CD-recensie

 

© Aart van der Wal, februari 2017

 

Francesco Supriani - Principles to learn to play the Cello

Supriani: Sinfonia di violoncello à solo - Cantate 'Il mio cor che sta in catene' - Toccata settima - Toccata settima con diminuzione - Toccata duodecima - Toccata decima con diminuzione - Cantate 'Chi m'invola da te, mio bel tesoro?' - Toccata quinta - Toccata quinta con diminuzione - Toccata nona con diminuzione - Toccata undecima con diminuzione - Cantate 'Bella, se un dì potessi - Sonata à violoncello solo

Eugenia Boix (sopraan), Guillermo Turina (cello), Tomoko Matsuoka (klavecimbel)

Cobra 0053 • 63' •

Opname: februari 2016, Koepelkerk, Renswoude

 

Ik weet niet hoe het met u staat, maar ik wist niets van Francesco Supriani (1678-1753). Volgens het keurig verzorgde cd-boekje is zelfs zijn echte naam een mysterie. Er zijn namelijk nog drie verschillende achternamen opgedoken: Scipriani, Soprani en Supriano (de laatste met bovendien nog een extra voornaam: Paolo). Maar in de meeste overgeleverde manuscripten duikt toch de naam van Supriani op. Voor deze cd is die het geworden. Logisch want het manuscript is immers de exponent van de (nog niet tot leven gewekte) muziek.

Hij werd geboren in het Italiaanse Conversano op 11 juli 1678. Het is aannemelijk (en dus niet zeker) dat hij in zijn geboorteplaats muziek heeft gestudeerd. Wel staat vast dat hij rond 1707 in Napels woonde, want toen trouwde hij daar met een zangeres, Margherita Mencherelli. Een jaar later zien we hem terug als eerste cellist bij het Real Capilla de Barcelona. Het ensemble, een ‘speeltje' van aartshertog Karel-Teschen van Oostenrijk, was kort daarvoor opgericht door de Napolitaanse componist Giuseppe Porsile. Supriani was een van de vele Italiaanse musici die de aartshertog – afgezien van een aantal puur politieke motieven - per se wilde hebben omdat ze zo goed in Italiaanse opera's konden spelen.
Uit het contract tussen Supriani en zijn nieuwe broodheren kan worden opgemaakt dat hij als de eerste ‘echte' cellist in Spanje werd beschouwd. De cello was overigens niet helemaal onbekend op het Iberisch schiereiland, zij het onder verschillende namen (violón, baxo de violón, violone of violoncillo), maar mogelijk had men daar in Barcelona geen idee van of ging men ervan uit dat Supriani een wel heel bijzondere Italiaanse cello bespeelde; en die was toen sowieso nog niet bekend.
Supriani bleef niet lang in Barcelona. Al in 1710 ging hij terug naar Napels, waar hij zich als hofmusicus in het goede gezelschap bevond van plaatselijke beroemdheden als kapelmeester Alessandro Scarlatti en de cellist Francesco Alborea. Na zijn pensionering behield hij zijn wedde en speelde hij nog af en toe bij bijzondere gelegenheden. Hij overleed in Napels in 1753.

Voor een deel van de op deze cd verzamelde composities ligt het zwaartepunt in het pedagogisch karakter van de werken voor cello en klavecimbel (alleen de Toccata quinta is voor cello solo geschreven). We zijn daarmee wat de cello betreft in een geheel ander parcours aanbeland: dat van de cello als vertuoos behandeld melodie- instrument en niet in zijn meer karakteristieke rol als basso continuo. Aardig is ook dat deze ‘leerstukken' ten nauwste samen hangen met een studieboek dat Supriani speciaal schreef om het (virtuoze) cellospel onder de knie te krijgen: ´Principij de imparare à sunoare il Violoncello (simpel samengevat de principes van het cellospel). Het is voor zover bekend de eerste uitgave op dit gebied. Wat overigens deels ook geldt voor de cd (de drie cantates en de Sonata à violoncello solo)

Dit mogen dan studiewerken zijn, de muzikale waarde lijdt er desondanks niet onder. Het hoge uitvoeringsniveau helpt zeker daarbij, geeft deze muziek een overtuigend steuntje in de rug. De barokcello van Guillermo Turina (hij is de achterkleinzoon van Joaquin Turina) zingt het hoogste lied en de begeleiding door de klaveciniste Tomoko Matsuoka is om door een ringetje te halen. In de beide cantates is het uiteraard de sopraan Eugenia Box die de meeste aandacht naar zich toetrekt. En terecht, want zij hanteert een groots aangelegd vocaal vocabulaire waarin werkelijk geen zee te hoog gaat. We horen haar in optima forma fraseren, haar techniek (met onder meer een superieur legato) staat geheel ten dienste van de muziek, ze zingt in volmaakt evenwicht met haar begeleiders en geeft zo schitterend invulling aan deze twee voor mij volkomen nieuwe, seculiere cantates. Wat kan er toch een grote expressieve zeggingskracht uitgaan van een klein ensemble! Dit is van begin tot eind heerlijk musiceren, met een aanstekelijke onbekommerdheid waarin toch nog voldoende plaats is voor de contemplatieve momenten. De door Tom Peeters gemaakte opname valt in dezelfde categorie: bellisimo!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links