CD-recensie

 

© Aart van der Wal, januari 2008


 

Sjostakovitsj: Strijkkwartet nr. 2 in A, op. 68 (versie voor strijkorkest in de bewerking van Marijn van Prooijen) - nr. 4 in D, op. 83 (versie voor strijkorkest in de bewerking van Marijn van Prooijen).

Amsterdam Sinfonietta.

Channel Classics CCS SA 26007 • 64' • (sacd)

 


In het cd-boekje wordt het terecht vermeld: 'Niet alle strijkkwartetten (van Sjostakovitsj, AvdW) lenen zich ervoor uitgevoerd te worden door een strijkorkest. Soms is de instrumentale opzet te kwetsbaar of lijkt een uitvoering technisch niet haalbaar.' Ik zou eraan willen toevoegen dat het niet zozeer om die instrumentale opzet gaat, maar om zowel de melodische en de harmonische textuur. De instrumentale opzet doet er op zich niet zoveel toe: doorgaans is de bezetting van het strijkkwartet 2 violen, altviool en cello. Die kan vrij gemakkelijk worden uitvergroot naar 12 violen, 3 altviolen en 4 celli. Dan heb je een klein bezet strijkorkest, dat tenslotte dan nog wordt aangevuld met 2 contrabassen. Daarmee is het bescheiden klankvolume van het strijkkwartet althans in relatieve zin in ieder geval aanmerkelijk groter gemaakt. Meer volume, niet meer muziek (vaak zelfs minder).

De beide hier gepresenteerde kwartetten werden door de bassist Marijn van Prooijen van een baslijn voorzien. Daarmee trad hij feitelijk in de voetsporen van Rudolf Barshai, die eveneens meerdere kwartetten van de Russische componist 'onder handen nam' en ze geschikt maakte voor uitvoering door een strijkorkest. De voor de hand liggende vraag is dan: "waarom heeft de componist dat zelf niet gedaan?" Het antwoord is even voor de hand liggend: "het werk is alleen voor uitvoering door een strijkkwartet geconcipieerd." Dat betekent dus dat de componist uitsluitend de eigenschappen van het strijkkwartet in zijn imaginaire klankwereld heeft betrokken. In iedere bewerking, hoe gering ook, wordt aan de touwen van het origineel getrokken. Het nadeel: het werk wordt niet in zijn oorspronkelijke staat gespeeld. Het voordeel: een (mogelijk) grotere bekendheid (niet iedere muziekliefhebber loopt warm voor kamermuziek). Bovendien is dit het enige mij bekende arrangement van deze beide strijkkwartetten

Moeten we de neus optrekken voor dergelijke bewerkingen? Zo uitzonderlijk zijn ze niet. Schönberg deed het met het Pianokwartet in g van Brahms. Een groot succes (al heeft Brahms het niet mee mogen maken). Mahler deed het o.a. met Schuberts kwartet 'Der Tod und das Mädchen' en Beethovens op. 95. Bernstein kwam met Beethovens kwartet op. 131. En wie kent de Grosse Fuge op. 133 niet in de bezetting voor (groot) strijkorkest? En die zo populaire, zuchtende treurmuziek, Barbers Adagio for strings? Maar ook het vrij intieme Adagio en Fuga in c, KV 541 van Mozart ontkwam er niet aan, maar wordt wel een toonbeeld van misvorming onder het soortelijk gewicht van alle strijkers van de Berliner Philharmoniker onder Karajan (een lot dat Albinoni's Adagio trouwens ook beschoren was...)

Wat de meeste stukken in ieder geval met elkaar gemeen hebben is de symfonische allure die ze uitstralen, maar dan wel gevat in kamermuzikale intimiteit. Maar zelfs het beste strijkorkest kan nooit en te nimmer zó nuanceren als een strijkkwartet. Zelfs de terecht zo geroemde strijkers van de Wiener Philharmoniker niet, toen ze met Bernstein aantraden in Beethovens op. 131 (DG).

Conrad van Alphen, de dirigent van het Rotterdams Kamerorkest (hij nam onlangs voor het label Talent de strijkkwartetten nr. 1 in C, op. 49 , nr. 8 in c, op. 110 en  nr. 10 in As, op. 118 in de bewerking voor strijkorkest van Rudolf Barshai op) reageerde op mijn opmerking dat schaalvergroting niet tot expressieve vergroting leidt, als volgt:  "Ik ben er ook mee eens dat schaalvergroting niet per se het gewenste resultaat heeft, en het soms juist minder indrukwekkend maakt. Mijn mening is dat het van het stuk afhangt. Zoals je zelf al hebt opgemerkt zijn de bewerkingen van Mahler van Beethovens en Schuberts kwartetten gestoeld op het symfonische karakter ervan. De muziek van Sjostakovitsj is een heel specifieke taal, en veel van zijn kwartetten hebben een bepaald karakter, een grote emotionele lading of ruigheid die bij uitvergroting naar strijkorkest wel naar mijn mening een extra dimensie geven. Wij hebben inderdaad de Barshai-bewerkingen opgenomen, maar ik heb die niet blindelings gevolgd. Een voorbeeld: in het derde deel van op 118a hebben de celli in de opening het thema. Het zou niet zinvol zijn hier de bas ook de melodie te laten spelen. Barshai heeft er hier voor gekozen dat de bassen de lijn van de alten meespelen. Maar dit vind ik juist een voorbeeld van uitvergroting die niet het gewenste effect heeft. Ik laat op die plek de bassen dus lekker rusten! Ook ga ik iets vaker terug naar het originele solokwartet dan Barshai voorschrijft."

Geen consequente basverdubbeling dus? Dat zag Marijn van Prooijen toch duidelijk anders. Hij verdubbelde ook waar hij het mijns inziens beter achterwege had kunnen laten (hoewel over smaak altijd valt te twisten), zoals in de zo 'kwetsbare' relatie tussen bijvoorbeeld de altviool- en de cellopartij, waar juist de kracht van de zich ontwikkelende klankkleuren in de spaarzame textuur ervan besloten ligt. Die paradox was Sjostakovitsj op het lijf geschreven, maar verliest zijn effect bij schaalvergroting annex een toegevoegde baslijn. Misschien is er durf voor nodig om wanneer gewenst zonder dralen om te schakelen naar de spaarzame dimensies van het strijkkwartet? Zelfs Barshai, die - evenals de dirigent Jevgeni Mvravinski - Sjostakovitsj persoonlijk goed had gekend trapte in deze min of meer openstaande val. 

Het Amsterdam Sinfonietta dankt zijn klankcultuur toch in de eerste plaats aan de gedreven Russische dirigent Lev Markiz, die vanaf de oprichting van het ensemble in 1988 op de kop af een decenniumlang heeft geveild aan zowel de klankcultuur als de interpretatieve aspecten. In 1998 werd hij afgelost door Peter Oundjian, de eerste violist van het Tokyo Quartet. Vijf jaar later werd de fakkel overgenomen door de concertmeester Candida Thompson, die ook op deze nieuwe sacd het ensemble aanvoert.

Sinds Markiz is er veel veranderd. Markiz was een échte dirigent, die een grote greep had op het ensemble, er zijn onmiskenbaar persoonlijke stempel op drukte. Na hem werd dat allengs toch wel wat minder. Thompson (concertmeester sinds 1995) houdt de boel in de beide strijkkwartetten goed bij elkaar, er wordt prachtig gemusiceerd, de ensembleklank is hecht en doorzichtig, de intonatie vlekkeloos, maar wat ik hier en daar toch wel mis is een dirigent met een sterke(re) visie op deze zo bijzondere muziek. Een leider die deze muziek in het merg zit, daarvoor alles uit de kast haalt, een zowel gloedvol als schrijnend betoog weet neer te zetten en een puls hanteert die de onderstroom van melancholie en spanning maximaal expressief laat stromen. Een dirigent ook die weet dat ook in pianissimo passages de onderhuidse spanningen voelbaar moeten zijn. Zoals Markiz die zijn grootse visie op de strijkkwartetten op. 110 en 118 met zijn ensemble zeer overtuigend wist te realiseren (toen nog voor het label Challenge Classics). Het is - zoals in de symfonieën - zo'n beetje het verschil tussen de ruige en soms zelfs woeste, maar vooral verbeten aanpak van een Mravinski, Kondrashin, Rozjdestvenski, Barshai en de gecultiveerder benadering van Haitink (Jansons lijkt er dan net tussenin te zitten).

De opname is (weer) een klasse apart en gemaakt op twee locaties: het tweede kwartet in de Leidse Stadsgehoorzaal en het vierde kwartet in het Amsterdam Muziekgebouw aan 't IJ. Zoals al lang gebruikelijk bij Channel Classics is de gebruikte apparatuur deels van Nederlandse makelij: Ad van Medevoort leverde de versterkers, Audiolab de monitorspeakers, A.J. van den Hul de bekabeling en Rens Heijnis de mengtafel.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links