CD-recensie

 

© Aart van der Wal, september 2018

 

Sjostakovitsj: Symfonie nr. 4 in c, op. 43 - nr. 10 in e, op. 93

Russian National Orchestra o.l.v. Mikhail Pletnev
Pentatone PTC 5186647 • 75' + 58' • (2 sacd's)
Opname: februari 2017, Philharmonia 2, Moskou

   

Een volbloed Rus op de bok, een volbloed Russisch orkest op het podium en een volbloed Russische componist: op papier zou dit voor menigeen een onverslaanbare combinatie kunnen of moeten zijn, maar het resultaat wijst helaas anders uit: de teleurstelling is groot.

Het heeft er alle schijn van dat dirigent Mikhail Pletnev er veel aan gelegen is geweest om het anders te doen, met een nieuwe, frisse blik naar deze zo vertrouwde stukken te kijken. Mogelijk heeft hij de beide symfonieën eerst op zijn ontleedtafel gelegd om ze vervolgens stukje bij beetje weer op te bouwen. Zijn daaruit resulterende pathologisch-anatomische bevindingen heeft hij vervolgens meegenomen naar de studio en aldus in de praktijk gebracht. Alle waardering voor het ongetwijfeld vele werk dat Pletnev erin heeft gestoken, maar wat we te horen krijgen is de uitermate povere uitkomst van een lezing die zo buitenissig is dat die het werk van de componist zelfs in de schaduw stelt. Het wordt al bij de eerste inzet van de Vierde symfonie duidelijk: het draait toch vooral om Pletnev en minder om Sjostakovitsj. Het volkomen uit zijn verband gerukte, afgebeten begin zet de toon voor een gekunsteld traject met cesuren en accenten uit de eigen hoed en irritant trage tempi. Robuustheid maakt plaats voor stroperigheid, doortastendheid wordt opgeofferd aan een dwaaltocht die nergens naartoe leidt. We worden geconfronteerd met een alleen al vanuit structureel perspectief zich hopeloos ontwikkelende lezing zonder enige kop of staart, episodisch van gestalte en compleet ontdaan van de hechtheid die Sjostakovitsj wel degelijk in zijn meest vooruitstrevende partituur heeft gelegd (hoe jammer is het niet dat het daarbij is gebleven).

Pletnevs lezing staat, vooral door de langzame tempi, voortdurend in het teken van overdreven expressie. Zeker, het is een aspect dat de lyrische passages in deze muziek met verve onderstreept, maar de consequentie ervan is helaas ook dat er teveel aandacht uitgaat naar minder belangrijke motieven. Vervelend is ook dat de toehoorder zich ten onrechte ineens bewust wordt van een agogisch accentuering of van een op zich fraaie houtblazersmelodie die bedoeld of onbedoeld echter in brokstukken uiteenvalt. Het is een 'Verfremdung' die - het staat voor mij zo vast als een huis - door Pletnev is bedacht en die door de componist niet als zodanig is bedoeld. Pletnev ziet geen onderscheid in avontuur en mystiek en ziet geen kans om ruimte en tijd vanuit een organisch concept te creëren.

Niet alleen de Vierde, maar ook de Tiende lijdt onder Pletnevs grillige aanpak. Het beeld is daar niet veel anders, met even weinig inzicht in het door de componist in zijn partituur uitgezette discours. Waar felheid en scherpte moeten domineren is er het comfortabele fluweel van een typisch karajaneske aanpak (in Karajans tweede en niet zijn eerste opname van het werk), waardoor het werk merendeels van zijn belangrijkste impact wordt ontdaan.
Pletnevs visie op de Tiende is soft focus, cynisch noch bijtend, sarcastisch noch wispelturig. Waarbij de opname evenmin helpt: Pletnevs soft focus heeft ook achter het regelpaneel blijkbaar aanstekelijk gewerkt. De boodschap komt daardoor onvoldoende door, zelfs niet in de roemruchte coda aan het slot van het werk, met dat hier verre van priemende motto DSCH. Met de door Andris Nelsons geleide Bostonians onder handbereik had het verschil niet groter kunnen zijn. Maar daarover later meer.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links