CD-recensie

 

© Aart van der Wal, juli 2022

Schönberg: Kammersymphonie nr. 1 op. 9

Schönberg/Holliger: Sechs kleine Klavierstücke op. 19 (bew. voor kamerorkest)

Webern: Symfonie op. 21 - Fünf Sätze op. 5 (bew. voor strijkorkest)

Orchestre de Chambre de Lausanne o.l.v. Heinz Holliger
Fuga Libera FUG 794 • 54' •
Opname: febr. 2021, Opéra de Lausanne

   

Dit album mag, zij het ietwat laat, worden gezien als een vervolg op een eerdere uitgave met hetzelfde ensemble, het Orchestre de Chambre de Lausanne onder leiding van dezelfde dirigent, de non-conformist Heinz Holliger, toen met Schönbergs Verklärte Nacht en de Kammersymphonie nr. 2, op. 38, en Weberns Langsamer Satz, verschenen in 2013 op het Franse label Zig Zag Territoires.

Ditmaal is het het Belgische Fuga Libera dat het stokje heeft overgenomen, mogelijk in de wetenschap dat het voorgaande album door de internationale pers lovend werd ontvangen. Dat biedt weliswaar geen garantie voor het vervolg, maar zet de seinen wel alvast op groen, zij het toen met als grootste horde het overal rondwarende COVID-19 virus.
Toch kwam het er alsnog van, want eind februari 2021, toen ook in Zwitserland alle podiumkunsten aan allerlei beperkingen onderhevig of zelfs onmogelijk waren, vonden achter de voor het publiek gesloten deuren van het gebouw van de Opéra de Lausanne de opnamen plaats.

Het resultaat? Opnieuw sublieme vertolkingen van muziek die zelfs honderd jaar na haar ontstaan nog steeds het etiket 'ongemakkelijk, moeilijk' opgedrukt krijgt, met de klemtoon op beknoptheid en concentratie. Holliger, zelf een componist van statuur, avant-gardist avant la lettre, weet, evenals zijn grote voorganger Pierre Boulez, natuurlijk als geen ander hoe deze werken het beste aangepakt kunnen worden, daarin voorts nog gesterkt door zijn jarenlange ervaring als uitvoerend musicus: eerst als hoboïst en later als dirigent (zie ook Heinz Holliger - Leben und Werk). Zijn verkenning van zowel Schönbergs klanktextuur als het complexe contrapunt en ritmische precisie in de Kammersymphonie nr. 1 op. 9 heeft dankzij het uitermate lenig daarop reagerende kamerorkest uit Lausanne alleen al een juweel van een uitvoering opgeleverd. Maar ook Weberns uiterst gecondenseerde schrijfstijl die de Symphonie op. 21 zozeer kenmerkt blijkt voor Holliger een open boek. In letterlijke zin zelfs, want bij Webern gaan condensatie en transparantie hand in hand.

Van Schönbergs Sechs kleine Klavierstücke op. 19 ontstonden er vijf in de winter van 1911, vijf jaar na de voltooiing van de Kammersymphonie nr. 1 op. 9 (waarvan Schönberg later nog een versie voor groot orkest maakte). Holliger heeft ze bewerkt voor kamerorkest. U weet dat ik het niet zo op dergelijke bewerkingen heb, maar ik maak in dit geval graag een uitzondering omdat er wel degelijk sprake is van meerwaarde: het aforistische, fragmentarische karakter van deze stukken maakt de stap vanuit de constructivistische gedachte zelfs logisch omdat de uit elkaar vallende fragmenten in de handen van Holliger en uit de aard der zaak het veelkleurige kamerorkest (blazers en strijkers) daardoor een geheel nieuwe dimensie krijgen. En als de muziek wel van cohesie getuigt (ostinato, recitatief, aria), is het orkestrale klankbeeld niet minder intrigerend. Zelfs de toch al sterke suggestie van doodsklokken in het slotdeel (het ontstond spontaan, kort na Mahlers overlijden op 18 mei 1911,) werd door Holliger in zijn orkestversie naar een indrukwekkender plan getild. Wat die bewerking tevens duidelijk maakt is dat compositorische complexiteit die in een bepaald model is verankerd (in dit geval de piano) door een knap uitgevoerde gedaanteverwisseling (blazers en strijkers) aanschouwelijker, zo u wilt meer toegankelijk kan worden gemaakt. Op zich is dit niet nieuw, maar het zegt zowel het nodige over het origineel als over de bewerking (die in dit geval feitelijk aanzienlijk verder gaat dan een transcriptie, een overzetting).

Van een andere orde is Weberns eigen bewerking, voor strijkorkest, feitelijk wel een transcriptie (met daaraan toegevoegd de contrabas) van het Strijkkwartet op. 5 (1909). Webern was toen pas 26 en ondanks de korte tijdsduur van de vijf deeltjes herinnert het sterk aan Schönbergs Kammersymphonie op. 9, door Webern zelf bewerkt voor fluit, klarinet, viool, cello en piano, analoog aan de bezetting van Schönbergs Pierrot Lunaire, wat in het cd-boekje helaas onbesproken blijft (Webern maakte overigens later nog een bewerking, ditmaal voor piano, twee violen, altviool en cello). Waarin hij zich al de arrangeur toont die detailrijk, verfijnd en met grote finesse te werk gaat, maar waaruit even zonneklaar de eerste sporen te vinden zijn van zijn latere affiniteit met het begrip 'uitdunning', een klanktextuur waarvan minder juist méér betekent. Het leverde in 1928 onder meer een heuse Symfonie (op. 21) op met een speelduur van nauwelijks tien minuten…

Samen met het kamerorkest heeft de inmiddels 83-jarige Holliger opnieuw een ronduit fenomenaal beeld geschetst van de muziek van de Tweede Weense School. Opnametechnicus Renaud Millet-Lacombe komt de eer toe dat hij de verrichtingen van het ensemble een zowel strikt heldere (blazers!) als sonore omlijsting heeft meegegeven. Alleen jammer dat in het boekje de orkestbezetting nergens wordt vermeld, maar het internet biedt uitkomst. Voor de Sechs kleine Klavierstücke in de bezetting voor kamerorkest kunt u bij de muziekuitgeverij van Schott terecht (klik hier) en voor de Kammersymphonie op. 9 bij het Arnold Schönberg Center (klik hier); de 'Sitzordnung' vindt u hier. Voor Fuga Libere geldt dat ze voortaan beter hun huiswerk moeten doen, want dit is bepaald (helaas) geen standaardrepertoire.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links