CD-recensie

 

© Aart van der Wal, november 2013

 

Sjostakovitsj: Strijkkwartet nr. 8 in c, op. 110 (bewerking voor strijkorkest door Rudolf Barshai) - Strijkkwartet nr. 10 in As op. 118 (bewerking voor strijkorkest door Rudolf Barshai)

Weinberg: Concertino voor viool en strijkorkest op. 42

Amsterdam Sinfonietta o.l.v. Candida Thompson

Channel Classics CC SA34313 • 66' • + bonus-dvd • 33' •

Opname: april en mei 2013, Muziekgebouw, Amsterdam en Stadsgehoorzaal, Leiden

   

Om maar meteen met de deur in huis te vallen: ik ben geen voorstander van de ‘vertaling’ van strijkkwartet naar strijkorkest. De reden is simpel: al die vertalingen tasten linea recta het idiomatische karakter van de oorspronkelijke compositie aan. Misschien nog simpeler: wie voor een strijkkwartet componeert, heeft tijdens dat proces dat ensemble in het hoofd, en niets anders dan dat (zelfs wie gewend is om aan de piano te componeren, doet dat). De omzetting van strijkkwartet naar strijkorkest heeft slechts tot doel om het stuk geschikt te maken voor dat ensemble. De intimiteit van de kleine zaal moet plaatsmaken voor de grootschaligheid van de grote zaal. U zou kunnen tegenwerpen dat strijkkwartetten ook in grote zalen worden uitgevoerd, wat ik alleen maar volmondig kan beamen; maar wel met enige pijn in het hart, want dat is het zoveelste compromis dat de muziekwereld met zich meetorst. In een kleine zaal past minder publiek dan in een grote en als een wereldberoemd kwartet slechts een paar concerten geeft, is de verleiding erg groot om er zoveel mogelijk publiek bij te betrekken.

Het strijkkwartet is een muzikale wereld op zich, zoals ook het strijkorkest dat is. Niemand begreep en begrijpt dit beter dan de componist. Er zijn in het oor springende verschillen tussen het strijkkwartet en het strijkorkest, zoals die zijn gelegen motivische en thematische (op)bouw, hoofd- en nevenstemmen, innerlijke textuur, dynamische proportionaliteit, ritmische veerkracht, frasering, balans, transparantie (géén contrabas!) en expressieve spankracht. Schaalvergroting maakt dikker, minder wendbaar en minder contrastrijk. Het kan worden gewend of gekeerd, maar het zijn feiten die eenvoudig verifieerbaar zijn. Hoe goed een strijkorkest ook speelt – en dat doet het Amsterdam Sinfonietta als topensemble – er gaat een wezenlijke dimensie verloren: de dimensie van het strijkkwartet, punt uit.

Mahler ging met o.a. Beethovens op. 95 en Schuberts D 810 aan de slag omdat hij vond dat dit toch uitgerekend stukken waren van symfonische proporties die in de grote zaal thuishoorden. De componist die dacht voor de componist, zogezegd.

Aan de andere kant van het spectrum is er de schaalvergroting, waarop ook wel het nodige valt af te dingen. Mahler huldigde het standpunt dat sommige strijkkwartetten zich beter leenden voor een grotere bezetting met het oog op uitvoering in de concertzaal (waar de intimiteit van het strijkkwartet al snel verloren gaat). In het Weense weekblad Die Wage schreef hij er in januari 1899 het volgende over:

Ein Quartett für Streichorchester! Das klingt Ihnen befremdend. Ich weiß schon alle Einwände, die man erheben wird: Zerstörung der Intimität, der Individualität.
Aber man irrt sich. Was ich beabsichtige, ist nur eine ideale Darstellung des
Quartetts. Die Kammermusik ist von Haus aus für das Zimmer geschrieben. Sie
wird eigentlich nur von den Mitwirkenden recht genossen. Die vier Herrschaften,
die an ihren Pulten sitzen, sind auch das Publicum, an das sich diese Musik wendet.
Wird die Kammermusik in den Concertsaal übertragen, ist diese Intimität schon
verloren. Aber mehr noch ist verloren. Im großen Raum verlieren sich die vier
Stimmen, sie sprechen nicht mit der Kraft zu den Hörern, die der Componist ihnen
geben wollte. Ich gebe Ihnen diese Kraft, indem ich die Stimmen verstärke.
Ich löse die Expansion, die in den Stimmen schlummert, aus, und gebe den Tönen
Schwingen. Wir verstärken ja auch einen Orchestersatz von Haydn, eine Ouvertüre
von Mozart. Ändern wir deswegen den Charakter ihrer Werke? Gewiß nicht. Die
Tonfülle, die wir einem Werke geben, hängt vom Raum ab, in dem wir es executieren.
Ich werde die “Nibelungen” in einem kleinen Hause mit einem anderen,
verringerten Orchester aufführen müssen als in einem riesigen Theatersaale, wo
ich das Orchester noch verstärken muß. Ich handle nicht gegen die Intention des
Componisten, sondern in seinem Sinne. Beethoven dachte bei seinen letzen Quartetten
gar nicht an die beschränkten, kleinen Instrumente. . . . Er führte eine gewaltige
Idee in vier Stimmen aus. Die Idee muß zur Geltung, zur richtigen Geltung
kommen. Die Stimme einer Geige gilt aber in einem Zimmer ebensoviel wie
zwanzig Geigen in einem Saal. Und zwanzig Geigen können im großen Saal ein
Piano, ein Pianissimo noch viel zarter, feiner, ja, sagen wir intimer herausbringen
als eine Geige—die man entweder gar nicht oder zu stark hören wird. Intimität!
Das ist ein mißbrauchtes Wort. Der recht Genießende, Mitfühlende ist immer im
intimen Contacte mit der Musik. Für ihn hat der Saal keine Wände, er weiß nichts
vom Nachbar. Er ist allein mit der Musik auch im Saale, wo tausend Menschen
sitzen. Für diese Genießenden spielen wir. Ihm werden die zwanzig Geigen so
klingen, wie eine Geige, er wird nicht an die Zahl der Ausführenden denken,
sondern nur dem Gesang der vier Stimmen lauschen. . . . Unsere ganze Kammermusik
im Concertsaal leidet unter dem Mißverhältnisse des Raumes. Will man sie
zur Geltung bringen, so muß man eben dem Raum Rechnung tragen. Nun, das
tue ich eben jetzt. Und mit den beiden ersten Tacten des Quartetts werde ich das
Publicum auch schon überzeugt haben. Das weiß ich. Von unserer Aurführung am
nächsten Sonntag an aber beginnt eine ganz neue Aera der Concertliteratur.

Barshai nam een aantal strijkkwartetten van Sjostakovitsj op de korrel, waarbij overigens geen sprake was van twee zielen (Barshai en Sjostakovitsj) één gedachte. Het strijkkwartet dat werd omgedoopt tot ‘kamersymfonie’, wat dit ook mocht betekenen. Geef mij maar het origineel, denk ik dan. Ik was min of meer voorgoed genezen toen ik Bernstein met het voltallige strijkerkorps van de Wiener Philharmoniker hoorde in de voor dat ensemble bewerkte Beethoven-kwartetten op. 131 en 135. Die magische sostenuto-sfeer van op. 131 bleek al in de kiem gesmoord. Alles in het gelid, maar log en zwaar, met die ploegende contrabassen die nergens vandaan leken te komen, en geen enkele zinvolle bestemming bleken te hebben.
Zelfs een ruimhartige bezetting als dat van een strijksextet leent zich niet goed voor een schaalvergrotende bewerking, van Brahms tot Korngold. Dat Schönberg‘in 1899 het strijksextet Verklärte Nacht’ schreef en dat in 1917 voor strijkorkest bewerkte en vervolgens in 1943 nogmaals reviseerde, doet daaraan niets af.

In het algemeen is schaalvergroting een lastig thema gebleven. Hoe moet je een vioolconcert van Bach spelen? Met slechts een handvol strijkers, met de solist ertussen als primus inter pares? Of moet er een strijkorkest achter staan (ik denk het eerste)? Eine kleine Nachtmusik, de divertimento KV 136 t/m 138 voor strijkorkest of voor strijkkwartet? Idem de eerste symfonieën van Mozart, met niet meer dan die spreekwoordelijke handvol blazers?
Of omgekeerd, van groot naar klein, bij gebrek aan een alternatief? Ik denk bijvoorbeeld aan de bewerkingen die werden gemaakt voor uitvoering in het kader van de Weense ‘Verein für musikalische Privataufführungen’, waaronder Schönbergs bewerking van Mahlers Das Lied von der Erde (met als uitgangspunt dat het stuk in kleinere bezetting meer kans van slagen had om te worden uitgevoerd). Terwijl daarentegen het Adagio uit de Tiende eenvoudigweg niet bij uitsluitend een strijkorkest thuishoort. Alleen al die enorme cluster 'verbiedt' dat (het Amsterdam Sinfonietta dacht daar heel anders over, getuige hun opname ervan)..

Het klinkt nogal somber, maar het bewerkingsmes snijdt wel aan twee kanten, onder het motto hier laat je wat en daar breng je wat: het oorspronkelijk smalle repertoire voor het strijkorkest wordt met deze bewerkingen danig opgerekt en het publiek kan kennis maken met muziek die het in de oorspronkelijke (be)zetting misschien nooit eerder heeft gehoord. En menigeen er wellicht toe brengt om ook het origineel eens te gaan beluisteren. Het Concertino van Weinberg horen we hier overigens wel in de originele versie (in 1948 geschreven voor viool en strijkorkest).

De bijgevoegde bonus-dvd heeft grote documentaire waarde. Niet alleen krijgen we een kijkje in het 'dagelijks werk' van het ensemble, maar tevens in hun opvattingen en drijfveren. Ze geloven in deze bewerkingen, spelen ze met hart en ziel, en proberen het onmogelijke te realiseren: dat het klinkt als een strijkkwartet. De integriteit straalt ervan af. Speltechnisch is er ongelooflijk veel raffinement, het klankweefsel ongekend subtiel, de pianissimi zijn werkelijk pianissimi en de sfeertekening is ronduit exemplarisch. Dit is musiceren op topniveau. Ik heb er het grootste respect voor.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links