CD-recensie

 

© Aart van der Wal, juni 2022

Weinberg: Concertino voor cello en orkest op. 43bis - Fantasie voor cello en orkest op. 52 - Kamersymfonie nr. 4 op. 153

Pieter Wispelwey (cello), Jean-Michel Charlier (klarinet), Les Métamorphoses o.l.v. Raphaël Feye
Evil Penguin EPRC 0045 • 69' •
Opname: 28-6/1-7-2021, Muziekcentrum De Bijloke, Gent (B)

   

Mieczyslaw (in het Jiddisch Moisej) Weinberg (1919-1996) was, zoals in het cd-boekje treffend wordt opgemerkt, ‘een burger van nergens', tevens een bijnaam die hem als een handschoen past. Pool van geboorte bracht hij het grootste deel van zijn leven door in de Sovjet-Unie.

Dat het in het Westen zo vréselijk lang geduurd heeft alvorens zijn muziek in bredere kring bekend werd, laat zich niet zo gemakkelijk verklaren. Enerzijds is er de voor de hand liggende verwijzing naar wat Churchill eens het IJzeren Gordijn noemde, anderzijds waren eind jaren tachtig Perestrojka en Glasnost die ook voor Weinberg de deur naar het Westen op niet meer dan slechts een kier zetten. Gelukkig is er echter al zo'n jaar of vijftien sprake van een kentering, zo niet een inhaalslag die duidelijk zijn vruchten heeft afgeworpen, getuige de inmiddels aanmerkelijk grotere belangstelling voor niet alleen zijn muziek maar ook voor de persoon Weinberg. Ook op onze site vindt u daarvan een representatieve afspiegeling. Wat tevens duidelijk maakt dat over de grote kwaliteiten van deze muziek, in welk genre ook, niet getwist hoeft te worden. Dit is echt muziek die staat als een huis, al heeft het modernisme er slechts beperkt vat op gekregen en waarover de bekende Letse violist Gidon Kremer (Riga, 1947), groot pleitbezorger van de muziek van Weinberg, opmerkte:

The value of Weinberg's music to me is absolutely obvious — his opuses are not written following a certain compositional system, school or ideology. For myself, the 'discovery' of Weinberg some years ago became a source of an unlimited inspiration.

Weinbergs tragische levenslot begon pas goed met de Duitse inval in Polen, die hem als jood dwong Warschau te ontvluchten (als hij het niet had gedaan zou hij ongetwijfeld of in het getto of elders in een vernietigingskamp het leven hebben gelaten) en zijn toevlucht te nemen tot de (dan nog niet door de Duitsers bezette) Sovjet-Unie. Maar in 1941 trokken de Duitse legers, ondanks het Molotov-Ribbentrop Pact, toch Rusland binnen en moest Weinberg, dan nog studerend in Minsk, opnieuw de vlucht nemen. De reis voerde hem eerst naar Tasjkent in Oezbekistan, alvorens hij zich, op uitnodiging van niemand minder dan Dmitri Sjostakovitsj, definitief in Moskou vestigde. Dat luidde tevens het begin in van een warme vriendschap tussen de beide componisten die maar al te graag elkanders werk beoordeelden. Michel Krielaars heeft in zijn boek De klank van de heilstaat - Musici in de tijd van Stalin aan Weinberg terecht een uitvoerig en op menig punt zeer verhelderend hoofdstuk gewijd.

Het op dit album verschenen Celloconcertino op. 43bis is lange tijd onbekend gebleven. Eerst in 2016 werd de partituur ervan aangetroffen in het archief van de Russische muziekwetenschapper Manashir Abramovitsj Jakoebov (1936), tevens directeur van het DSCH muziekuitgevershuis en bovendien groot kenner van het oeuvre van Sjostakovitsj. Het kwam feitelijk neer op een regelrechte ontdekking, want het stuk stond niet vermeld in welke Weinberg-catalogus ook, terwijl het ook in de muzikale nalatenschap van de componist ontbrak. Uit de datering bleek dat het in 1948, in amper vier dagen, was geschreven, tevens het jaar waarin een groot aantal componisten werd beschuldigd van ‘formalisme' en zich daarvoor of publiekelijk moest verontschuldigen, of simpelweg in de ban gedaan. Maar het jaar 1948 was voor Weinberg om nog een andere reden uitermate donker en grimmig: zijn schoonvader, de bekende joodse acteur Solomon Mikhoels, werd in januari op instructie van Stalin geëxecuteerd. Echter, kort na deze tragedie zette Weinberg zich toch aan het Concertino. Zoals zo vaak in het werk van Weinberg is ook de joodse folklore in dit werk nooit ver weg (in het tweede deel, moderato espressivo, ontwikkelt zich een reeks dansen op basis van joodse melodieën in de vorm van de chassidische ‘terkisher'). Treffend is ook dat dit Concertino al de nodige zaadjes bevat voor wat later nog zou komen: het in hetzelfde jaar begonnen Celloconcert op. 43, dat ontstond na een bezoek van de cellist Mstislav Rostropovitsj aan Weinberg in de zomer van 1956. De componist had bij die gelegenheid zijn reeds gecomponeerde Concertino voor de dag gehaald, waarna de cellist het werk doornam. Waarna Weinberg het stuk opnieuw onder handen nam, wat leidde tot het Celloconcert op. 43. Voor zover bekend is het Concertino tijdens het leven van Weinberg nooit uitgevoerd en vond de verlate première ervan eerst in 2017 plaats.

De Vierde kamersymfonie op. 153 is, voor zover wij weten, Weinbergs laatste voltooide compositie. Hij schreef het werk in april en mei 1992, toen hij door ziekte geveld zijn huis niet kon verlaten. De zetting is die voor het traditionele strijkorkest met obligate klarinetpartij, met daaraan toegevoegd nog een paar noten speciaal voor de triangel. Het kan toeval zijn dat er allerlei citaten uit zijn eerder werk in voorkomen, maar ik denk eerder dat sprake is van welgekozen reminiscenties in het bijna-aangezicht van de dood.

Sommige recensenten hebben de Fantasie voor cello en orkest op. 52 nogal gemakkelijk het etiket van het in die tijd gebruikelijke ‘veilig componeren' opgeplakt. Dat lijkt bij oppervlakkige beschouwing ook zo te zijn, terwijl het stuk in de periode 1951-1953 werd geschreven, in een tijd dat componisten, als ze al wilden componeren, dit ‘oorstrelend' richting de machthebbers behoorden te doen. Het gevolg laat zich raden: als er al geen sprake was van propagandistische filmmuziek, mondde het uit in tamelijk karakterloze of rapsodische stukjes, eventueel bestrooid met de poedersuiker van de plaatselijke of regionale folkore. Stukjes die dus feitelijk nauwelijks iets om het lijf hadden, ingegeven door het streven naar een ‘veilig' componeren. Muziek dus waar niemand een buil aan kon vallen. Weinberg kende het klappen van de zweep en heeft er danig mee geworsteld, getuige ook de lange ontstaansgeschiedenis van de Fantasie, maar de uitkomst is ondanks de opgelegde beperkingen qua opzet en uitwerking aanmerkelijk geraffineerder dan de meest producten van zijn eveneens onder druk staande tijdgenoten; al is het voegsel van de noodgedwongen gevolgde partijlijn net zo onmiskenbaar. En dan te bedenken dat Weinberg in februari 1953 alsnog werd gearresteerd. De première vond plaats in 1954, maar alleen in een versie voor cello (met de beroemde cellist Daniil Shafran) en piano. Weinberg heeft de oorspronkelijke versie voor zover bekend nooit gehoord.

De tragiek heeft ook de Nederlandse cellist Pieter Wispelwey diep geraakt. Op 10 maart 2022 overleed zijn dan 16-jarige zoon Dorian Bellamy aan de gevolgen van een verkeersongeval, nog geen jaar nadat Pieter deze opname maakte. En wat voor een opname: dit zijn uitvoeringen die echt door merg en been gaan, waarin opgelegde vrolijkheid van een bijna sardonisch laagje wordt voorzien en waarin de suggestie wordt gewekt dat het toch net niet is wat het misschien wel lijkt. Dubbele-bodem-muziek dus die door zowel Wispelwey en Charlier als Les Métamorphoses tot op het bot wordt uitgespeeld. Het draait voortdurend om intensiteit en engagement, met de Kamersymfonie als waardige en tegelijkertijd fascinerende afsluiting van dit zo belangrijke project. In hoge resolutie vastgelegd door Steven Maes mag deze uitgave eigenlijk niet worden gemist.

Het cd-boekje verdient nog een aparte vermelding, dankzij het grote aantal fraaie foto's van o.a. de musici en de uitstekend geschreven toelichtingen (ook in het Nederlands!)


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links