CD-recensie

 

© Aart van der Wal, december 2016

 

Schubert: Strijkkwartet nr. 14 in d, D 810 (Der Tod und das Mädchen)

Sibelius: Strijkkwartet in d, op. 56 (Voces intimae)

Ehnes Quartet (James Ehnes en Amy Schwartz Moretti, viool; Richard Yongjae O'Neill, altviool; Robert deMaine, cello)

Onyx Classics 4163 • 74' •

Opname: oktober 2015, Potton Hall, Westleton, Suffolk (VK)

   

Men hoeft niet al te ver te zoeken om de verbintenis tussen deze beide strijkkwartetten te vinden. Wat ze samenbrengt is een gevoelswereld waarin de dood een dominante rol vervult. In het Schubert-kwartet is het de thematiek van ‘De dood en het meisje' in het tweede deel, de diepgravende variaties over zijn eigen lied ‘Der Tod und das Mädchen' op tekst van Matthias Claudius. Het is het romantisch aangezette, sterk contrasterende beeld van de ontmoeting tussen de dood en het meisje (met aan het slot van het lied het opkomende, huiveringwekkende ritme dat de dood symboliseert) en het uiteindelijk rustig verglijden naar de eeuwige slaap (de toonsoort wisselt van het donkere d-klein naar het oplichtende F-groot, om ten slotte uit de monden in het afsluitende, onwankelbare D-groot). Schubert die in het kwartet de tekst naar de letter volgt: ‘Sei gutes Muts! ich bin nicht wild, sollst sanft in meinen Armen schlafen'.

Heel wat minder romantisch was de aanleiding tot het donker getinte en tevens enige strijkkwartet van Jean Sibelius, voltooid in 1909, het jaar waarin hij voor keelkanker werd behandeld en tenauwernood aan de dood wist te ontsnappen. Er zijn in dit opzicht duidelijk overeenkomsten met de niet minder sombere Vierde symfonie (in de eveneens donkere toonsoort van a-klein). Sibelius wandelde door het ‘dal van de dood' (Erik Tawastsjerna), maar het licht dat hem uiteindelijk tegemoet straalde was gelukkig niet van korte duur: hij werd genezen en leefde daarna zelfs nog bijna een halve eeuw. Evenals in Beethovens vijftiende kwartet in a op. 132 is er in het kwartet van Sibelius wel de sfeer van tragiek maar niet die van troosteloosheid, al liggen onherbergzaamheid en isolement in elkaars verlengde. Het naar grote diepte afdalende Adagio di molto is in expressief opzicht zeker verwant aan Beethovens ‘Canzona di ringraziamento' (‘Heiliger Dankgesang eines Genesenden an die Gottheit, in der lydischen Tonart'), eveneens Molto adagio, uit het kwartet in a, op. 132. Bij Sibelius is het ‘gewoon' a-klein, bij Beethoven is dit deel echter gehuld in een (diationische) kerktoonladder. In beide kwartetten staat de genezing centraal na een ernstige ziekte, zij het dat dit bij Beethoven van korte duur zou blijken te zijn. Wie iedere bijgedachte laat varen hoort in ieder geval schitterende muziek.

Het Ehnes Quartet bewees zich al eerder in twee strijkkwartetten van Sjostakovitsj en doet dat nu opnieuw, met pure modeluitvoeringen die alles in zich hebben om ver boven het maaiveld uit te steken: we bevinden ons wat Schubert betreft in het domein van topensembles als het Quartetto Italiano, het Takács, het Belcea en het Artemis. In het kwartet van Sibelius kan het Ehnes het met een gerust hart opnemen tegen het Emerson, Tetzlaff en Leipziger kwartet. Daarmee is zo ongeveer alles gezegd wat echt van belang is. Of het zou de opname moeten zijn die van Onyx-klasse is. Ook dat zegt wel wat.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links