CD-recensie

 

© Aart van der Wal, oktober 2015

 

Vanhal: Symfonie in G, Bryan G 8

Pleyel: Symfonie in F, op. 136 - Vioolconcert in D

Sebastian Bohren (viool), Orchestra di Padova e del Veneto o.l.v. Luca Bizzozero

Sony Classical 88843040932 • 68' •

Opname: juli 2014, Auditorium Cesare Pollini

   

 
 
Ignaz Pleyel

Ze verkeren al sinds jaar en dag aan de periferie van de Grote Muziek: de Bohemer Johann Baptist Vanhal (1739-1813) en de Nederoostenrijker Ignaz Pleyel (1757-1831). Ze hebben iets met elkaar gemeen, deze twee: Vanhal gaf de jonge getalenteerde Pleyel in Wenen muziekonderricht. Vanaf 1772 ging de 15-jarige Pleyel naar een nog veel beroemder leermeester: Joseph Haydn. Daar, in Eisenstadt, zou hij vijf jaar lang in de diepere geheimen van de muziek in het algemeen en van het componeren in het bijzonder worden ingewijd. Pleyel had het niet breed, maar dankzij de financiële steun van graaf Ladislaus von Erdödy (die tevens Vanhal financieel ondersteunde) kon leermeester Haydn keurig op tijd worden betaald. Ter verduidelijking: Haydns zes strijkkwartetten op. 76, gecomponeerd tussen 1796 en 1797, de zogenaamde Erdödy-kwartetten, zijn aan graaf Joseph Georg von Erdödy (1754-1824) opgedragen, een andere dan graaf Ladislaus, al behoorden ze beiden tot het voornamelijk uit magistraten bestaande Erdödy-geslacht. Dat Pleyel over een meer dan gemiddeld muzikaal talent beschikte horen we uit de mond van de grote meester zelf, die de jonge Ignaz als een van zijn beste leerlingen beschouwde. Pleyel schopte het zelfs tot 'Kapellmeister' aan het hof van de Erdödy's, alvorens hij op reis ging naar Italië en in 1785 (hij was toen 28) in Napels voor het eerst als operacomponist zijn opwachting maakte. Pleyel mag dan in zijn tijd veel succes hebben gehad, zijn naam blijft voor ons toch vooral verbonden met die van de gelijknamige, in 1807 opgerichte pianofabriek en de daarmee verbonden Salle Pleyel in Parijs, waar vanaf 1830 de zojuist gebouwde instrumenten door de grote virtuozen aan het publiek werden voorgesteld. Ook vandaag is de Salle Pleyel een begrip en een belangrijk ontmoetingspunt voor de grote musici en hun publiek. In 1824 droeg Ignaz de pianofabriek en alles wat daarmee samenhing over aan zijn zoon Camille. In tegenstelling tot Vanhal overleed Ignaz Pleyel welgesteld, in Parijs op 14 november 1831.

 
 
Johann Baptist Vanhal

Johann Baptist Vanhal (de naamspelling is overigens niet consequent: Wanhal, Wanhall en van Hall komen ook voor, terwijl zijn eigenlijk voornaam Jan Krtitel luidt ) was pas 13 of 18 (dat laatste lijkt waarschijnlijker) toen hij organist werd van de kerk in het niet ver van zijn geboortedorp Nechanice gelegen Opocno. Dat moet de plaatselijke kerkvaderen zeer goed bevallen zijn, want kort daarop kreeg Vanhal de algehele leiding over de kerkmuziek in Hnevceves. Als lijfeigene was hij onderhorig aan de landgraaf, maar diens echtgenote had een scherp oog en oor voor de begaafdheid van de jonger kerkmusicus. Rond 1761 mocht hij, met de nodige duiten in zijn knapzak, afreizen naar Wenen, waar hij zich niet alleen al snel volkomen thuis voelde maar net zo voorspoedig ook die kringen wist aan te boren die hem verder konden helpen bij zijn loopbaan als componist en musicus. Hij verkeerde in de betere kringen, stond hoog genoteerd als muziekleraar (Ignaz Pleyel was een van zijn leerlingen) en violist in het door de adel gefinancierde Weense muziekleven. Uit de aldus vergaarde financiële middelen kon hij zich tevens van zijn lijfeigenschap kon ontdoen. Vaststaat ook dat Vanhal in 1763 als eerste violist betrokken was bij de uitvoering van Glucks opera Orfeo ed Euridice. Het is vandaag misschien niet zo goed voorstelbaar, maar Vanhal mocht zich in die tijd rekenen tot de toonaangevende componisten in Wenen. Na de publicatie van zijn opus 1 in Parijs vielen zijn compositorische talenten ook anderen op. Zo betaalde de welgestelde baron Isaak Wolfgang von Riesch Vanhals uitvoerige Italië-reis in de verwachting dat Vanhal na diens terugkeer de vacante functie van 'Kapellmeister' in Dresden zou aanvaarden. In Italië ontmoette Vanhal vele componisten en musici, waaronder Gluck en Florian Leopold Gassmann die over invloedrijke connecties aan het Weense keizerlijk hof beschikten. Vanhal liet Dresden links liggen en keerde in 1771 met Gassmann naar Wenen terug. Een nieuwe beschermheer stond daar voor hem klaar: de al eerder genoemde graaf Ladislaus Erdödy. In diezelfde tijd moet Vanhals Eerste symfonie in G, Bryan G 8 zijn ontstaan (het werk komt voor het eerst voor in de catalogus van 1776/77 van het uitgevershuis Breitkopf & Härtel). Van het werk zijn overigens meerdere versies bekend, al naar gelang de plaatselijke muzikale 'traditie'. Zo is er een Tsjechische versie met een afwijkende blazerbezetting en is de in Kopenhagen bewaarde versie drie- in plaats van vierdelig (dat is ook de versie die op deze cd staat), dus zonder het gebruikelijke menuet. In de jaren voorafgaande aan de Franse Revolutie was het met het beschermheerschap min of meer gedaan. Wenen en daarmee zeker de adel leed onder de inflatie en was er steeds minder geld beschikbaar om componisten en musici financieel te ondersteunen. Vanhals belangrijkste bron van inkomsten kwam in die periode uit het geven van lessen, aangevuld met nieuwe composities. Ook als musicus gaf hij soms acte de presénce. De zanger Michael Kenny herinnerde zich dat Vanhal in 1784 als cellist participeerde in een concert waarin onder meer Haydn, Dittersdorf en Mozart meespeelden. Dat de composities van de veelschrijver Vanhal uiteindelijk niet veel opgeleverd zullen hebben blijkt uit zijn nalatenschap. Toen Vanhal op 20 augustus 1813 in zijn vlakbij de Stephansdom gelegen eenvoudige woning overleed, liet hij niets achter dat de moeite waard bleek.

De drie werken die op deze cd zijn vertegenwoordigd (met de Pleyels Symfonie in F als heuse wereldpremière op cd) zijn gemeten naar oorspronkelijkheid geen regelrechte hoogvliegers, maar het zijn wel degelijk geïnspireerde stukken die bovendien met groot vakmanschap zijn gemaakt. Het is op zijn minst bijzonder aangename luistermuziek van het soort 'dat heb ik zo meer gehoord'. Wat deze muziek echter toch boven de middelmaat uittilt danken ze aan de uitvoeringen die heel wat meer zijn dan alleen maar 'goed verzorgd'. Sebastian Bohren, Lucia Bizzozero en Orchestra di Padova e del Veneto (drie namen om goed te onthouden!) leveren zich met huid en haar in een aureool van muzikanteske speelsheid aan deze stukken over en halen werkelijk alles uit de kast om ze als ware meesterwerken te presenteren, technisch tot in de puntjes afgewerkt, waarbij het opnameteam een niet onaanzienlijke duit in het zakje heeft gedaan. De documentatie is gelukkig geen sluitpost van de begroting geworden. Al met al van harte aanbevolen.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links