CD-recensie

 

© Aart van der Wal, maart 2019

 

Sjostakovitsj: Symfonie nr. 6 in b, op. 54 - King Lear op. 58a (suite) - Feestouverture op. 96 - Symfonie nr. 7 in C, op. 60 (Leningrad)

Boston Symphony Orchestra o.l.v. Andris Nelsons
DG 0289 483 6728 3 • 2.12' • (2 cd's)
Live-opname: februari 2017 (nr. 7); april-mei 2017 (nr. 6, King Lear en Feestouverture), Boston Symphony Hall, Boston (VS)

   

We weten heel veel van het beleg van Leningrad. Althans: we zouden er veel van kunnen weten, want het is tot in de kleinste details door een groot aantal geschiedschrijvers vastgelegd. Zoals er ook een groot aantal documentaires aan is gewijd. We kennen ook de voorgeschiedenis: op 22 juni 1941 viel het Duitse leger zonder nadere aankondiging (er was zelfs geen oorlogsverklaring aan voorafgegaan) het Russisch grondgebied binnen. Toen de oprukkende Duitse oorlogsmachinerie Leningrad naderde, werd besloten om de stad tot het uiterste te verdedigen. In allerijl werden loopgraven rond de stad gegraven en barricades opgeworpen. Maar er werd ook stug verdedigd, met als gevolg dat ondanks de Duitse troepenovermacht de opmars toch kon worden gestuit. De stad was en bleef evenwel omsingeld. Met veel pijn en moeite kon in de daaropvolgende één ‘levensweg' worden aangelegd, al lukte dat alleen over het door een dikke laag ijs bedekt Ladogameer. Zo kon de stad, zij het slechts in zeer beperkte mate, worden bevoorraad en zieken, bejaarden en kinderen naar veiliger oorden worden geëvacueerd. Natuurlijk verliep die bevoorrading uiterst moeizaam en was het onmogelijk om deze miljoenenstad inclusief haar verdedigers over deze 'levensweg' van voldoende voedsel en medicamenten te voorzien. De gevolgen waren rampzalig: er heerste hongersnood en wel in die mate dat zelfs kannibalisme voorkwam, de doden lagen in grote aantallen gewoon op straat of in de huizen. Leningrad was een spookstad geworden. Een stad bovendien die vrijwel voortdurend onder vijandelijk vuur lag en waarop de Luftwaffe talloze bombardementen uitvoerde. Maar ondanks alle verwoede pogingen lukte het de Duitsers toch niet de stad in te nemen. Eind januari 1943 slaagde het Russische leger er zelfs in om, zij het slechts op één plek, de Duitse omsingeling te doorbreken. Toch zou het nog ruim een jaar duren alvorens de vijand definitief kon worden verjaagd. Na de oorlog werd Leningrad met Stalingrad een van de belangrijkste symbolen van de Russische zege op de Duitse overheersing.

Er is die bekende foto van Dmitri Sjostakovitsj als brandweerman op een dak ergens in Leningrad, gemaakt in september 1941, dus vrij kort na de Duitse inval. Het heeft duidelijk iets propagandistisch (de componist was in die tijd allang geen onbekende meer), maar ook iets ontroerends. Hij was in die tijd verbonden aan de door het plaatselijk conservatorium opgerichte vrijwillige brandweerkorps. Toen al sterk bijziend was hij niet geschikt om dienst te nemen in het Russische leger. Misschien wel een geluk bij een ongeluk.

Hoe soberder, nuchterder een verhaal wordt verteld of neergeschreven, des te indrukwekkender het effect. Een schoolvoorbeeld van dat laatste vinden we in 'Omsingeld, notities van een belegerde', van de Russische schrijfster Lidija Ginzburg (1902-1990), na de dood van Anna Achmatova in 1966 (zij overleed op 5 maart van dat jaar in Domodedovo) de belangrijkste vertegenwoordster van het literaire leven in Leningrad. Pas opgetekend in 1983 verhaalt zij daarin van de belegering van de stad zoals die door de inwoners werd ervaren. Zonder opsmuk schetst ze een schrijnend beeld van het dagelijks bestaan (gruwelijkheden komen er niet in voor) onder extreme omstandigheden. Hoe daaronder te kunnen, nee te moeten leven, hoe in leven te blijven, hoe de dagen eruitzagen, hoe aan eten en kachelhout te komen en wat te doen als het er niet was, met altijd weer de op de loer liggende dood.

Tegenover Ginzburgs sobere verteltrant staat de krijgshaftige exuberantie van Sjostakovitsj' Zevende symfonie, waarvan hij de eerste drie delen in Leningrad en het slotdeel in Kuibishev voltooide (waarnaar de familie noodgedwongen was uitgeweken, maar zij kon tenminste nog tijdig wegkomen). We moeten, bij gebrek aan voldoende betrouwbare bronnen, maar op Solomon Volkov vertrouwen, die uit de mond van de componist zou hebben opgetekend dat de symfonie (de toonsoort C-groot straalt optimisme en overwinningsroes uit, zoals we dat ook kennen van de finale van Beethovens Vijfde) het al eerder door Stalin vernietigde Leningrad als onderwerp heeft en dat Hitler de stad nog slechts de genadeklap hoefde uit te delen. Als Sjostakovitsj dat inderdaad zo heeft gezegd? Dan was het in ieder geval niet de 'appartsjiks' ter ore gekomen, want de sovjetpropaganda wist er wel weg mee: het werk werd immers gezien als een in (deels bombastische) muziek gegoten afspiegeling van het lijden, de moed, het verzet van de bevolking van Leningrad; en natuurlijk de uiteindelijke overwinning op het Duitse kwaad. In die zin paste de symfonie volmaakt tussen de raderen van de goed geöliede propagandamachine. Zoals dat voor zoveel vaderlandslievende sovjetkunst gold. Het onversaagde Leningrad dat in het gevecht met de Duitsers model stond voor heel Rusland. De Russische machthebbers hadden natuurlijk een sterk punt: al in het openingsallegretto dat bijna een halfuur in beslag neemt, krijgen we in de onverbiddelijk voortschrijdende mars de heuse pastiche voorgeschoteld van 'Da geh' ich zu Maxim' uit Franz Lehárs operette Die lustige Witwe, naast een duidelijke verwijzing naar Deutschland über alles. De Ouverture 1812 op symfonische leest geschoeid en aangepast aan de gebeurtenissen...

Het waarheidsgehalte van 'Getuigenis' mag dan her en der in twijfel worden getrokken (de door Volkov opgetekende memoires van Sjostakovitsj liggen al jarenlang onder een stevig vuur), het ligt wel voor de hand - en niet alleen op grond van het jaartal van de compositie - dat de 'Leningrad' zowel de vernietigingsdrang van de nazi- als de sovjethorden aan de kaak stelt. Want het kan nauwelijks missen dat in deze muziek zowel een gruwelijke moordmachinerie, ijzeren onverzettelijkheid en overwinningsroes worden uitgebeeld, en in een mate bovendien die alle tot dan toe bekende stilistische grenzen ruimschoots overschrijdt. Het vulgaire en groteske verwerven daarmee een nieuw soort functionaliteit (in die zin is het een stevige uitvergroting van Mahlers muzikale idioom), de menselijke tragiek is - zij het niet zonder barmhartigheid - in een stortvloed van noten gegoten. Het is ook muziek die ons ongeneerd kennis laat maken met de gruwelijke kant van het menselijk handelen, variërend van repressie, oorlog en vernietiging tot dat onzegbare gevoel van verlatenheid dat eens zo treffend werd beschreven door Bernard Haitink in een radio-interview naar aanleiding van een uitvoering van de Vijfde symfonie: de kampgevangene die is bevrijd en zich voor het eerst buiten het kamp mag bewegen, waar een oneindige leegte hem aanstaart. Dat met (veel) minder middelen echter meer kan worden bereikt (of verbeeld) heeft diezelfde componist aangetoond met zijn Achtste strijkkwartet in c-klein, op. 110 (later door Rudolf Barshai bewerkt tot 'kamersymfonie'), gecomponeerd na diens bezoek aan het vrijwel platgebombardeerde Dresden (toen nog in de DDR gelegen).

Wat deze symfonie vooral nodig heeft is een uitgesproken brutale alles-of-niets benadering die afrekent met het idee dat welluidendheid een vooruitgeschoven hulppost is. Dat vraagt om een dirigeerstijl die niet iedereen goed ligt, maar bij Andris Nelsons - hij bewees het al eerder in dit repertoire - zelfs nog een extra uitroepteken krijgt. Dat blijkt al uit de wijze waarop hij - vrijwel uit het niets - de lange mars die het lange openingsdeel zijn enorme dreiging en climax meegeeft, een bijna verpletterende lading meegeeft, al ontkomt ook hij niet aan de platvloersheid die mogelijk Bartók ertoe heeft aangezet om het motief in zijn Concert voor orkest te parodiëren. Maar het is een onomstotelijk feit: de opwinding neemt bezit van de toehoorder omdat Nelsons het affect tot op het bot weet uit te benen. Het is een kolfje naar zijn hand, dat navrante balanceren tussen haat en hoop, tussen doem en herrijzen, met in de kern van het stuk dat groot aangelegde adagio dat eerder een verheven dan sombere toets meekrijgt. Het spel van het Boston Symphony is glorieus, de optelsom van grote orkestrale precisie en de meest krachtige expressiviteit, gevat in een raamwerk van overweldigende, epische dimensies.

De 'straf' voor een dergelijke compositorische exercitie is onevenwichtigheid (Mahlers overspannen Achtste dat kenmerk ook) en natuurlijk heeft ook Nelsons gepoogd die zo goed mogelijk op te lossen (een profylactische aanpak zou de uitvoering grotendeels hebben doen sneuvelen) door de structuur zo hecht mogelijk voor te stellen, de tempowisselingen in breder verband te plaatsen en de transities naar de verschillende segmenten een logische aanlop en vervolg te geven, waarbij het uiteraard een kunst op zich is om, aldus doende, het grillige element niet te verwaarlozen. Dat is Nelsons zonder meer gelukt. Sterker nog, het is een aspect dat na herhaalde beluistering steeds scherper op de voorgrond treedt. Hij moet gedacht hebben dat zelfs het buitensporige, zonderlinge en weerbarstige het beste gediend is met een hechte basis die vanuit diepe concentratie en groot engagement alom tegenwoordig is. Daarvan profiteert ook de spanningsopbouw, die - het is geen wonder - van begin tot eind overtuigt. Waarmee we, alles bij elkaar genomen, te maken hebben met een van meest glorieuze uitvoeringen van deze symfonie. Zie dan vervolgens de toneelmuziek bij 'King Lear' en de Feestouverture als een bonus die niet al te veel om het lijf heeft.

Vergeleken met de 'Leningrad' is de daaraan voorafgaande Zesde symfonie uit 1939 uit geheel ander hout gesneden. Dat houdt overigens geen diskwalificatie of zelfs maar een waardeoordeel in. Het is nu eenmaal een geheel ander werk, maar wel een dat veel boeiende momenten kent. De vorm is misschien wat merkwaardig, met een lang en vooral langzaam openingsdeel (volgens dat typische Sjostakovitsj-recept), dat wordt gevolgd door twee korte snelle delen: een flitsend scherzo en een wild galopperende, burleske finale (wie goed luistert hoort in deze afrondende rondborstige muzikale klucht zelfs een hilarische verwijzing naar de ouverture Wilhelm Tell van Rossini). Ook deze uitvoering maakt duidelijk hoezeer Nelsons zich in Boston idiomatisch verbonden moet hebben gevoeld met deze muziek: met zoveel dwingende kracht hoor je dit werk slechts zelden. Het lijkt 'slechts' en kwestie van nauwkeurige frasering ritmische precisie, de juiste accenten en goed gekozen tempi, maar daardoor begint de gelaagde, meanderende expressie - en dan met name in dat openingsdeel (largo) - pas echt goed vorm te krijgen. Sterk is ook dat een Amerikaans orkest in staat blijkt het idiomatische karakter van deze muziek werkelijk het volle pond te geven. We weten van sommige westerse orkesten dat door 'soft focus', of anders gezegd een uiterst beschaafde benadering de spanning al snel wegebt.

We hadden van de Bostonians onder Nelsons - afgezien van de 'losse' orkestwerken - al de nummers 4, 5, 8, 9, 10 en 11, eveneens vastgelegd in grootse stijl, waar dan nu de nummers 6 en 7 aan zijn toegevoegd. De weg naar een integrale cyclus is dus nog lang (er wachten nog zeven symfonieën met ter aanvulling ongetwijfeld nog een aantal andere orkestwerken), maar als het vooruitzicht kan worden afgemeten aan wat inmiddels tot stand is gebracht, wacht ons nog heel veel moois. Zelf ben ik vooral benieuwd naar de laatste drie symfonieën. Aan de opname zal het zeker niet liggen, want de kwaliteit ervan is onverminderd hoog: zoveel definitie en sonoriteit hoor je niet iedere dag.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links