CD-recensie

 

© Aart van der Wal, mei 2021

Valentin Silvestrov- Orchestral Works Vol 1 & 2

Silvestrov: Monodia (1965) (voor piano orkest) - Symfonie nr. 4 (1976) - Postludium (1984) (voor piano en orkest)

Ivan Sokolov (piano), Ural Philharmonic Orchestra o.l.v. Andrej Borejko
Megadisc MD 7837 • 67' •
Opname: 1992, Filharmonie, Jekaterinenburg

Silvestrov: Symfonie nr. 5 (1980/82) - Exegi Monumentum (1985/87) (voor bariton en orkest)

Sergej Jakovenko (bariton), Ural Philharmonic Orchestra o.l.v. Andrej Borejko
Megadisc MD 7836 • 69' •
Opname: 1992, Filharmonie, Jekaterinenburg

https://megadisc-classics.com

 

 


Het moet voor veel kunstenaars een ongekende beproeving zijn geweest: het zoeken en vinden van een eigen weg in het stalinistisch labyrint. De eis aan hen die zo uitdrukkelijk op tafel lag: het volk van de Sovjet-Unie ‘dienen' met kunst die ook voor de gewone arbeider te begrijpen, te verstaan was. De artistieke productie die zich diende te richten op de verheffing van het volk. Wie er niet aan kon of wilde voldoen of nog erger, tegen de stroom inroeide, wachtte excommunicatie met alle denkbare maatschappelijke en financiële gevolgen van dien. Geen componist, geen musicus die ontkwam aan de fijnmazige netten van de alom heersende toonkunstenaarsbond. Wie echt wilde vernieuwen moest daarvoor een zeer hoge prijs betalen. De apparatsjiks kenden geen mededogen.

Natuurlijk waren er slimmeriken die hun ‘boodschap' besmuikt in hun muziek wisten te verpakken, maar voor het merendeel bleef dit buitengewoon lastig te betreden terrein. Het alternatief met het oog op de eigen levensvoorziening: componeren naar de mond van de Grote Leider of anders lesgeven, filmmuziek schrijven of arrangeren. Waarmee de koek schoon op was.

Voor Valentin Silvestrov (1937) zag het beeld er iets gunstiger uit. Hij was immers pas zestien toen Stalin naar het mausoleum verhuisde, maar wel oud genoeg om de verschrikkingen tot dan deels aan den lijve te ondervinden. Deze in het toen straatarme Oekraïense Kiev geboren en daar nog steeds wonende componist heeft een nogal eenvoudig uitgangspunt tot het zijne gemaakt: "Ik componeer alleen wat mij bevalt en niet wat anderen bevalt noch wat de tijd mij dicteert te doen. Anderzijds ben ik onderworpen aan een (economische) conjunctuur die het bewustzijn versluiert. Ik dien schoonheid te zoeken." Een zo op het oog nogal eenvoudige opdracht.

Al was dat beeld voor de dan nog piepjonge Silvestrov na de dood van Stalin gunstiger, ideaal was het bepaald niet. Na het aantreden van de nieuwe partijleider Nikita Chroesjtsjov kwam weliswaar enige dooi op gang, maar Silvestrov gedroeg zich in de ogen en oren van het Kremlin toch wel als een enfant terrible dat zich recalcitrant als hij was tegen de heersende nomenclatuur verzette en weinig ophad met de alom vertegenwoordigde sovjetbureaucratie. Dat betekende vrijwel steevast geen privileges, nauwelijks comfort, geen recht op staatspensioen, geen uitreisvisum en al helemaal geen auto in de garage (een van de ‘verworvenheden' die zijn collega Sjostakovitsj wel ten deel was gevallen; met chauffeur zelfs).

In de jaren zestig (het kon weer) bediende Silvestrov zich in zijn composities van de modernste, meest avant-gardistische technieken, maar evenals zijn Estlandse collega Arvo Pärt stapte hij midden jaren zeventig daar onverbiddelijk vanaf. Pärt werd een soort eigentijdse Palestrina, Silvestrov koos voor wat hij als de 'metaforische stijl' betitelde. Wat erop neerkwam dat hij naar de postmoderne richting opschoof, een daad die hem niet in alle kringen, en al helemaal niet door de avant-gardisten, in dank werd afgenomen.

Silvestrov zei het zo: "In welke taal men ook spreekt, een geliefd werk is niet door directe gedachten sterk, maar door een zinnebeeld, een allegorie. Dit zinnebeeldige moet in de taal, die ik als niet actueel bestempel, nog sterker zijn. Als ik 'verouderde' fonetiek gebruik heb ik die als de mijne gearticuleerd. Want alles wat tot nu toe levendig is gebleven kan met een huidig, op dit moment opverend woord uitgesproken worden. En zo kan een nieuwe taal ontstaan. Het komt mij voor dat ik deze tot op de huidige dag spreek."

Valentin Silvestrov

Zo kun je dus ook pianoconcerten, symfonische gedichten, symfonieën, solo- en koorwerken en kamermuziek componeren. De allegorie die symbool staat voor iets geheel anders, of anders gezegd een met vele verschillende (inhoudelijk meestal ontoegankelijke) facetten omgeven metafoor. Niet zoals in de stalinistische tijd als ‘uitvlucht' gebruikt, maar n een geheel andere context gevat. Niet echt nieuw, maar wel echt anders: de varianten die zijn uitgedokterd roepen vooral herinneringen op aan weleer (het Weense fin-de-siècle springt in herinnering), maar ze zijn wel degelijk anders ‘geframed'. Enerzijds maakt Silvestrov oude dingen nieuw, anderzijds heeft hij een voorliefde voor het cerebrale. Dat laatste blijkt bijvoorbeeld uit het doelbewuste gebruik van boventonen als compositorisch vehikel (‘noosphere', van het Griekse ‘noos' ofwel ‘verstand'). Het lijkt op een pastiche, maar is het dat ook werkelijk?

Postmodernisme, jawel, maar niet op een gemakzuchtige manier. Silvestrov is de componist van de open einden, hij streeft geen proces na dat per definitie naar een doel moet voeren dat zichzelf ten slotte oplost. Liever mistnevels, fragmentatie, zomaar wat flarden, uitvergroting of juist verdichting; en dat alles dan vooral niet te snel: Silvestrov houdt van langzame tempi. Wat hij zich daarbij voor ogen heeft is een net zo langzaam desintegrerende structuur zonder dat de muziek erdoor wordt onderbroken. Het aan de luisteraar zich opdringende beeld heeft ook iets van een kwelgeest die ruim vijftig minuten lang een echt fortissimo uit de weg gaat (zoals in de tussen 1995 en 2002 gecomponeerde Zesde symfonie) of dat het crescendo al uitdooft voordat het goed en wel is begonnen. Bij Silvestrov domineert de onthechtheid, waardoor zijn muziek mijlenver afstaat van die van een Goebaidoelina, Oestvolskaja of Schnittke. Silvestrov is ook geen typische collagecomponist.

Hij is bij tijd en wijle wel een ‘in memoriam' componist. Hij richt monumenten-in-klank op waarvan de betekenis (of de strekking) ons niet per se duidelijk hoeft te worden. Voor ons is het de muziek zelf waar het om gaat, niet meer, niet minder. En als het geen ‘in memoriam' is? Dan is het wel een hommage aan deze of gene. Of beide, waarvoor uiteraard het zelfde geldt. Zo droeg Silvestrov Exegi Monumentum op ter nagedachtenis van Grigori Gavrilenko. Voor ons niet zozeer belangrijke namen, voor hem uiteraard wel. Al zijn er uitzonderingen, zoals de Vijfde symfonie die is opgedragen aan de dirigent Roman Kofman, die veel voor de verspreiding van Silvestrovs orkestwerken heeft betekend. Dankbaarheid in noten dus, waar uit de aard der zaak niets mis mee is.

Dieper in Rusland bestaan er ook uitstekende orkesten, zoals het Oeral Filharmonisch Orkest uit Jekaterinenburg en het in Novosibirsk gehuisveste Musicaeterna (met zijn soms al te eigenzinnig opererende chef Teodor Currentzis). Kort en goed: in de Oeral wordt uitstekend muziek gemaakt. Dat bleek al eerder (zo besprak ik onlangs hier de Oestvolskaja-uitgaven).

Wat deze door het Franse Megadisc uitgebrachte Silvestrov-albums nog interessanter maakt is dat de componist zelf nauw betrokken is geweest bij de totstandkoming ervan. Met andere woorden, er gaat authenticiteit vanuit, wat ze nog eens extra waardevol maakt. Silvestrov is nog steeds onder ons, in de gezegende leeftijd van 83 jaar. Toen hij in 1992 de opnamen bijwoonde was hij 55. Vijf jaar later, in 1997 was hij present tijdens het monteren en remasteren. Grote kans dus dat hij daar aan die montagetafel mede verantwoordelijk is geweest voor het kiezen van de takes! De opnamen zijn in een woord subliem. Wel een foutje op de achterzijde van de cover: Exegi Monumentum was niet ter nagedachtenis van Silvestrovs echtgenote Larissa Bondarenko. Zij overleed onverwacht in 1996, negen jaar na de voltooiing van Exegi Monumentum. Aan haar wijdde de componist zijn Requiem for Larissa.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links