CD-recensie

 

© Aart van der Wal, januari 2014

 

Vaughan Williams: On Wenlock Edge - Ten Blake Songs

Dove: The End

Warlock: The Curlew

Mark Padmore (tenor), Nicholas Daniel (hobo) en cor anglais), Huw Watkins (piano), leden van Britten Sinfonia: Jacqueline Shave en Miranda Dale (viool), Clara Finnimore (altviool), Caroline Dearnley (cello), Emer McDonough (fluit)

Harmonia Mundi HMU 807566 • 73' • (sacd)

   

In het Engeland van de eerste helft van de vorige eeuw zocht een aantal componisten naar een eigen nationale identiteit: men had min of meer genoeg van de Duits-Oostenrijkse dominantie die in de negentiende eeuw vanaf het vasteland was overgewaaid en zich in het muziekleven had geworteld. Dat moest anders, vonden ze. Zo merkte Ralph Vaughan Williams in 1934 op: "The business of finding a nation's soul is a long and slow one at best and a great many prophets must be slain in the course of it. Perhaps when we have slain enough prophets future generations will begin to build their tombs."

De eigen muziek, het unieke karakter ervan, daar ging het uiteindelijk om en wat leende zich daar beter voor dan de Engelse 'folksong'? Daarmee kon bij wijze van spreken een muur worden opgetrokken tussen de muziek van het vasteland en die van Engeland. Engelse dichtkunst, Engelse volksmuziek, ze bleken bij uitstek geschikt om 'the nation's soul', de ziel der natie, een eigen karakter te geven.

Nee, er voltrok zich in Engeland geen muzikale revolutie. Niemand ging op de barricaden, er werd niet luid geschreeuwd om nieuwe impulsen. Nieuw was het evenmin, want overal in en buiten Europa speelde de eigen identiteit in de ontwikkeling der kunsten een belangrijke, zo niet doorslaggevende rol. Onverschillig of het de literatuur, de beeldende kunsten, het toneel of de muziek betrof. Vandaag de dag heeft nationalisme niet altijd een positieve klank, maar het is in de natuur der dingen dat ieder volk zijn eigen wezen wil uitdragen en behoeden. De folklore maakt daarvan uiteraard onderdeel uit, in al zijn mogelijke varianten, van het eenvoudigste kinderliedje of boerenwijsje tot grote symfonische en koorwerken. Componisten absorbeerden als het ware dat materiaal en gebruikten het in hun werk. Zo legde Vaughan Williams een grote collectie Engelse volksliedjes aan. Hij trok er, net Béla Bartók jaren voor hem, erop uit, hij noteerde wat hij hoorde en gebruikte dat materiaal deels in zijn eigen werk. Of hij het heeft voorzien weet ik niet, maar al spoedig wist hij daarmee muziekminnend Engeland voor zich te winnen. Niet alleen het publiek, maar ook medecomponisten, vocalisten, instrumentalisten en niet in de laatste plaats critici. De aloude, overgeleverde 'folksong' werd een schier onuitputtelijke inspiratiebron die vrijwel alle facetten van het leven raakte en die ook vandaag de dag nog componisten als Jonathan Dove weet te inspireren. Dat geldt niet minder voor de tenor Mark Padmore en de leden van Britten Sinfonia: zo geïnspireerd, doorleefd en vol overgave hoor je deze stukken helaas maar zelden. 'Hautnah' zouden onze oosterburen zeggen; maar 'skin deep' mag natuurlijk ook, waaraan de indringende poëzie van Engelse dichters als Alfred Edward Housman (On Wenlock Edge), William Blake (Ten Blake Songs), Mark Strand (The End) en William Butler Yeats (The Curlew) zeker hebben bijgedragen.

Ik durf hier niet zomaar te beweren dat alleen de Engelsen deze typisch Engelse muziek zo fenomenaal kunnen vertolken, maar dat gevoel bekroop me wel degelijk, zo idiomatisch komt deze muziek uit de luidsprekers. De opname is van demonstratiekwaliteit. Een schitterende uitgave, van begin tot eind!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links