CD-recensie

 

© Aart van der Wal, juli 2012

 

 
   
   

Weinberger: Zes Boheemse liederen en dansen voor viool en piano (1929) - Tien karakteristieke soli voor snaartrommel met pianobegeleiding (1939) - Dedicaties: Vijf préludes voor orgel solo (1954) - Meditaties: Drie préludes voor orgel solo (1956) - Psalm 150 (solocantate voor hoge stem en orgel) (1940)

Asaf Levy (viool), Stephan Froleyks (slagwerk), Efrat Levy (piano), Moran Abouloff (sopraan), Gerhard Weinberger (orgel)

Deutschlandfunk gb 005 • 46' + 40' • (2 cd's)

Opname: mei 2008, Deutschlandfunk, Kammermusiksaal en Sankt Johannes Baptist Kirche, Paderborn-Wewer (D)

www.econa.nl


Jaromír Weinberger (niet te verwarren met Mieczyslaw Weinberg of Moishei Vainberg) pleegde op 8 augustus 1967 zelfmoord. De laatste twee weken voor zijn dood zat de aan chronische slapeloosheid lijdende Weinberger bijna onafgebroken improviserend achter de piano. Op de kop af een jaar later stierf zijn vrouw. De muikale nalatenschap ging naar Yehuda Polacek in Jeruzalem. Hij beschouwde het als zijn levenstaak om het werk van zijn oom te propageren. In 1996, ter gelegenheid van de honderdste geboortedag van Weinberger, zorgde Polacek voor de uitvoering van een aantal van diens werken. In de zomer van 2000 stierf Polacek. Zijn vrouw Aliza overhandigde de het muzikale erfgoed aan de Israëlische Nationale Bibliotheek, gevestigd in de Hebreeuwse Universiteit in Jeruzalem. Helaas hebben al deze inspanningen niet geleid tot een grotere bekendheid van het oeuvre van Weinberger. Alleen de Polka en Fuga uit zijn opera Svanda dudak (Schwanda de doedelzakspeler) zijn nog niet helemaal uit het zicht verdwenen. Er waren tijden dat de allergrootste dirigenten hadden die twee stukken op hun repertoire hadden. Fritz Reiner maakte er met zijn Chicago Symphony Orchestra een opname van die nooit uit de catalogus is verdwenen, maar daarnaast is het een repertoirestuk voor de meeste Amerikaanse brassbands. Van de opera zelf bestaat alleen nog een onbevredigende uitvoering op het Naxos-label (het veel betere alternatief, die onder Heinz Wallberg op het toenmalige CBS-label is zover ik weet nooit heruitgegeven). Een schande trouwens dat in Decca's onvolprezen 'Entartete Musik' serie Schwanda ontbrak.

Weinberger werd geboren op 8 januari 1896 in Praag-Vinohrady (wijnbergen, Weinberger). De familie had kort daarvoor de stap gemaakt van het platteland naar de grote stad, aangetrokken door de economische opleving. Vader en moeder Weinberger hadden hun kinderen typisch Tsjechische voornamen gegeven: zoon Jaromír en de beide dochters Bozena en Beda. Dat was anders dan gebruikelijk in het Tsjechië onder Oostenrijks bestuur, waar joodse ouders hun kinderen doorgaans joods voornamen gaven. Echter, bij de Weinbergers thuis werd Tsjechisch gesproken en de kinderen gingen naar Tsjechische scholen.

De piano ten huize van de Weinbergers kwam uit de meubelzaak van vader Weinberger. Moeder Weinberger, muzikaal begaafd, had al snel door dat Jaromír ook talent had. Hij ventje met zijn absolute gehoor ontpopte zich al snel als een wonderkind: nauwelijks vijf speelde hij naast allerlei volksmelodieën en andere populaire Tsjechische stukjes de melodieën die hij in de vlakbij gelegen synagoge hoorde. Het is deze mix die we in veel van zijn composities tegenkomen (zoals bijvoorbeeld in de Zes Boheemse liederen en dansen voor viool en piano uit 1929, waarin ook invloeden van Smetana en Dvorák duidelijk doorklinken).

Na eerst les te hebben gehad van Jaroslav Kricka, Václav Talich en Rudolf Karel ging Jaromír op zijn veertiende naar het conservatorium in Praag, waar hij zich verder kon bekwamen onder het toeziend oog van Viteslav Noväk, die nog bij Antonín Dvorák in de leer was geweest. Al in 1913, hij was toen pas zeventien, zwaaide Jaromír daar af. Om zich verder te trainen als pianist nam hij les bij Karel Hoffmeister, om in 1915 naar Leipzig te verhuizen waar hij aan het conservatorium bij Max Reger ging studeren. Hij was een van zijn laatste leerlingen (Reger stierf op 11 mei 1916). In een brief van 22 december 1915 toonde Reger zich vol bewondering voor zijn student, in het bijzonder over diens sterk ontwikkelde gevoel voor klank, zoals bij veel Bohemers.

Zoals voor zoveel componisten gold was er voor Weinberger weinig eten op de plank. Hij keerde terug naar Praag waar hij zich financieel op de been hield met het componeren van theatermuziek. Tussentijds lukte het hem aan de dienstplicht te ontkomen (zeker met de Eerste Wereldoorlog nog volop in gang was dat een meer dan prettige bijkomstigheid). Nadat in oktober 1918 de Tsjechische republiek een feit was geworden had Weinberger meer en meer zijn hoop gezet op de uitvoering van zijn muziek. Het zag er inderdaad gunstig uit, al trof het heersende antisemitisme hem diep. In 1922 ontving hij een uitnodiging van het Ithaca Conservatory in New York om daar hoofd te worden van de afdeling muziektheorie en compositie. Hij accepteerde die invitatie en deed, eenmaal gesetteld, iedere mogelijke poging om als Tsjechische componist en musicus in het land geaccepteerd te worden. Het was duidelijk: Amerika leek Weinbergers nieuwe vaderland te worden. In een vraaggesprek ging hij zelfs gedetailleerd in op zijn plannen om een groots, monumentaal en patriottisch werk te componeren met de titel 'Union Rhapsody'.
Na enige maanden veranderde hij echter plotsklaps van mening en hij besloot naar Europa terug te keren. Mogelijk was het de Engelse taal die hem teveel hoofdbrekens opleverde, misschien de onmogelijkheid om in het land een vruchtbare muzikale carrière op te bouwen. Maar er was meer aan de hand, zoals zijn heimwee naar Praag, zijn kritiek op de 'mechanische leefstijl' van de Amerikanen en de manier waarop zij hun hun natuur 'plunderden'. Een land ook dat volgens hem werd gedomineerd door nummers en een volslagen gebrek aan romantisch gevoel.

Eenmaal weer terug in Tsjechië kreeg Weinberger een mooie en belangrijke post toebedeeld: hij werd directeur aan de opera van het Nationaal Theater in Bratislava. Hij bleef er echter niet lang. Na een tussenstop in het Hongaarse Eger, waar hij de leiding van de plaatselijke muziekschool op zich nam, vestigde hij zich in Praag om daar te kunnen componeren. Het eerste resultaat daarvan was Svanda dudak. Was het antisemitisme plotsklaps vergeten? Bestond het niet meer? Natuurlijk wel, maar misschien leefde Weinberger toen nog met een illusie. In 1929 pakte Weinberger opnieuw zijn boeltje om zich - met behulp van de Weense muziekuitgever Universal Edition - in het bekende Baden (Beethoven had er aan zijn Negende symfonie gewerkt) bij Wenen te vestigen. Daar voltooide hij zijn tweede opera, Milovaný hlas en ontmoette hij Hansi Lemberger, met wie hij in 1931 in het zomerse Antibes trouwde. Een paar maanden later, in november, ging zijn derde opera, Lidé z Pokerflatu in première, in Brno.

Jaromír en Hansi, beiden joods, besloten ondanks het oprukkende nationaalsocialisme van Baden naar Praag te verhuizen. Op 20 januari 1933 ging in Berlijn Weinbergers eerste operette, Frühlingsstürme, in première, met in de hoofdrollen niemand minder dan Richard Tauber en Jarmila Novotná. Het werd een doorslaand succes, maar de vreugde bleek van korte duur: al spoedig daarna deden de nazi's het werk van joodse componisten in de ban. In september 1935 kwam er een officieel verbod van de Reichskulturkammer: muziek van 'niet-arische' componisten, daaronder de muziek van Jaromír Weinberger (hij werd zelfs met name genoemd), mocht niet meer worden uitgevoerd of uitgezonden. Toch beleefde zijn opera Wallenstein nog in november 1937 zijn succesvolle première in Wenen.

Toen in januari 1939 zich de gelegenheid voordeed om het land te verlaten, scheepten Jaromír en Hansi zich in naar New York, waar hij al snel weer ging componeren. Het eerste werk uit die tijd was 'Ten characteristic solos' voor snaartrommel met pianobegeleiding. Op deze cd doet drummer Stephan Froleyks het net even anders door aan het stuk een dramaturgisch element toe te voegen: Froleyks bespeelt het instrument zowel met als zonder snaren, hij gebruikt voorts verschillende drums en stokken. Passend bij de titel ('characteristic solos') karakteriseert Froleyks op deze wijze ieder deeltje weer anders, zij het dan niet zoals de componist het heeft bedoeld.

Intussen bestond het Amerikaanse verblijf van de Weinbergers niet louter uit hoogtepunten, hoewel het goed begon met een glanzende uitvoering van Svanda dudak aan de MET in 1931. In muziekkringen was men best nieuwsgierig naar die Tsjechische immigrant die een veelbelovende toekomst voor zich zag als componist in Amerika. Het bleek echter meer een balanceren tussen hoop en vrees, tussen frustratie, wanhoop, zorgen en succes. Er kwamen enige compositieopdrachten binnen die Weinberger ook honoreerde: 'Under the spreading chestnut tree' (Variaties en fuga op een oud Engels wijsje) en de 'Lincoln Symphony' (patriottisch bedoeld, dat zeker). Uit diezelfde periode stamt Psalm 150, een solocantate voor 'high voice' en orgel (1940), op deze cd helaas gezongen door de wapperende sopraan Moran Abouloff. Het lijkt alsof de componist met dit werk welbewust afstand heeft willen nemen van de joodse invloeden in zijn muziek. Mogelijk werd die keuze ingegeven door zijn wil om 'Amerikaan met de Amerikanen' te zijn, of het tenminste te worden. Nog een teken van aanpassing: Hansi liet zich voortaan Jane noemen.

Aan het einde van de oorlog kwam het slechte bericht dat zowel de moeder als de oudste zus van Jaromír het concentratiekamp niet hadden overleefd. Daar kwam nog bij dat Hansi een zware operatie moest ondergaan waarvan zij slechts uiterst langzaam wist te herstellen. Jaromír stortte in en werd een tijdlang opgenomen in een psychiatrische kliniek. Eerst in 1948 verwierf Jaromír het Amerikaanse staatsburgerschap. Het paar vestigde zich in St. Petersburg in Florida, waar hij niet alleen een thuishaven maar ook de broodnodige rust vond. Hij begon een nieuwe hobby: fotografie.

'Dedications', vijf préludes voor orgel, ontstond in 1954. Ieder deel is opgedragen aan een bijbelse figuur van het vrouwelijk geslacht: Miriam, Rachel, Ruth, Deborah en Esther. Het zijn liederen zonder woorden met een stevige vleug laatromantiek à la Reger (niet zo vreemd, want bij hem had Weinberger immers, zij het kort, gestudeerd). Gerhard Weinberger (geen familie van Jeromír), de organist op deze cd (in Duitsland heeft hij de status van Ton Koopman hier), ontwikkelde een aparte registratie in overeenstemming met zowel het specifieke karakter van ieder deeltje en de eigenschappen van het door de organist voor deze muziek uitgezochte (romantische) orgel als de akoestiek van de Sankt Johannes Baptist Kirche in het Duitse Paderborn-Wewer. In het boekje wordt ten onrechte beweerd dat de 'Dedications' voor hammondorgel bedoeld zouden zijn geweest.

'Meditations', drie préludes uit 1956, is het laatste orgelstuk van Jeromír Weinberger. Naast de invloed van Reger vinden we nu ook die van César Franck. Net als de andere orgelstukken is het idioom weliswaar laatromantisch, maar het tonale karakter ervan werd door Weinberger wel degelijk opgerekt. Menige akkoordopstapeling bevat 'vreemde' noten en er zijn dissonante en 'synthetische' (Schönberg) akkoorden in overvloed. In een en dezelfde compositie is sprake van zowel diatoniek als chromatiek, beide worden door elkaar gebruikt. Een ander kenmerk van Weinbergers inventieve componeerstijl zijn de vele 'geroofde' harmonieën (à la Schönberg) en verloopt de weg naar een nieuwe toonsoort: vaak langs de lijnen van de 'verbroken' tonaliteit. Dubbelzinnige lagentechniek komt in het spel als Weinberger enerzijds de 'disharmonie' opzoekt en die dan mengt met simpele melodietjes die wel in een duidelijk herkenbare toonsoort staan.

Tot 1962 componeerde Weinberger een aantal werken voor orkest en had hij voldoende financiële middelen om jaarlijks zomeruitstapjes naar Europa te maken. Daar stond men helaas onverschillig jegens hem en zijn muziek. Zijn latere jaren stonden vooral in het teken van zijn geleidelijk verslechterend gezichtsvermogen, zijn chronische slapeloosheid en uiteindelijk een hartaanval. Voortdurend uitgeput door een gebrek aan slaap en sterk vermagerd leed hij meer en meer aan depressies die bovendien zijn zelfvertrouwen aantastten.

De contacten met zijn familie waren door de oorlog verloren gegaan. Door een toeval kwam een briefkaart, die hij midden in de oorlog vanuit Amerika naar het conservatorium in Jeruzalem had gestuurd, terecht in de handen van ene Yehuda Polacek, die er klarinet studeerde. De moeder van Polacek was een nicht van Jaromír (de grootmoeders van Polacek en Weinberger waren zusters). Het contact kregg echter geen vervolg omdat Yehuda werd opgeroepen om dienst te nemen in het Israëlische leger (hij werd lid van de muziekkapel). Pas in het begin van de jaren zestig slaagde Yehuda Polacek erin om met hulp van de 'Library of Congress' het Amerikaanse adres van Jeromír te achterhalen. Vanaf dat moment voerden de twee een intensieve correspondentie met elkaar. Bij die gelegenheid vroeg Jeromír hem om na zijn dood de zorg over zijn composities over te nemen, een wens die Polacek gestand deed.

Het is dus mede aan Yehuda Polacek te danken dat de muziek bewaard is gebleven en dat daardoor een aantal werken deze dubbel-cd kon worden uitgebracht. Het is een belangwekkende en tegelijkertijd ontroerende hommage aan een componist die merendeels aan de periferie van het 'grote componeren' zijn weg zocht en vond en waarvan de kwaliteit van zijn werk het rechtvaardigt om te worden uitgevoerd. De vijf musici leveren met hun bezielde en technisch vlekkeloze vertolkingen daarvan het beste bewijs. De mooie opnamen en de uitvoerige documentatie (met veel unieke afbeeldingen) doen de rest.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links