CD-recensie

 

© Aart van der Wal, september 2016

 

Tsjaikovski: Symfonie nr. 1 in g, op. 13 (Winterdromen) - nr. 2 in c, op. 17 (Kleine Russische) - nr. 5 in e, op. 64

Royal Liverpool Philharmonic Orchestra o.l.v. Vasily Petrenko

Onyx Classics 4150 • 118' • (2 cd's)

 

   

Van Tsjaikovski's zeven symfonieën (de 'Manfred' hoort er uitdrukkelijk ook bij) mogen alleen de Vierde, Vijfde en Zesde zich in een grote populariteit verheugen. Of anders gezegd: ze worden het meest uitgevoerd en opgenomen. Dat kan wat de eerste drie betreft gemakkelijk worden verklaard: ze missen de 'pakkende' thema's van de drie 'noodlotssymfonieën, zijn minder hecht symfonisch geconcipieerd (dat geldt overigens minder voor de Derde en meer voor de 'Manfred') en in de uitwerking bescheidener (in dit opzicht lijken ze enigszins op de symfonieën van Borodin). De vergelijking met de eerste drie symfonieën van Dvorák dringt zich op, want ook hierin treffen we minder pakkende thema's en is de symfonische structuur minder hecht. Het aloude principe dat in de symfonie het hoofdthema bij voorkeur kort moet worden gehouden (al zijn er uitzonderingen, zoals bij Bruckner die met het beginthema van zijn Zevende zelfs het langste symfonische thema ooit uit de hoed toverde; maar wat voor thema!) wordt niet gevolgd. Een zekere saaiheid valt zelfs niet te ontkennen, een ontwikkeling waarin de Bohemer - evenals Tsjaikovski - gelukkig niet is blijven steken, want vanaf de Vierde ging het allengs beter, uiteindelijk culminerend in een formidabel laatste drietal, waarin werkelijk alles meesterlijk is getroffen, alles 'raak' is. Wat tevens van dat laatste drietal van Tsjaikovski worden gezegd, al wil ik ook graag voor de magnifieke 'Manfred' een lans breken (het zeer bescheiden uitvoeringskwantum staat helaas volkomen haaks op de kwaliteit van het stuk).

Van Tsjaikovski's Vierde, Vijfde en Zesde loopt het discografisch archief zowat over, maar toch vinden labels steeds weer de commerciële ruimte om er maar weer eens een opname tegenaan te gooien. Financieel loont het in ieder geval, zoveel is wel duidelijk. Dat Onyx is begonnen aan de integrale vastlegging van de zes symfonieën (hopelijk komt ook de 'Manfred' er nog bij) is op zich evenmin een mijlpaal, want ook dat is al vele malen gedaan, maar een pre is in dit geval wel de briljante aanpak van Vasily Petrenko en de in alle opzichten superieure opname: zo helder, zo goed doortekend, zo kleurrijk en imposant heb ik deze drie symfonieën nog niet eerder uit de luidsprekers gehoord. Om daar nog even bij stil te staan: werkelijk ieder detail komt fenomenaal tot zijn recht zonder dat het totaalbeeld daaronder lijdt. Dat is zowel artistiek als opnametechnisch altijd weer een kunst op zich: zoveel mogelijk detail met behoud van de orkestrale (akoestische!) coherentie. Er zijn door de jaren heen stápels 'multitrack' opnamen verschenen waarin bij wijze van spreken ieder instrument onder de loep kan worden genomen, maar waarbij de klankmatige samenhang volkomen zoek is geraakt. Met daarbij de kanttekening dat de dirigent het vaak wel goed heeft gedaan, maar dat de producer annex 'balance engineer' er een potje van heeft gemaakt. Het heen en weer geschuif op de mengtafel leidt vaak niet tot een bevredigend resultaat, maar het schijnt tegenwoordig bon ton te moeten zijn: niet de dirigent en orkest die samen de balans maken maar de technicus achter de regeltafel; of bij multitrack achteraf, tijdens de nabewerking Zet dan ook de naam van die technicus naast of onder die van de dirigent.

Vasily Petrenko staat er in Liverpool goed op. Ze zijn erg blij met hem, wat niet zo verwonderlijk is, want hij dirigeert uitstekend, kent het klappen van de zweep en is bovendien sociaal vaardig. Een echte primus inter pares die door de orkestleden op handen wordt gedragen. Hij timmert misschien (iets) minder aan de weg dan zijn collega Yannick Nézet-Séguin, maar kwalitatief doet hij echt niet voor hem onder, al kan ik zijn opera-ervaring minder goed beoordelen. Ook de opnamen die hij maakt vallen doorgaans in goede aarde, niet alleen bij de Engelse collega's (die doorgaans toch wel wat chauvinistisch zijn), maar ook bij 'ons'. Zo werden zijn Sjostakovitsj-opnamen alom geroemd. Met zijn Tsjaikovski zal het ongetwijfeld dezelfde weg opgaan, want hij blijkt ook in dit repertoire een formidabele interpreet die zich kan meten met grote collega's als Jevgeni Mravinski en Valery Gergiev, de eerste postuum, de tweede nog volop actief met nog steeds hetzelfde bijna bovenmenselijke werkschema.

Petrenko's Tsjaikovski is er een van losbarstende spontaniteit en daaruit opwellende energie. De inzet is enorm, maar de controle op het geheel niet minder. Het is het huzarenstukje van de berekende spontaniteit, in de goede zin van het woord: het kruit wordt niet te snel verschoten, de spanningsopbouw is exemplarisch, de balans binnen en buiten de sectie hout- en koperblazers en strijkers ideaal en de ritmiek zo scherp als de vouwen in een pas gesteven broek . Zijn kijk op Tsjaikovski is onverdeeld spannend en enerverend, het pakt je bij de strot, de tijd vliegt voorbij. Ik heb zelden zo genoten van Tsjaikovski's winterdromen. De 'Kleine Russische' heeft de precisie van een Zwitsers uurwerk, maar zonder een spoortje routine, met frases die staan als een huis en met groot inzicht in deze op zich best lastige partituur. De spanning er goed in houden kan hoorbaar een ondankbare taak zijn, maar daar is hier geen enkele sprake van. Het loopt gewoon als een trein, van begin tot eind. De Vijfde bijt er diep in, vanaf het sombere inleidende Andante tot het opgelegd pandoer van de finale, waarin niet het klatergoud maar wel de dramatiek tot aan zijn uiterste grens wordt opgeschroefd. Maar ook hier weer de volledige controle over de materie. Het geheel overziende weet Petrenko echt een eigen persoonlijk stempel op deze cyclus te zetten. Hij zal ongetwijfeld naar zijn grote voorgangers hebben geluisterd, maar Petrenko is eigenzinnig genoeg om - letterlijk! - zijn eigen tempo te kiezen. Dat betaalt zich ook uit, want de tempo-opbouw bepaalt even goed de spanning van de uitvoering als andere elementen dat doen.
De conclusie kan helder zijn: dit is een formidabel begin van een cyclus die ongetwijfeld in de topcategorie thuishoort, niet in de laatste plaats door de schitterende opname. Maar die 'Manfred', die moet er ook echt bij Onyx komen, al heeft Petrenko die in 2007 met hetzelfde orkest voor Naxos opgenomen (klik hier voor de recensie). De zeven symfonieën in één doos en dan in deze opnamekwaliteit. Noblesse oblige!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links