CD-recensie

 

© Aart van der Wal, mei 2019

Tsjaikovski/Pletnev: De notenkraker (suite) op. 71a

Stravinsky: Drie delen uit Petroesjka

Prokofjev: Zes delen uit Cinderella op. 102

Stravinsky/Aqosti: De vuurvogel (suite)

Alexander Ullman (piano)
Rubicon RCD1029 • 68' •
Opname: Wyastone Concert Hall, Wyastone Leys, Monmoutshire (VK)

   

Wat een pech voor Alexander Ullman (...en voor ons...), die de hoofdprijs van het in Utrecht in 2017 gehouden Internationale Liszt Concours in de wacht sleepte (al eerder in 2011, was hij de winnaar van een ander Liszt-concours, ditmaal in Boedapest) en in dit programma qua spel nauwelijks een gelijke heeft, maar blijkbaar genoegen moest nemen met of een matige opname of een matige vleugel of allebei (het valt met mijn overigens uitstekende weergaveapparatuur niet goed op te maken). Dan is het uitgerekend ook nog zijn eerste solo-cd. En dat terwijl Ullmans spel zich beweegt op het extreem hoge niveau van een Pletnev, Melnikov en Pollini (de laatste weliswaar in zijn beste tijd en die is niet nu). Maar helaas, Ullman zat daar in Monmoutshire helaas vastgebakken aan een ronduit slechte pres(en)tatie van het Rubicon-label. Terwijl labels als Hyperion nu juist zo vaak hebben bewezen dat daar, in de concertzaal van Wyastone, zeer goede opnamen kunnen worden gemaakt (en daar ongetwijfeld ook een uitstekende vleugel beschikbaar is). Rubicon trakteert ons echter op niet te pruimen getingeltangel. De natuurlijke sonoriteit van de Steinway is mijlenver weg, we kunnen hoogstens nog vermoeden welke nuances in Ullmans formidabele spel (want dat staat zo vast als een huis) daardoor verloren zijn gegaan.

Van pianobewerkingen van orkestmateriaal kan van alles worden gezegd, maar niet dat ze geen orkestrale schittering zouden hoeven te suggereren. Ten eerste heeft de bewerker zelf er alles aan gedaan om dat te realiseren (Mikhail Pletnev is er een meester in) en ten tweede is het uiteraard de pianist zelf die er alles voor uit de kast moet halen. Maar dan moet die ‘kast' (het instrument) wel in hoogste staat van paraatheid zijn gebracht en de technici aan de knoppen volledig voor hun net zo eervolle taak berekend. Op deze opname domineert de kleurloze lichtheid en daarmee is wat mij betreft het pleit wel beslecht. Ten nadele van een groot pianist welteverstaan. Begrijpen deed ik het overigens niet toen ik de naam van de producer in het boekje zag staan: Andrew Keener, een van de beste in het 'vak'. De 'engineer' is Robin Hawkins, de pianotechnicus wordt niet vermeld. Ik blijf met de vraag zitten: wat is er precies misgegaan? Of is er misschien voor extreme helderheid gekozen, ten koste van wat dan ook? De twijfelaars kunnen zich desgewenst optrekken aan het zéér positieve oordeel van Biëlla Luttmer in de Volkskrant.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links