CD-recensie

 

© Aart van der Wal, oktober 2010

 

 

Tsjaikovski: De notenkraker op. 71 (compl.)

Berliner Philharmoniker en Libera-jongenskoor o.l.v. Simon Rattle.

EMI Classics DeLuxe Edition (incl. rijk geïllustreerd boekwerk van 60 pag. in een beperkte oplage

6 31621 2 • 44' + 43' • (2 cd's)

Live-opnamen, Philharmonie Berlijn, 29 & 31/12/2009

www.simonrattle.com

www.emiclassics.com


 
  Ivan Vsevolozsjki

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski (1840-1893) voltooide het ballet De notenkraker (Щелкунчик; Sjtsjelkoentsjik) in 1892, te laat om nog te dienen voor waar het werk in eerste instantie was bedoeld: als het hoogtepunt van het seizoen 1891/92 van het keizerlijke Marijinski-theater in Sint-Petersburg. De opdracht kwam van Ivan Vsevolozsjki, de directeur van het theater. Vsevolozsjki had had niet alleen een sterk ontwikkeld gevoel voor artistieke kwaliteit, maar hij was ook het type van de onbetwiste leider die mensen voor zich wist te winnen en aan zich te binden. Bovendien stond hij erom bekend dat hij als geen ander tegengestelde meningen met elkaar wist te verzoenen. In en buiten het theater toonde hij zich een geboren diplomaat, een eigenschap die hij tijdens zijn langdurige verblijf in Parijs als lid van de Russische ambassade nog verder wist te ontwikkelen. Het was ook in Parijs waar Vsevolozsjki de Franse cultuur omarmde en beladen met de aldaar opgedane ervaringen weer terugkeerde naar zijn vaderland. Zijn opdracht aan Tsjaikovski was niet de eerste: de opera's De tovenares (1885-87) en Schoppenvrouw (1890), maar ook het ballet Doornroosje of De schone slaapster (1890) waren aan De notenkraker voorafgegaan. Het was voor Doornroosje dat Vsevolozsjki de toen grootste choreograaf van Rusland, de eerste maître de ballet aan het keizerlijk theater in Sint-Petersburg, Marius Ivanovitsj Petipa ('kleine passen') (1818-1910), samenbracht met de toen grootste componist van Rusland, Pjotr Iljitsj Tsjaikovski.

 
  Marius Petipa

Het met Petipa en Tsjaikovski besproken plan was tweeledig: een ballet én een opera in één voorstelling. Voor de opera was het onderwerp al snel gevonden: De dochter van Koning René, een toneelstuk van de Deen Henrik Hertz, vrij naar René (1409-1480), de koning van de Provence (1434-1480). Het stuk had al eerder Tsjaikovski's belangstelling gewekt en leidde later tot het het libretto voor de opera Yolanta, die op 18 december 1892 zijn première beleefde in het Marijinski-theater in Sint-Petersburg.

De vertelling van De notenkraker van de Duitse auteur E.T.A. Hoffmann (1776-1822) had Tsjaikovski al in 1882 leren kennen. Hij leek er van onder de indruk te zijn, getuige zijn brief van 3 februari 1882 aan de kunstcriticus Sergej Flerov, waarin hij deze bedankt voor de toezending van een afschrift van de door Flerov verzorgde 'uitstekende vertaling' van deze 'voortreffelijke geschiedenis'. Maar in werkelijkheid toonde hij zich heel wat minder enthousiast en was er bovendien een stevig conflict ontstaan met Vsevolozsjki, die zonder boeh of bah Schoppenvrouw uit het speelplan van het theater had geschrapt:

"Welnu, nu ik aan De dochter van koning René en De notenkraker begin, kom ik mij voor als iemand die men opnieuw thuis heeft uitgenodigd, terwijl de gastheer bij een vorige gelegenheid heeft laten blijken dat hij niet welkom was," aldus Tsjaikovski in een brief van 12 februari 1890. Het was nu aan de 'diplomaat' Vsevolozsjki om de woedende Tsjaikovski niet alleen tot bedaren te brengen, maar ook om zijn vertrouwen weer terug te winnen en hem ertoe over te halen de samenwerking met het theater voort te zetten. Met een diepe kniebuiging en veel stroop om de mond lukte het de diplomaat Vsevolozsjki uiteindelijk om Tsjaikovski binnenboord te houden.

 
  Tsjaikovski in zijn laatste levensjaar geschilderd door Nikolaj Dmitriëvitsj Koetsnetsov

Het is te simpel om Hoffmanns vertelling als alleen een kindersprookje te beschouwen. Het stuk zit echt ingewikkelder in elkaar, het beweegt zich op meerdere en ook nog verschillende niveaus waarin werkelijkheid en fantasie dwars door elkaar heen gaan lopen. In het verhaal staat het meisje Clara Stahlbaum centraal dat op Kerstavond bezoek krijgt van allerlei mensen, waaronder de excentrieke meneer Drosselmeyer, Clara's peetoom. Hij doet haar een notenkrakerpop cadeau en geeft haar broertje Fritz een soldatenpak met zwaard. Diezelfde nacht droomt Clara dat de pop tot leven komt en in een prins verandert. Ze worden verliefd op elkaar, ze zijn gelukkig, maar helaas duikt er een vijand van de prins op in de persoon van de muizenkoning die met zijn muizenkolonie de houten prins belaagt en hem omtovert in een heuse notenkraker van vlees en bloed. Clara vindt het verschrikkelijk, ze wil haar prins verlossen, maar ze weet niet hoe. Intussen moet de notenkraker met de muizen de strijd aanbinden. Het voorlopige einddoel is de de toverlantaarn van Drosselmeyer, waar zich de de sneeuwkoningin en de suikertaartfee ophouden. De prins en de fee nemen Clara uiteindelijk mee op een exotische reis die hen door allerlei vreemde landen voert, zoals Spanje, Arabië, China en Rusland. Ze zijn in Tsjaikovski's meesterwerk ieder vertegenwoordigd met hun eigen muziek en dans. Als de prins met Clara de toverlantaarn verlaat, daagt hij de muizenkoning uit tot een duel met het zwaard. De prins, nog steeds als notenkraker, wordt door de muizenkoning ernstig verwond en delft het onderspit. Maar dan is er Fritz, gehuld in zijn van Drosselmeyer gekregen soldatenpak, mét zwaard, die de strijd voortzet. De muizenkoning valt dood ter aarde. En de notenkraker? Hij verandert weer in een prins die vervolgens met Clara een pas de deux danst, de liefdesdans. Dan ontwaakt Clara, ze rent naar haar pop en ziet dat haar prins niet meer is dan dat: een gewone pop. Ze had het alleen maar gedroomd...

Voor de beide choreografen, Marius Petipa en Lev Ivanov (1834-1901), moet het een reusachtige opgave zijn geweest om op basis van dat onwaarschijnlijke en bovendien nogal warrig overkomende verhaal een overtuigend balletscenario te ontwerpen. Waarbij overigens moet worden aangetekend dat als gevolg van ziekte van Petipa het Ivanov was, de tweede Maître de ballet aan het keizerlijk theater in Sint-Petersburg, die het leeuwendeel van het project voor zijn rekening moest nemen.

Voor Tsjaikovki zal het eveneens een opgave van jewelste zijn geweest, want hij moest de muziek zo componeren dat die naadloos paste in het tot in het kleinste detail uitgewerkte script. Misschien niet helemaal te vergelijken met de muziek bij een filmscript, maar toch wel moeilijk genoeg om te verhinderen dat het werk op tijd werd afgeleverd. In die tijd werd de componist zelfs in zijn slaap achtervolgd door notenkrakers, prinsen, muizenkolonies en suikerkastelen. Maar toen de muziek eindelijk klaar was en de eerste uitvoering dan eindelijk op 17 december 1892 plaatsvond in het Marijinski-theater wachtten alle betrokkenen behalve de componist een koude douche: de kritiek maakte het ballet met de grond gelijk. Sterker nog, men vond het helemaal geen ballet, maar een onsamenhangend staketsel waarin ook nog eens veel te weinig in gedanst. De muziek kwam er beter vanaf, maar veel plezier heeft Tsjaikovski daar niet aan beleefd want al na veertien voorstellingen werd het stuk van het speelplan afgehaald.

 
  Aanpakbiljet voor het muziekfestival in Carnegie Hall, New York, waaraan ook Tsjaikovski deelnam

Tsjaikovski vertelde zijn broer Modest dat hij 'met al zijn krachten ' aan de balletmuziek werkte en het in ieder geval klaar wilde hebben alvorens in maart 1891 naar Amerika te vertrekken. Hij werkte er zelfs ijverig aan tijdens zijn reizen naar Berlijn, Praag, Parijs en Le Havre, waar hij op 18 april aan boord ging van het ss 'La Bretagne' voor de oversteek naar New York.

Eenmaal weer terug in Europa (hij arriveerde op 21 mei met het ss 'Fürst Bismarck' in Hamburg) werd het werk aan De notenkraker onverdroten voortgezet. Achteraf valt het nauwelijks voor te stellen dat er zulke verbeeldingskrachtige muziek uit Tsjaikovski's pen heeft kunnen rollen, de enorme moeite en de vele tegengeslagen in aanmerking genomen. Als we dan enigszins hardvochtig oordelen dat alleen het resultaat telt, dan hebben we hier te maken met een van de allermooiste balletpartituren ooit gecomponeerd. Een balletpartituur ook zonder wie de grote balletten van Igor Stravinsky en Sergej Prokofjev, maar ook Maurice Ravel vrijwel ondenkbaar zouden zijn. Maar ook een partituur waarin voor de eerste keer in de muziekgeschiedenis de celesta wordt geïntroduceerd, het instrument dat pas zo'n zes jaar eerder door de Franse harmoniumbouwer Victor Auguste op de markt was gebracht. Tsjaikovski had er in Parijs tijdens de wereldtentoonstelling in 1889 voor het eerst kennis mee gemaakt, maar eenmaal terug in Rusland hield hij daarover zijn kaken stevig op elkaar, bevreesd dat 'concurrenten' als Nikolaj Rimski-Korsakov (1844-1908) en Aleksandr Glazoenov (1865-1935) er vóór hem mee aan de slag zouden gaan.

De rijke instrumentale bezetting laat al zien dat Tsjaikovski er veel werk van heeft gemaakt, met maar liefst drie fluiten (tweede en derde fluit tevens piccolo), twee hobo's, cor anglais, twee klarinetten (in Bes en A), basklarinet (in Bes), twee fagotten, vier hoorns (in F), twee trompetten (in Bes en A), drie trombones, tuba, twee harpen, pauken, snaardrum, tamboerijn, grote trom, bekkens, triangel, castagnetten (in de Spaanse dans!), klokkenspel, celesta of piano (no. 14, de pas de deux, de tweede variatie, dans van de suikertaartfee!), violen I en II, altviolen, celli en contrabassen. Dan is er nog een korte bijdrage van een koor, in nr. 9 van de eerste akte, de Wals van de sneeuwvlokjes, bij voorkeur bestaande uit koorknapen, maar anders uit geschoolde operastemmen (twaalf sopranen en twaalf alten). Ook volgens voorschrift op het toneel: trompettes d'enfant, tambours d'enfant, instruments d'enfant. Ofwel speelgoedtrompetjes, speelgoedtrommeltjes, speelgoedinstrumenten. Het is immers een kindersprookje! Op het toneel - zo schrijft Tsjaikovski voor - mogen de kinderen op instrumenten spelen die we associëren met die in typische 'kindersymfonieën': Tsjaikovski breekt een lans voor koekoek- en vogelfluitjes (maar wel uitsluitend in C-groot!). Ook (kleine) bekkens mogen worden gebruikt!

Speciaal voor concertdoeleinden stelde Tsjaikovski later nog een negendelige suite samen, een werkwijze die we ook van andere balletten kennen, zoals Het zwanenmeer en Doornroosje, maar ook Stravinsky's De vuurvogel en Ravels Daphnis et Chloé, Spartacus van Katsjatoerjan, De bout en The age of gold van Sjostakovitsj, en natuurlijk Romeo en Julia van Prokofjev.

Rattle versus Gergiev

De op een na meest recente opname van De notenkraker die er wat mij betreft werkelijk toedoet is die van het Kirov-ensemble onder leiding van Valery Gergiev, door Philips opgenomen in het Festspielhaus in Baden-Baden in augustus 1998 (klik hier voor de recensie). Niet dat die uitvoering 'Russischer' is dan die onder Rattle, nog afgezien van het feit dat De notenkraker helemáál niet Russisch is. De muziek 'bezoekt' niet alleen diverse landen, maar Tsjaikovski was teveel cosmopoliet om zich te beperken tot het Russische idioom pur sang. Als Michail Glinka (1804-1857) de belangrijkste vader van de Russische muziek was die het muzikale 'nationalisme' in zijn opera's met volle overtuigingskracht uitdroeg, dan was Tsjaikovski weliswaar niet een van zijn afvallige zonen, maar toch wel een zoon met een volstrekt eigen missie die tot ver buiten Rusland reikte.

Wat Rattle sterker benadrukt dan Gergiev is het reflecterende karakter in deze muziek. Het is dat onbestemde gevoel van heimwee, die van nostalgie vervulde terugblik op de gelukkige jeugd die eens was, waardoor de schaduwkanten van deze muziek extra reliëf krijgen. Waar Rattle de melodielijnen meer uitspint, staat Gergiev juist vrij kort voor de wagen (men vergelijke bijvoorbeeld nr. 9, de wals van de sneeuwvlokjes).Door het hele werk heen biedt Gergiev ook een sterkere ritmische puls die de muziek - soms alleen maar ogenschijnlijk - meer vaart geeft. Daar staat dan weer tegenover dat bij Rattle de Arabische dans door de ziel snijdt:, met een werkelijk superieur aandeel van hobo en Engelse hoorn. Dan is Gergiev weer beter op dreef in wat ik een van de absolute hoogtepunten van het werk vind: de intrada tot de pas de deux in de tweede akte. Met een minder sentimentele inslag dan Rattle raakt hij in deze liefdesdans tevens sterker de melancholieke kant ervan. In de kwaliteit van het orkestspel geven de beide orkesten elkaar niets toe.

Helaas houdt de live-opname, gemaakt in de Berlijnse Philharmonie op 29 en 31 december 2009 (het traditionele 'Sylvesterkonzert' op Oudejaaravond daar dus onder begrepen), geen gelijke tred met het sprankelende orkest, waardoor de vaak bijna verblindende schoonheid van Tsjaikovski's orkestratie wordt getemperd. Het klankbeeld neigt naar het diffuse, de bekkens klinken mat (15. slotwals en apotheose), de klank verdikt zich bij climaxen en komt niet helemaal brandschoon uit de luidsprekers (nr. 7, de strijd) en is de laagweergave is wel warm, maar mist het een kernachtig fundament. Over de weergave van de zo belangrijke middenstemmen (altviolen en celli) ben ik evenmin echt te spreken. Met de partituur in de hand wordt al snel duidelijk wat wordt gemist. De Gergiev-opname daarentegen is in alle opzichten een plaatje. Dat die nog net op één cd kon worden ondergebracht en EMI door de iets langere speelduur nu eenmaal twee cd's nodig had levert op zich geen prijstechnisch nadeel op.

De hier besproken, luxe uitgave in beperkte oplage bevat naast een gedetailleerde toelichting en een inleiding van Rattle een groot aantal fraaie illustraties. Bovendien maakt deze edtie deel uit van de actie Aangenaam Klassiek, wat erop neerkomt dat tot eind januari een verkoopprijs geldt van € 19,99 (vergeet die ene eurocent maar en lees gewoon € 20,=). De luxe editie bevat bovendien een unieke code waarmee u gratis toegang krijgt de website van Rattle voor de 'Nutcracker Experience'.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links