod kwam, vijf jaar na de vrijwillig gekozen dood van de componist, en zelfs tien jaar na de gelijknamige opera. Het belangrijkste uitgangspunt voor beide werken: het pluralistische ‘gisteren, vandaag en morgen tegelijkertijd'. Waarbij Zimmermann zowel in de opera als in de ‘Vocalsymphonie' het voorbeeld van Bergs ‘Wozzeck' volgde door iedere scène zijn eigen muzikale vorm mee te geven (preludio, ricerare, notturno, capriccio, corale, ciacona, enz.). En we zien in de ‘Vocalsymphonie' als afgeleide van de opera het beeld ontstaan dat we, zij het in een geheel andere context, herkennen in Bergs Lulu-Suite.

‘Photoptosis' is niet alleen qua uitvoering een groots eerbetoon aan Zimmermann, maar ook tekenend voor zijn componeerstijl in die dagen (we schrijven 1968). In dit werk worden de contrasten tot in het absurde opgevoerd, zij het dat de toehoorder zich in eerste instantie daarvan misschien niet of in voldoende mate bewust is. De enorme precisie waarmee Zimmermann deze partituur heeft ontworpen wordt – doelbewust – deels ondergraven door een knap ingevlochten coloristische vaagheid die aan het Franse impressionisme doet denken. In het stuk wordt het vrije componeren met even groot gemak afgewisseld door melodische en harmonische strengheid volgens de receptuur van een Bach of Reger. Maar ook samenballing (Webern) en uitdijing (Mahler) treden broederlijk naast elkaar op. Hoe pluralistisch kan het zijn? En als ons gaandeweg het gevoel bekruipt dat we in een soort labyrint terecht lijken te zijn gekomen? Dan moet dat klaarblijkelijk zo zijn. Het is misschien wel het labyrint dat het leven van Zimmermann zelf zozeer heeft beheerst en waarin hij uiteindelijk wel moest stuklopen.

Deze schitterend opgenomen cd maakt die vrijwel permanente ambivalentie tot in het kleinste detail haarscherp duidelijk. Niet alleen de violiste Leila Josefowicz, maar ook de vocale solisten en het orkest musiceren op het toppunt van hun kunnen en dat alleen al is bepaald niet gering. Het klinkt allemaal 'hautnah'. En dan te bedenken dat de uitermate lastige ‘Vocalsymphonie' (de voetangels en klemmen zijn legio) live werd opgenomen! Ach, wat verwacht je eigenlijk anders van de grote Fin Hannu Lintu op de bok! Een hommage aan een lang veronachtzaamde grote Duitse componist die het niet alleen zichzelf bijzonder moeilijk heeft gemaakt, maar dat ook in zijn muziek op navrante wijze tot uitdrukking heeft gebracht. Zoveel onrecht onder de zon, het was veel te veel voor een mensenleven.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links