CD-recensie

 

© Aart van der Wal, februari 2011

 

 

Wolf: Italienisches Liederbuch

Julia Kleiter (sopraan), Christoph Prégardien (tenor), Hilko Dumno (piano)

Challenge Classics CC72378 • 76' • (sacd)

www.challenge.nl

 

 


Hugo Wolf (1860-1903) schreef de onder de titel 'Italienisches Liederbuch' verzamelde, zesenveertig liederen niet achter elkaar: de eerste tweeëntwintig ontstonden tussen 1890 en 91, de resterende vierentwintig in 1896. Wolf ontleende de teksten aan een door Paul Heyse in 1860, toevallig Wolfs geboortejaar, gepubliceerde vertaling. Wie de oorspronkelijke auteur van deze Italiaanse poëzie is, is onbekend gebleven. Het zal voor de componisten onmiskenbaar van voordeel zijn geweest dat hij in dit geval werkelijk met een schone lei kon beginnen: geen componist vóór hem had zich er al aan gewaagd.

Inhoudelijk hoeven we ons van deze Toscaaanse gedichten niet al te veel voor te stellen: samen vormen ze min of meer een doorlopend verhaal over de liefde, met zo'n beetje alles wat daarbij komt kijken. Het is evenwel het genie van Wolf dat buitengewoon sfeervolle parels heeft opgeleverd, waarin afwisselend zowel de zegeningen en genietingen als het verdriet en de pijn van de liefde aan bod komen. Dat het zwaartepunt in deze cyclus toch met name bij de donkere kanten van de liefde ligt is minder verbazingwekkend dan dat de auteur van het cd-boekje in deze cyclus uitwijdt over het merendeels melodische en toegankelijke karakter van deze miniaturen. Wie deze zesenveertig liederen de revue laat passeren neemt een dergelijke typering waarschijnlijk niet al te gauw in de mond. Zeker, kort en bondig zijn ze doorgaans wel, maar de vertolkers moeten stuk voor stuk op het gebied van de liedinterpretatie echt alles uit de kast halen om deze cyclus tot een grootse aaneenrijging van karakteriseringen en stemmingsbeelden te maken. Wat daarbij tevens een rol speelt is de ordening van de zesenveertig liederen (Wolf heeft dat in het midden gelaten, de keus aan de vertolkers overgelaten).

De nog steeds allerbeste vertolking staat op het conto van het trio Elisabeth Schwarzkopf (sopraan), Dietrich Fischer-Dieskau (bariton) en Gerald Moore (piano). Daarmee heeft EMI medio jaren zestig van de vorige eeuw dusdanig hoge ogen gegooid dat iedere volgende uitgave daaraan moet worden afgemeten, onverschillig of er een bariton danwel een tenor in het spel is. Wonderlijk genoeg deed datzelfde label het later nog eens dunnetjes over met de opname van Dawn Upshaw, Olaf Bär en Helmut Deutsch, die dat extreem hoge niveau van zijn voorganger overigens niet haalde. Intussen is de catalogus verder uitgebreid maar niemand is er tot op heden in geslaagd om die eerste EMI-opname te evenaren, laat staan te overtreffen.

Dat is ook niet het geval met deze nieuwe uitgave, waarin de sopraan Julia Kleiter duidelijk de zwakste schakel is. Ze zingt prachtig tot het niveau van forte (soms zelfs niet verder dan mezzoforte), maar daarna is het doorgaans afgelopen met de vocale schoonheid: er komt een naar randje op haar stem en is het tevens prompt gedaan met evenwichtige karakter van haar vocalen. De opname helpt trouwens ook al niet mee want die onderstreept het scherpe karakter alleen maar. Of Prégardien zich daaraan heeft gestoord weet ik uiteraard niet, maar je zou het bijna denken, want hij is te weinig met zijn eigen rol bezig. Hij lijkt slechts een waarnemer te zijn die maar niet in deze liederen wil of kan kruipen. Wie wel qua interpretatie behoorlijk op dit duo vooruitloopt is de pianist Hilko Dumno, die zelfs de (altijd!) eminente Gerald Moore nog naar de kroon weet te steken..


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links