CD-recensie

 

© Aart van der Wal, maart 2020

Tüür: Symfonie nr. 9 (Mythos) - Incantation of Tempest - Sow the Wind...

Estonian Festival Orchestra o.l.v. Paavo Järvi
Alpha 595 • 60 •
Opname: januari 2018, Estonia Concert Hall, Tallinn (symfonie)
juli 2016 (Incantation) en juli 2019, Concert Hall, Parnü

   

Het heeft natuurlijk wel iets: orkestwerken van een titel voorzien. We vinden er talloze voorbeelden van in de muziekgeschiedenis. Maar of het altijd wel zo zinvol is? Immers, vaak lijkt het rechtstreeks verband tussen titel en inhoud slechts te vinden in het hoofd van de componist. Dan draagt zo'n titel geenszins bij tot een beter begrip van de inhoud van het desbetreffende stuk.

Eigentijdse componisten grijpen nogal eens naar dit middel omdat ze zich maar al te goed realiseren dat hun orkestwerken – en dat geldt dus uiteraard ook voor hun symfonieën – vaak als minder of zelfs nauwelijks toegankelijk worden ervaren en dat er alleen al daarom alle reden is om er een aansprekende titel aan te verbinden. Een van de componisten die graag van dit ‘hulpmiddel' gebruik maakt is de Est Erkki-Sven Tüür (1959), hoewel ik er gelijk aan toevoeg dat het met de toegankelijkheid van zijn muziek althans naar mijn smaak alleszins meevalt. Dat blijkt trouwens ook wel uit de regelmaat waarmee zijn composities op de lessenaars van een groot aantal gerenommeerde orkesten en ensembles worden gezet. Hij kan er in ieder geval goed van leven, teruggetrokken op een klein eiland in de Baltische Zee.

Wat zijn carrière als componist (hij begon jaren geleden in de popsector) zeker heeft geholpen (of waarschijnlijk zelfs een stevige zet voorwaarts heeft gegeven) is zijn lange verbintenis met het Duitse label ECM geweest, dat altijd al oog heeft gehad voor bijzonder muzikaal talent, dwars door de vele genres heen. En het feit dat ECM een zeer aanzienlijk deel van de opbrengsten heeft geherinvesteerd in het opnemen en verspreiden van eigentijds repertoire. Maar nu is het dan de beurt van het Franse Alpha Classics om met muziek Tüür danig uit te pakken.

Ik gun iedere componist een passende titel voor zijn werk, maar wat de symfonieën van Tüür betreft zie ik toch niet zozeer een sterke relatie tussen het een en ander, louter en alleen omdat hij zichzelf niet in jegens zijn publiek in duidelijk afgebakende, buitenmuzikale voorstellingen begeeft. Zelfs over de term 'symfonie' in strikte zin kan, gelet op Tüürs nogal afwijkende methodiek, nog wel worden gesteggeld. Over zijn Zesde symfonie, met de titel ‘Strata', merkte hij onder meer op: ‘ My purpose is to show the symphony as a vital genre capable of absorbing and integrating the sound material, which, paradoxically, originates from the aforementioned fragmented world. I would like to demonstrate that integral conception is possible even in the modern sound world.'

Het is niet zozeer een probleem van zijn werkwijze: de verschillende vormen die geleidelijk aan worden ontwikkeld binnen een goed overdachte en aldus organisch vormgegeven structuur. Nee, het werkelijke probleem (als het tenminste zo mag worden genoemd) schuilt in het verbinden van ieder nieuw idee aan het voorafgaande; en dat zijn er heel wat. Dat hij er dan toch in slaagt om al die ongelijksoortige elementen een geprononceerde indruk van coherentie mee te geven is op zijn zachtst gezegd knap. Maar misschien is er voor menige toehoorder daaraan verbonden ook een keerzijde: dat het aldus opgeroepen beeld een voortdurende rusteloosheid in de hand werkt. Geen rusteloosheid in termen van chromatiek, maar in de betekenis van 'ideeënverwerking'. Dus niet zozeer de chromatiek in relatie tot de fragmentarische (sommigen zeggen misschien: concieze) uitwerking van het thematische materiaal waarin Richard Strauss excelleerde: de fragmentarische uitwerking van het thematische materiaal. En ook niet Wagners rusteloze chromatiek (in bijvoorbeeld Tristan und Isolde) die het juist mede van de spanningsrijke 'lange adem' moet hebben en niet van de ‘brokstuktechniek'.

Moet ook de symfonie van Tüür niet a priori voldoen aan de criteria van de sonatevorm? Dat hoeft niet. Hij is bovendien de enige niet die de klassieke sonatevorm een eigen ‘gezicht' geeft. Zelfs Beethoven rekte die in zijn latere werken al danig op, met vervolgens met name Bruckner en Mahler die in de streng klassieke zin de sonatevorm danig lieten uitwaaieren. Maar ook een andere 'noordeling', Sibelius, slaagde erin om de sonatevorm geheel naar eigen hand te zetten. Wat me trouwens tevens op de gedachte brengt waarom zo vaak wordt verwezen naar de muzikale verwantschap tussen Tüür en Sibelius, terwijl nu juist dat rusteloze element in Tüürs muziek ver afstaat van het zich veelal juist geleidelijk aan ontwikkelende discours in het symfonisch oeuvre van de grote Fin.

Dat Tüür gebruik maakt van de klassieke modellering: sonate-allegro, scherzo, liedvorm enzovoorts, zegt op de keper beschouwd niet zoveel als binnen dat model juist danig wordt gevarieerd (zelfs in de recapitulatie, die daardoor in strikte zin allesbehalve een recapitulatie is). Het gehele symfonische model staat bij Tüür in het teken van een complexe gelaagdheid (de titel van de Zesde symfonie verwijst er ook naar: ‘strata' betekent ‘lagen', al is het dus geen titel die buitenmuzikale gedachten oproept).

Het is een lastige opgave, het aanwijzen in veel eigentijdse muziek van duidelijke spanningsbogen. Tüür heeft de ‘oplossing' gezocht en gevonden in een geraffineerd uitgewerkte mengeling van statische en actieve eigenschappen die zowel naast als achter elkaar hun eigen werkingssfeer mogen uitbreiden; zoals het werpen van een steentje in een vijver niet alleen tot rimpelingen leidt, maar dat zij elkaar ook kunnen versterken.

De aan Paavo Järvi (eveneens een Est) opgedragen Negende symfonie kreeg de titel ‘Mythos' mee, met als onderliggende gedachte dat mythes het dagelijks bestaan in allerlei landen hebben beïnvloed en hoezeer het nationaal bewustzijn en het streven naar onafhankelijkheid daarin hun wortels hebben. In die zin is eveneens sprake van een zekere mate aan gelaagdheid: wat zich slecht rudimentair aan de oppervlakte openbaart, blijkt ook heel wat dieper te zijn genesteld in de ervaringen en gevoelens van de mensen zelf. Ervaringen en gevoelens die heel ver teruggaan, zelfs tot de tijd van de Fins-Oegoerische stammen. En ja, in dit opzicht zijn er zeker raakvlakken met Sibelius, maar ook met andere Scandinavische componisten. Het is in ieder geval het gedachtegoed dat aansluit bij het honderdjarig bestaan van de Republiek Estland. Geen al te groot wonder dus dat speciaal voor die gelegenheid de regering van Estland aan Tüür de opdracht verstrekte tot het schrijven van een orkestwerk. Dat werd deze Negende symfonie, die in januari 2018 ten doop werd gehouden in de hoofdstad Tallinn, door - hoe kon het ook anders - het Estonian Festival Orchestra onder leiding van Paavo Järvi.

Erkki-Sven Tüür (l.) en Paavo Järvi

Los van aanleiding en titel is sprake van een ononderbroken stroom fascinerende muzikale gedachten die Tüür ook in structurele zin feilloos heeft uitgewerkt. Met de toevoeging dat de nationale herdenking in het geval van de Negende symfonie geen programmamuziek heeft opgeleverd. Dat beweer Tüür ook niet. Het begint neutraal, uit het niets (‘donker water' dat zich volgens de componist evolueert naar de Schepping, maar men kan zich er van alles bij voorstellen), waarna zich het proces van de talloze onvoorspelbare wendingen en gebeurtenissen voltrekt. Tüür: ‘Their intensifying character is also transformed, the initial “gusts of wind” growing into veritable “whirlwinds” […]'.

Het ‘windthema' kent een belangrijke voorganger in ‘Incantation of Tempest', geschreven in opdracht van de Bamberger Symphoniker. Het beleefde zijn eerste uitvoering op 12 november 2015 in Bayreuth, geleid door Jakub Hrusa. Het reeds genoemde Estonian Festival Orchestra nam het vervolgens mee als ouverture in het speciaal voor de Japantour samengestelde programma. Het neemt niet meer dan zo'n vier minuten in beslag en geldt sinds 2017 als eerbetoon aan de in dit jaar overleden Estlandse componist Veljo Tormis.

‘Sow the Wind...' is een substantieel werk van ruim twintig minuten dat op 20 september 2015 in de Parijse Philharmonie in première ging, door het Orchestre de Paris onder leiding van Paavo Järvi. De titel is ontleend aan de in het Hebreeuwse bijbelboek opgenomen profetieën van Hosea, met daarin bij 8-7: ‘Wie wind zaait zal storm oogsten'. Het werk houdt – in de toelichting door de componist – rechtstreeks verband met de gevolgen van klimaatverandering en massa-immigratie, maar ook van extremisme en andere vormen van ontwrichtende en blijkbaar onomkeerbare processen. Kortom, het heeft er alle schijn van dat Tüür de gevolgen van roekeloos menselijk gedrag muzikaal in kaart gebracht. Al is het natuurlijk wat men er zelf in hoort. Die pittige boodschap heeft overigens geen muziek nodig om voldoende helder en doordringend te zijn: wij die de wind zaaien en de volgende generatie die de daaruit voortvloeiende storm mag gaan oogsten.

Paavo Järvi heeft – u heeft het in deze recensie al kunnen lezen – veel ervaring opgedaan met het werk van Tüür. Ze zijn ook goede vrienden. Deze grandioze uitvoeringen leggen er onomstotelijk getuigenis van af.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links