CD-recensie

 

© Aart van der Wal, januari 2018

 

Ysaÿe: Sonates voor viool solo op. 27 nr. 1-6

Sonate nr. 1 in g (Joseph Szigeti) - nr. 2 in a (Jacques Thibaud) - nr. 3 in d (Georges Enescu) - nr. 4 in e (Fritz Kreisler) - nr. 5 in G (Mathieu Crickboom) - nr. 6 in E (Manuel Quiroga)

Pablo Suárez Calero (viool)
Solé Recordings SR0005 • 70' •
Opname: juli 2015, San Andrés de Bedriñana, Asturias (Spanje)

   

Eugène Ysaÿe (1858-1931) behoorde tot een van de belangrijkste, zo niet de belangrijkste voorvechter van het op technisch raffinement geënte vioolspel van de vorige eeuw. Een violist van grote statuur die ook als componist zich ongeremd en naar hartenlust kon overgeven aan het virtuoze vioolspel. Ysaÿe, een twintigste-eeuwse Paganini avant la lettre. Nog slechts een dreumes van een jaar of zeven en dan al een volwaardige leerling op het conservatorium in Luik! Dat kleine mannetje met zijn korte armpjes en kleine handjes werd toen al voor vol aangezien, al moest hij zich toen nog uiteraard behelpen met een kinderviool. Op dat conservatorium maar ook daarbuiten sleepte hij meerdere prijzen in de wacht, maar het serieuze slijpen aan zijn vertolkingskunst begon pas in 1876, toen de achttienjarige in Parijs les nam bij Henri Vieuxtemps en vervolgens als concertmeester van het Berlijnse Bilse-orkest aan de slag ging, waar een andere meesterviolist, Joseph Joachim, van Ysaÿe's vioolspel gewoon ondersteboven raakte. Ysaÿe bleef spelen als een jonge god, ook toen zijn Stradivarius in 1882 tijdens een Rusland-tournee met zijn pianopartner Anton Rubinstein uit de solistenkamer werd gestolen. Merkwaardig dat hij uitgerekend niet zijn viooldocenten aan het Luikse conservatorium noch grootmeester Vieuxtemps als zijn beste leraren op het gebied van de vertolkingskunst beschouwde, maar een pianist, dezelfde Anton Rubinstein! Misschien was het Rubinstein wel die hem naar hogere muzikale sferen bracht? In ieder geval begon hij meer en meer in te zien dat er warempel toch heel wat meer was tussen hemel en aarde dan virtuoze glitter en epaterend spel. Hij raakte in de ban van juist minder virtuoze muziek, met name van componisten als D'Indy, Fauré, Franck en Chausson. Niet dat die kinderstukjes schreven, bepaald niet, maar het waren wel stuk voor stuk toondichters die meer de diepte zochten dan de oppervlakkige virtuositeit. Hen ging het niet om het spel omwille van het spel, maar om het diepere wezen van de muziek. Franck droeg zijn Vioolsonate aan hem op, Chausson zijn Poème en Debussy zelfs zijn Strijkkwartet.

Wie zo viool kon spelen kon - uiteraard dan wel uitgerust met het daarvoor benodigde compositorische talent - natuurlijk ook zo componeren. En dus schreef de grootste violist die België ooit had voortgebracht (niemand minder dan Carl Flesch, doorgaans zuinig met complimenten, beschouwde hem als de meest voortreffelijke en 'persoonlijkste' violist) uiteraard ook stukken voor viool, met en zonder orkest, waaronder deze zes solosonates op. 27, die hij opdroeg aan respectievelijk Joseph Szigeti, Jacques Thibaud, George Enescu, Fritz Kreisler, Mathieu Crickboom en Manuel Quiroga, de een nog een grotere virtuoos dan de ander. Al die opdrachten kunnen niet verhelen dat Ysaÿe zijn solosonates eigenlijk stuk voor stuk aan Bach opdroeg, de componist van de partita's en sonates voor viool solo, waarvoor Ysaÿe het grootst denkbare ontzag koesterde.

Hoe moet een violist Ysaÿes sonates tegemoet treden? In ieder geval met heel veel lef, onverschrokken, een waaghals die bereid is om risico's te nemen bij de meest onwaarschijnlijke dubbelgrepen, parallellen, akkoorden, octaafsprongen en wat al dies meer zij, maar althans in de opnamestudio weet dat hij veel, soms heel veel over mag doen. Voor de solist levert die zekerheid behoorlijk veel meerwaarde op: hij speelt doorgaans juist trefzekerder in de wetenschap alleen al dat het niet het laatste woord, de laatste streek hoeft te zijn. Wie moederziel alleen op het concertpodium staat en daar zo'n sonate moet uitvoeren, bevindt zich in geheel andere omstandigheden en om dan foutloos de finish te halen. Het is, voor zover ik dat althans heb gehoord, nog niemand gelukt (wat overigens niet wil zeggen dat een dergelijke 'kunstenaar' in de meest letterlijke zin van het woord er niet zou zijn!) Maar afgezien van dergelijke overwegingen: Ysaÿes sonates zijn voor iedere topviolist net zulke 'vechtstukken' als de sonates en partita's van Bach en de reeds aangehaalde capriccio's van Paganini. Om van de eigentijdse stukken op dit gebied het nog maar niet eens te hebben.

Maar het kan niet vaak genoeg worden gezegd: evenals Bach en Paganini vóór hem heeft Eugène Ysaÿe met deze zes sonates niet alleen de virtuoze (vooral ook meerstemmige!) eigenschappen van de viool willen exploreren, maar ook het muzikanteske karakter ervan. Ook hij moet zich terdege hebben gerealiseerd dat holle virtuositeit nooit en te nimmer een doel op zich kon of mocht te zijn en dat de rechtgeaarde connaisseur meer vroeg en verwachtte dan alleen dat. Voor de violist geldt dat uiteraard evenzeer, met als extra aantrekkelijk aspect van deze muziek de brugfunctie tussen het oude en het nieuwe, tussen traditie en (gesuggereerde) improvisatie. In het spel van Suárez Calero is het virtuoze karakter van deze miniaturen evident, maar hij speelt in de meest letterlijke zin met klankkleuren die de expressiviteit in deze muziek naar een hoog plan tillen en er daardoor extra glans aan verleent. Het is of suggestie, of het is werkelijkheid, maar zijn bereidheid om risico's te nemen, langs afgronden te gaan, maakt deze exploratie bovendien extra aantrekkelijk. Als schoolvoorbeeld moge op. 27 nr. 3 gelden, die Ysaÿe als ballade heeft gecomponeerd, afwisselend episch en lyrisch, maar alleen al wat de violistiek betreft een waar monument.

Hoe lastig kan het zijn (of worden gemaakt) om eerst de enorme technische obstakels te moeten overwinnen en dan vervolgens daarin nu juist het gloedvolle karakter van deze stukken ontdekken, indringend en stralend tegelijkertijd, de spanningsbogen met meesterhand aangebracht en de fijnzinnigheid van het betoog (dynamische gradaties!) voortdurend onderstrepend. Pablo Suárez Calero mag zich tot het illustere gezelschap van zijn grote voorgangers in dit repertoire rekenen; en ongetwijfeld degenen die na hem zullen komen. Want dit blijft een genre dat zijn aantrekkingskracht nooit zal verliezen. Dat de Spaanse violist een heuse Carlo Maria Testore uit 1732 bespeelt mag uiteraard niet onvermeld blijven.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links