CD-recensie

 

© Aart van der Wal, maart 2012

 

 

Ysaÿe: Sonates voor viool solo op. 27 nr. 1-6

Tai Murray (viool)

Harmonia Mundi HMU 907579 • 69' •

Opname: maart 2011, The American Academy of Arts and Letters, New York

 

 


Hoe zou je deze in 1982 in Chicago geboren musicienne moeten noemen? Een vioolbabe, jawel, maar dat klinkt niet echt genereus, laat staan beschaafd, hoewel het vaak als het grootst denkbare compliment is bedoeld. Een rijzende ster? Ze is al zo gerezen, getuige dit super-de-super recital. Bovendien, nog geen dertig en dan overal met de meest uitzinnige loftuitingen overladen. Zeker in Amerika, waar ze toch al vrij rap zijn met superlatieven, wordt zij beschouwd als de nieuwe '...' (u noemt maar een willekeurige grote violist).

Dit is haar cd-debuut, en wat voor een. Een ander instrument weliswaar, maar ze doet me denken aan dat overrompelende plaatdebuut van de pianiste Martha Argerich, toen op Deutsche Grammophon, waarmee ze in één klap de muziekwereld aan haar voeten kreeg. Dat was meer dan alleen maar virtuoos pianospel: daar was een heuse klavierleeuwin (ik weet het, het klinkt wéér verschrikkelijk) aan het ‘woord’ die door de tijd afgebladderde noten in een volkomen nieuw perspectief wist te zetten: een natuurtalent dat veel meer in huis had dan alleen maar virtuositeit: Argerich króóp in de muziek, ging onder haar huid en verblufte alles en iedereen met haar explosieve vertolkingen. Welnu, we weten hoe het haar sindsdien is vergaan, hoe ver ze is gekomen en waar ze vervolgens is gebleven: aan de absolute top, als solo- en concertopianiste, maar ook als een van de hoofdrolspelers in het domein van de kamermuziek.
Hoe de toekomst voor Tai Murray zal verlopen weet geen mens, maar wel kunnen we aan haar spel in deze technisch en interpretatief buitengewoon lastige sonates van Ysaÿe aflezen dat ze de wereldtop in haar vingers heeft.

Eugène Ysaÿe (1858-1931) mag worden gerekend tot een van de belangrijkste, zo niet de belangrijkste voorvechter van het op technisch raffinement geënte vioolspel van de vorige eeuw. Niet alleen als violist maar ook als componist kan hij zich ongeremd en naar hartenlust overgeven aan het virtuoze vioolspel. Ysaÿe, een twintigste-eeuwse Paganini avant la lettre. Nog slechts een dreumes van een jaar of zeven en dan al een volwaardige leerling op het conservatorium in Luik! Dat kleine mannetje met zijn korte ampjes en kleine handjes werd toen al voor vol aangezien, al moest hij zich toen nog uiteraard behelpen met een kinderviool. Op dat conservatorium maar ook daarbuiten sleepte hij meerdere prijzen in de wacht, maar het serieuze slijpen aan zijn vertolkingskunst begon pas in 1876, toen de achttienjarige in Parijs les nam bij Henri Vieuxtemps en vervolgens als concertmeester van het Berlijnse Bilse-orkest aan de slag ging, waar een andere meesterviolist, Joseph Joachim, van Ysaÿes vioolspel gewoon ondersteboven raakte. Ysaÿe bleef spelen als een jonge God, ook toen zijn Stradivarius in 1882 tijdens een Rusland-tournee met zijn pianopartner Anton Rubinstein uit de solistenkamer werd gestolen. Merkwaardig dat hij uitgerekend niet zijn viooldocenten aan het Luikse conservatorium noch grootmeester Vieuxtemps als zijn beste leraren op het gebied van de vertolkingskunst beschouwde, maar een pianist, dezelfde Anton Rubinstein! Misschien was het Rubinstein wel die hem naar hogere muzikale sferen bracht? In ieder geval begon hij meer en meer in te zien dat er warempel toch heel wat meer was tussen hemel en aarde dan virtuoze glitter en epaterend spel. Hij raakte in de ban van juist minder virtuoze muziek, met name van componisten als D'Indy, Fauré, Franck en Chausson. Niet dat die kinderstukjes schreven, bepaald niet, maar het waren wel stuk voor stuk toondichters die meer de diepte zochten dan de oppervlakkige virtuositeit. Hen ging het niet om het spel omwille van het spel, maar om het diepere wezen van de muziek. Franck droeg zijn Vioolsonate aan hem op, Chausson zijn Poème en Debussy zelfs zijn Strijkkwartet.

Wie zo viool kon spelen kon - voorzien van het daarvoor benodigde compositorische talent - natuurlijk ook zo componeren. En dus schreef de grootste violist die België ooit had voortgebracht (niemand minder dan Carl Flesch, doorgaans zuinig met complimenten, beschouwde hem als de voortreffelijkste en persoonlijkste violist) uiteraard ook stukken voor viool, met en zonder orkest, waaronder zes solosonates, die hij opdroeg aan Joseph Szigeti, Jacques Thibaud, Georges Eneso, Fritz Kreisler, Mathieu Crickboom en Manuel Quiroga, de een nog een grotere virtuoos dan de ander. Al die opdrachten kunnen niet verhelen dat Ysaÿe zijn solosonates eigenlijk stuk voor stuk aan Bach opdroeg, de componist van de partita’s en sonates voor viool solo, waarvoor Ysaÿe het grootst denkbare ontzag koesterde.

Hoe moet een violist Ysaÿes sonates tegemoet treden? In ieder geval met heel veel lef, onverschrokken, een waaghals die bereid is om risico’s te nemen bij de meest onwaarschijnlijke dubbelgrepen, akkoorden en melodieën, maar althans in de opnamestudio weet dat hij veel, soms wel heel veel over mag doen. Voor de solist levert die zekerheid behoorlijk veel meerwaarde op: hij speelt doorgaans juist trefzekerder in de wetenschap alleen al dat het niet het laatste woord, de laatste streek hoeft te zijn. Wie moederziel alleen op het concertpodium staat en daar zo’n sonate moet uitvoeren, bevindt zich in geheel andere omstandigheden en om dan foutloos de finish te halen… Maar afgezien van dergelijke overwegingen: Ysaÿes sonates zijn voor iedere topviolist net zulke ‘vechtstukken’ als de sonates en partita’s van Bach en de capriccio’s van Paganini.
Wat zo buitengewoon aantrekkelijk is aan het spel van Tai Murray is haar absolute wil om van deze sonates meer te maken dan virtuoze hoogstandjes. Even als eerder Liza Ferschtman (klik hier) lukt haar dat ook. De klankkleuren die zij uit haar instrument (en wat voor een: een Giovanni Tononi uit ca. 1690) tovert zijn niet bedoeld om ermee te epateren maar hebben alle echt expressieve lading. Zo bekeken is haar bezonkenheid in de langzame delen net zo imposant als de flonkerende guirlandes en razendsnelle toonwisselingen in de hoekdelen. Dat alles gaat gepaard met een solide toonvorming, afwisselend groot, diep en warm, of heel intiem, teder, zwevend licht. Bij Murray is een toon niet een op zich staand fenomeen maar een muzikale gebeurtenis die ergens aan voorafgaat en ergens naartoe leidt. In het licht daarvan bouwt ze haar frases op, zet ze ritmische patronen aan en brengt ze finesse in de dynamische gradaties. De hogeschool van de violistiek en de interpretatie, en dat op een debuut-cd. Op naar Bachs sonates en partita’s!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links