CD-recensie

 

© Aart van der Wal, januari 2022

Stradella: Amare e fingere

Mauro Borgioni (Artabano, Fileno), Paola Valentina Molinari (Despina, Clori), Josè Maria Lo Monaco (Oronta, Celia), Luca Cervoni (Coraspe, Rosalbo), Chiara Brunello (Silvana), Silvia Frigato (Erinda)
Ensemble Mare Nostrum
Dirigent: Andrea De Carlo
Arcana A493 • 2.00' • (2 cd's)
Live-opname: 8-9 nov. 2018, Kulturzentrum, Herne (D)

   

Amare e fingere, een herontdekte opera van Alessandro Stradella (1643-1682), zo luidt het trotse opschrift op de voorzijde van het album. Zo'n twee eeuwen terug was iets soortgelijks aan de hand: ook toen was sprake van de herontdekking van de muziek van Stradella, als componist én als stem tevens een inspiratiebron voor componisten als Franck en Flotow, al draaide het toen vooral om diens avontuurlijke levensgeschiedenis. Want ga maar na: Stradella die het aanpapte met een getrouwde echtgenote uit Venetiaanse adellijke kringen, een daad en tevens een levensgevaarlijke onderneming die hij bijna met zijn dood moest bekopen: hij overleefde ternauwernood een moordaanslag door de op wraak beluste echtgenoot die daarvoor twee huurlingen in de arm had genomen. Maar Stradella bleek hardleers, want als een ware Casanova maakte hij later nog een aantrekkelijke dame het hof die ‘toevallig' eveneens was getrouwd met een man van hoge komaf. Het drama herhaalde zich, maar ditmaal met ‘succes': Stradella overleefde de aanslag ditmaal niet. Het was het einde van de componist en zanger die afgezien van zijn amoureuze escapades als oplichter, bedrieger en dief toch al het nodige op zijn kerfstok had, maar ook over een prachtige stem beschikte waarmee hij volgens de historie zelfs de grootste misdadigers voor zich in wist te nemen. Terwijl zijn composities bij leven maar ook nog lang daarna een belangrijke rol vervulden.

Stradella mag zeker worden aangemerkt als ‘veelschrijver' (hij schreef als het ware aan de lopende band, de cantates, motetten, missen, oratoria, opera's en instrumentale werken) maar evenmin als bij Telemann past daarbij de negatieve connotatie van het routineuze. Stradella heeft bovendien een belangrijke rol gespeeld in de ontwikkeling van het oratorium naar de opera en staat hij voorts te boek als de bedenker van het concerto grosso. Geen wonder dus dat een groot aantal componisten, waaronder Corelli en Händel, door hem sterk werden beïnvloed of geïnspireerd.

Het is nogal merkwaardig dat door de eeuwen heen de receptie van Stradella's theaterwerken nogal eenzijdig in de context werd geplaatst van zijn opera's zoals die in zijn laatste levensjaren in Genua ontstonden (hij verbleef er van 1678 tot 1682). Waarbij dus zijn vroege jaren als operacomponist in Rome gemakshalve niet meetelden of zelfs over het hoofd werden gezien.

Zeker, niet alleen de musicologen waren niet onkundig van de voor- en tussenspelen en incidentele aria's die Stradella in de periode 1670-1675 schreef voor de theaterproducties die bestemd waren voor het Venetiaanse Tordinona-theater, maar tot vrij recent wisten we niet van het bestaan van de enige opera die Stradella in die tijd in zijn geheel componeerde en toen ook werd uitgevoerd.

Een schier onuitputtelijke bron voor nieuwsgierige onderzoekers was de rijke partituurverzameling die gewetensvol was aangelegd door de ‘cantore pontificio' en componist Giovanni Battista Vulpio (ca. 1631-1705). Het is dit overvloedige compendium dat ons een ruime blik vergunt in (ook) de vele theaterwerken van Stradella. Daarvan weten we dat hij minstens drie opera's componeerde alvorens de snoodaard in januari 1677 Rome moest ontvluchten: La Doriclea, Il Corispero en Amare fingere (de laatste voor het eerst uitgevoerd in Sienna in 1676).

Dat Stradella een ‘veelschrijver' wisten we natuurlijk al, maar werd nog eens uitdrukkelijk bevestigd door de Vulpio-verzameling: van de uit maar liefst ruim 200 delen bestaande collectie kunnen er 50 uitsluitend worden toegeschreven aan werk van Stradella, met inbegrip van Amare fingere, waarvan een door derde hand gemaakt afschrift van het oorspronkelijke handschrift zich in de eveneens rijk gevulde muziekbibliotheek van het Vaticaan bevindt. Het origineel mag dan helaas verloren zijn gegaan, er is niet of nauwelijks twijfel dat de opera van Stradella stamt. Ten overvloede zij vermeld dat Vulpio zeer nauwe banden met Stradella onderhield en dat hij in zijn collectie een groot aantal authentieke handschriften van Stradella had opgenomen. Aan de hand van papier- en ander onderzoek werd het afschrift waarschijnlijk medio jaren 1670 door een leerling van Stradella in Rome vervaardigd.

Het libretto van Amare fingere van Giovanni Filippo Apolloni is gestoeld op de Spaanse komedie Fingir y amar van Agustín Moreto, gepubliceerd in 1661 en al spoedig daarna in het Italiaans vertaald (wat zeker iets zegt over de populariteit van het blijspel). Het was in de periode dat het in de Barok gevormde idee van de maskerade, van verhulling en stilzwijgen in met name het theater een belangrijke functie vervulde ten overstaan van de alom heersende oppressie die door de vele hoofse machtsstructuren aan de orde van de dag was, als zodanig in de vele maatschappelijke lagen was ingeburgerd. Geen wonder dus dat in de komediel en in het verlengde daarvan de opera de vier verliefde hoofdkarakters alle een dubbele identiteit met zich meedragen: de ene echt, uitgerust met vorstelijke of prinselijke titels, de andere gefingeerd en neergezet in een landelijke setting, als in een pastoraal getinte idylle die de waarheid moest verhullen. Zoals het ook in de zeventiende-eeuwse theaterpraktijk paste om de plot zo lang mogelijk uit te stellen, te verhullen door eerst veel misverstanden te creëren en uiteenlopende schijnvertoningen op te voeren. Daarmee verweven werden de vele hartstochten en dwingelandijen binnen de gegeven sociale orde nog eens uitvergroot. Stradella was een van de vele componisten die ze vanuit de oorspronkelijke komedie muzikaal gestalte gaven. Passend in die tijd - en dat geldt ook voor Amare fingere - was dat aan het recitatief een dominante rol werd toegekend ten opzichte van de aria (solo en duet: het terzet komt er niet in voor).

Ook in deze opera in drie bedrijven van Stradella, herontdekt door door Arnaldo Morelli (hij schreef tevens de toelichting) horen we de typische zeventiende-eeuwse stijlfiguren terug zoals die toen in Italië gebruikelijk waren, met dank aan de historiserende uitvoeringspraktijk die door het gehele ensemble (zangers en instrumentalisten) met grote overtuigingskracht wordt uitgedragen. De barokke retoriek, de ornamentatie en de fraseringen (die in de partituur niet worden aangegeven) leveren onder leiding van Andrea De Carlo het essentiële spanningsveld om optimaal van het werk te genieten. Ook de technische afwerking is als om door een ringetje te halen.

Nee, dit is geen fonkelende en flitsende Mozart-opera: Mozarts eerste pogingen in die richting waren met Apollo et Hyacinthus (toen nog geheel in het Latijn), gecomponeerd in 1766/67 (hij was toen 11!), spoedig daarna gevolgd door Mitridate (1770) en Lucio Silla (1772), bestemd voor uitvoering in Milaan. Om even de gedachte te bepalen: Amare fingere dateert van op de kop af eeuw eerder, maar toch is het verbazingwekkend hoe functioneel Stradella te werk ging in het verbinden van drama en pastorale naïviteit. Hij slaagde er bovenal in om in een tijdsbestek van twee uur het gehele geraffineerd gecultiveerde discours zowel boeiend als onderhoudend te houden, wat – juist door het ontbreken van toneelbeelden – ook de appreciatie voor deze uitvoering nog eens extra onderstreept, mogelijk mede door het karakter van deze live-registratie.

Het instrumentarium staat vanzelfsprekend eveneens in het teken van die tijd, bestaande uit ‘slechts' twee violen, gamba, cello, violone (de voorloper van de contrabas), theorbe, luit, harp, klavecimbel en orgel(positief). Wat evenwel schitterende klankkleuren oplevert, zowel individueel, collectief als in samenhang met de vocale stemmen.

De opname kwam in november 2018 tot stand binnen de kaders van de Tage Alter Musik in het Duitse Herne (niet te verwarren met het gelijknamige festival in Regensburg). Het evenement is bijzonder fraai vastgelegd, subliem afgebeeld in de ruimte en tevens ideaal gebalanceerd. Het betreft een coproductie van de WDR en het Festival Barocco Alessandro Stradella di Viterbo e Nepi. Dat sprake is van een muisstil publiek en geen applaus doet weliswaar afbreuk aan de theatersfeer, maar leidt anderzijds niet af. Dit is de eerste (en vooralsnog enige) cd-opname van dit opus.

_________________
Misschien goed om te vermelden dat dit het zevende deel is in de reeks opera's van Stradella op het muzieklabel Arcana. Al eerder verschenen La forza delle stelle, San Giovanni Crisostomo, Santa Editta, Santa Pelagia, La Doriclea en Il Trespolo tutore.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links