CD-recensie

 

© Aart van der Wal, december 2011

 

 

Stravinsky: Perséphone (concertversie 1949)

Doris Schade (vertelster), Fritz Wunderlich (tenor), Schwanheimer Kinderchor, Chor des Hessischen Rundfunks, Chor des Süddeutschen Rundfunks, Sinfonie-Orchester des Hessischen Rundfunks o.l.v. Dean Dixon

Audite 95.619 • 49' •

Live-opname (mono): Frankfurt am Main,
Hessischer Rundfunk (Sendesaal), 11 november 1960

www.audite.de


Igor Stravinsky schreef het melodrama Perséphone in 1933/34 in opdracht van de in de jaren twintig en dertig in Parijs in hoog aanzien staande balletdanseres en actrice Ida Rubinstein. Zij was opgegroeid in Sint-Petersburg en met Sergej Diaghilevs 'Ballets Russes' naar Parijs gekomen, waar zij zowel door haar erotische uitstraling op het toneel als haar verre van conventionele levenswandel veel opzien baarde. Rubinstein mocht veel beroemde namen tot haar bewonderaars rekenen: Gabriele d'Annunzio, Paul Valéry, Paul Claudel, Jean Cocteau, León Bakst, Marc Chagall, Valentin Serov, Michel Fokine, Leonid Massine, Bronislava Nijinska, Kurt Jooss, Sarah Bernardt en Maurice Ravel.
De goed bij kas zittende Russin richtte haar eigen balletgezelschap op en schreef met haar compositieopdrachten muziekgeschiedenis. Claude Debussy componeerde voor haar Le Martyre de Saint Sébastien, Ravel de Boléro, Arthur Honegger het oratorium Jeanne d'Arc au Bûcher en Stravinsky zijn Le Baiser de la Fée (1928) en vijf jaar later Perséphone.

De tekst voor het melodrama had André Gide al vóór de Eerste Wereldoorlog geschreven. Hij had zich daarbij gebaseerd op de hymne van Homerus aan Demeter, de godin van de vruchtbaarheid en de ontroostbare moeder van de door de god van de onderwereld, Pluto, ontvoerde Perséphone. In februari 1933 had Stravinsky Gide in Wiesbaden ontmoet om de artistieke uitgangspunten voor Perséphone met hem te bespreken. Dat liep niet gesmeerd, wat met deze twee nogal eigengereide karakters wel te verwachten viel. Gide ging zelfs zo ver dat hij Stravinsky op het hart drukte alleen maar de toonhoogte voor de lettergrepen te componeren, want hij had immers al voor de ritmiek gezorgd! Stravinsky op zijn beurt wilde zijn eigen prosodie op het werk loslaten, dit in overeenstemming met zijn muzikale ideeën. Dat het tussen hen beiden maar niet wilde boteren blijkt wel uit Gides bijna demonstratieve afwezigheid tijdens de première in het Parijse Théâtre de L'Opera onder leiding van de componist.

Perséphone is vooral lyrisch van toon. Het stuk mist de agressie van Le Sacre du Printemps en de monumentaliteit van Oedipus Rex. De componist zei er zelf over dat de tederheid en schoonheid een sentimentele benadering al bij voorbaat diende uit te sluiten, want dat zou alleen maar neerkomen op een poging om 'suiker nog zoeter te maken'. Op de dag vóór de première schreef hij in een persverklaring: "Ik moet het publiek erop attenderen dat ik orkestrale effecten haat wanneer ze dienen om te cosmetiseren."

De concertante uitvoering in Frankfurt was gebaseerd op de ietwat ingekorte, door Stravinsky goedgekeurde, concertversie uit 1949 die onder de handen van de Afro-Amerikaanse dirigent Dean Dixon (toen chefdirigent van het orkest van de Hessische Rundfunk) uitpakt als een groots festijn van een lyrische perfectie en in overrompelende klankkleuren, daarbij geholpen door een ideale rolbezetting, met de actrice Doris Schade (zij maakte sinds 1954 deel uit van de Städtische Bühnen, zeg maar de stadsschouwburg van Frankfurt) in haar glansrol als vertelster, gesproken in perfect Duits (geen wonder dat ze in 1987 de Gertrud Eysoldt Ring ontving als de actrice die het beste Duits sprak). De Duitse lyrische tenor Fritz Wunderlich stond op de top van zijn kunnen, hij is Eumolpius (Grieks voor 'de schoon zingende'). Zijn aandeel maakt deze uitgave extra interessant: hij had deze partij nog niet eerder gezongen en zou het ook daarna niet doen (hij stierf, net nog geen 36, op 17 september 1966 in de universiteitskliniek van Heidelberg aan de gevolgen van een ongelukkige val van de trap). Wat overigens niet wegneemt dat Wunderlich veel moderne muziek op zijn repertoire had, van o.a. Janácek, Berg, Liebermann, Reutter, Dallapiccola en Egk. De drie koren en het orkest laten zich al evenmin onbetuigd: Stravinsky's eigen opname met het College Concert Choir, Texas Boys Choir, Gregg Smith Singers en het Columbia Symphony Orchestra (Sony) verbleekt erbij. Toen deze opname werd gemaakt was Stravinsky 78 (hij zou uiteindelijk bijna 89 worden), maar of hij ervan wist? Ik heb het niet kunnen nazoeken, maar het zou mij sterk verbazen als hij er niet voor gevallen was.

De opname biedt qua techniek weliswaar niet het laatste woord maar hij is wel van een halve eeuw terug. De Hessische Omroep was zoals alle omroepen in die tijd nog lang niet toe aan stereo, maar de monoklank is gelukkig wel fraai gedifferentieerd, kraakhelder (ieder woord van de Duitse vertaling is goed verstaanbaar) en uistekend in balans, blijkbaar (mede) het resultaat van een zorgvuldige digitale bewerking van de oorspronkelijke omroepband (op de cover staat '1st master release, original tapes'). Alleen wie via de hoofdtelefoon luistert zal het stereogeluid echt missen: via luidsprekers valt het nauwelijks op, zo goed moeten die oorspronkelijke banden zijn geweest. Jammer alleen dat we het zonder slotapplaus moeten stellen, zeker na deze spannende derde en laatste scène. Dat de teksten niet in het boekje werden afgedrukt is een ernstige omissie.
Met deze uitgave hebben we een document van grote historische waarde in handen, waarbij overigens best mag worden aangetekend dat het onbegrijpelijk is dat we Stravinsky's Perséphone in de concertzaal en op cd nauwelijks tegenkomen. Zeker vergeleken met Le Sacre en De vuurvogel komt Perséphone er wel heel bekaaid af, maar dat geldt helaas voor meer balletmuziek van deze componist.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links