CD-recensie

 

© Aart van der Wal, augustus 2020

Sjostakovitsj: Vioolconcert nr. 1 in a, op. 77/99 - nr. 2 in cis, op. 129

Alina Ibragimova (viool), State Academic Symphony Orchestra of Russia 'Evgeny Svetlanov' o.l.v. Vladimir Jurowski
Hyperion CDA68313 • 72' •
Opname: juli 2019, Museum- en tentoonstellingscomplex 'Nieuw Jeruzalem', Moskou (nr. 1); februari 2019, Tsjaikovski-conservatorium, Moskou (nr. 2)

 

Sjostakovitsj had tijdens het componeren van zijn beide vioolconcerten zonder enige twijfel het vioolspel van zijn landgenoot David Oistrach in het hoofd gehad. Aan hem zijn ze immers opgedragen: het Eerste in 1956 en het Tweede precies tien jaar later. Dat Tweede moest een cadeautje worden, want Oistrach werd in 1966 zestig jaar. Dat dacht de componist tenminste, maar hij vergiste zich een jaar: eerst in 1967 zou de violist die mijlpaal bereiken. Het heeft gelukkig toch nog iets extra's opgeleverd: de in dat jaar voltooide en eveneens voor Oistrach bedoelde Vioolsonate op. 134.

Dat het Eerste toegankelijker is dan het Tweede valt tijdens beluistering al snel op, al delen ze desondanks beide het aureool van grilligheid en weerbarstigheid. Wel staan ze broederlijk in het verankerde tonale idioom: het Eerste in a-klein, het Tweede in cis-klein. Geen al te opgewekte toonsoorten, al zegt het mineur zeker niet alles (denk maar aan Mozart). Maar in dit geval zegt het zeker iets over deze muziek. Muziek waarvan de stlistische wezenskenmerken zich in een groot deel van dit oeuvre weerspiegelen. Ook in de ingewanden van deze beide concerten voltrekt zich dat zo bekende proces van somberheid en eenzaamheid, met dissonante flarden in onheilspellende klankvelden, de bijna ingebakken vlijmscherpe satire, maar ook het spookachtige, huiveringwekkende, beklemmende en hartverscheurende. Het is ook onrustige, pulserendemuziek. Kortom, dit gaat door merg en been, al blijft de boodschap ervan onhelder. Het is de muziek die spreekt, welke metaforen men daarvoor ook mag bedenken. We laten het aan de fantasie van de luisteraar over.

Neem alleen maar het derde deel van het Eerste vioolconcert, een volmaakt gemodelleerde passacaglia in andante-tempo, met zijn hallucinerende, fanfareachtige, uit massieve klankblokken opgetrokken ostinati die het monolitische karakter van dit deel nog eens extra benadrukken. Een kwartier lang wordt met niet aflatende energie op de luisteraar ingebeukt. Grafstenen in eindeloze rijen, uit monoliet opgetrokken? Of een troosteloze dodenrit met als ‘apotheose' die door merg en been gaande soloviool die het ostinato-thema schrijnend naar hoge regionen voert. En dan is er die burleske finale, Allegro con brio, voorafgegaan door de hoog gestemde solocadens die de transitierol mag vervullen. De met een groot gevoel voor effect opgeroepen, bijna theatrale wervelwind die volgt trekt alles in zijn tomeloze vaart met zich mee, de contrasten wisselen zich razendsnel af. Deze instrumentaal knap gezette stormwals roept herinneringen op aan het Rondo burlesque uit Mahlers Negende symfonie (Sjostakovitsj hield van Mahler). Teveel van het goede? Wellicht wel voor Oistrach, die met het manuscript werd geconfronteerd en de componist vroeg, zo niet smeekte om hem net voor dat slotdeel even op adem te laten komen. Sjostakovitsj begreep het, kwam hem tegemoet door het voor de soloviool gedachte hoofdthema naar houtblazers en xylofoon te verplaatsen. Éven rust!

Maar misschien is het Tweede vioolconcert uiteindelijk nog het moeilijkste te realiseren. Niet zozeer puur technisch als wel interpretatief omdat het hoofdbestanddeel ervan zich niet richt op het uiterlijk maar het innerlijk. Ik wil niet zo ver gaan om het stuk als ‘bekentenismuziek' te typeren, maar het sterk dialogiserende karakter ervan (de solist in ‘gesprek' met de individuele orkeststemmen) is zo intiem van karakter dat het bijna tweegesprekken met zichzelf lijken te zijn. Het doordringende spel van Ibragimova lijkt dat alleen maar nog meer te bevestigen.

Wat het Tweede concert in mijn beleving vooral laat horen is dat de zoektocht naar het innerlijk (of misschien wel het onaanraakbare wezenlijke) ons voert naar een intens gevoelde evocatieve diepte die alleen in handen van een geheel en al daarvoor mentaal geëquipeerde solist, dirigent (uiteraard met behulp van het orkest dat daarin wel mee moet kunnen gaan) zijn ware betekenis krijgt. Wat ook duidelijk is: wie hier de ‘romantische toets' hanteert faalt daarin jammerlijk. Die kaart wordt door Ibragimova en Jurowski gelukkig niet getrokken. Integendeel, zij tonen aan dat de expressieve krachten in dit concert pas echt overtuigend los kunnen worden gewoeld als er een zekere mate van objectieve nuchterheid in het spel wordt gebracht. Dan blijkt minder ineens (beduidend) meer te zijn. Dat alleen al doet de vertolking ver boven het maaiveld uitsteken.

Hier klopt alles, valt ieder detail in dit volkomen natuurlijk vormgegeven discours op zijn plaats, is de samenwerking tussen solist en orkest net zo ideaal als de volmaakte orkestrale balans en zijn de fenomenaal uitgewerkte contrasten even verbluffend als de ook daarin gedemonstreerde eenheid van opvatting, naast de overrompelende urgentie en (menigmaal meedogenloze) progressie. Dat alles maakt dat de schrille exuberantie van het Eerste en de ingetogen expressie van het Tweede een album hebben opgeleverd dat zich naar mijn beste weten op geen enkele wijze nog laat overtreffen. De schitterende opnamen zetten de auditieve kroon op deze grootse vertolkingen. Dat ze op twee verschillende locaties werden gemaakt blijkt keurig te zijn opgelost door opnametechnicus Erdo Groot (u weet wel, van Polyhymnia in Baarn).

De uitvoeringen van Ibragimova en natuurlijk Oistrach: neem ze, al is het slechts in gedachten, mee naar dat onbewoonde eiland...


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links