CD-recensie

 

© Aart van der Wal, maart 2017

 

Liebesfrühling - Liederen en duetten van Robert en Clara Schumann

Robert Schumann: Tragödie op. 64 nr. 3 - Vier Duette op. 34 - Vier Duette op. 78

Robert & Clara Schumann: Zwölf Gedichte aus Friedrich Rückerts Liebesfrühling op. 37

Clara Schumann: Sechs Lieder op. 13

Liesbeth Devos (sopraan), Peter Gijsbertsen (tenor), Jozef De Beenhouwer (piano)

Phaedra PH 292036 • 70' •

Opname: juli 2016, Blauwe Zaal, deSingel, Antwerpen

 

Toeval bestaat niet. Ik las in de ‘Schumann Briefedition', deel 1 uit de tweede serie ‘Freundes- und Künstlerbriefwechsel' (ISBN 978-3-86846-002-5), toen deze cd onaangekondigd op de deurmat viel: ‘Liebesfrühling', liederen en duetten van Robert en Clara Schumann.
Wie de verschillende briefwisselingen volgt ontdekt al snel dat de beide echtelieden gelijkgestemde zielen waren en dat hun vrienden- en kennissenkring niet veel van elkaar verschilden. Als Clara ziek was antwoordde Robert met het grootste gemak, min of meer vanzelfsprekend, op een aan haar geadresseerde brief. Zo ook Clara bij ontstentenis van haar man. Na Roberts dood in 1856 zette Clara de briefwisseling met de vrienden- en kennissenkring gewoon voort, maar er ontstonden tevens nieuwe relaties die zij met de van haar zo bekende zorgvuldigheid rimpelloos onderhield. Wat die correspondentie verder zo interessant maakt is dat zij ons veel meer dan alleen maar een inkijkje gunt in de persoonlijke levensomstandigheden en de ‘arbeidsvoorwaarden' in die tijd. Alsof de klok in forse stappen wordt teruggezet. Daarnaast maken we uitvoerig kennis met de maatschappelijke en sociale mores en hoe zowel de Schumanns als hun briefpartners daarmee omgingen. Boeiend is ook om te lezen over wat hen zoal in het dagelijks leven bewoog en welke meningen zij er op het gebied van de schone kunsten op nahielden. Kortom, aanbevolen!

Maar nu de cd, waarvan de titel is ontleend aan de uitgebreide reeks liefdesgedichten van Friederich Rückert (1788-1866), waarvan de beide Schumanns er twaalf op muziek hebben gezet: Robert componeerde zes liederen en drie duetten, Clara drie liederen. Ze schreef weliswaar nog een vierde lied, maar die werd niet in de bundel opgenomen, zoals die 1841 bij Breitkopf & Härtel verscheen onder de titel ‘Zwölf Gedichte aus Fr. Rückert's Liebesfrühling für Gesang und Pianoforte von Robert und Clara Schumann'. Merkwaardig genoeg werd bij ieder afzonderlijk lied in de bundel de naam van de componist niet vermeld! Het publiek moest dus maar raden wie wat had gecomponeerd! Dat heeft overigens ook veel later nog tot de nodige verwarring geleid: pas kort geleden werd ´Liebesfrühling' in zijn ongeschonden, oorspronkelijke vorm uitgevoerd.
De vraag of het verstandig is om deze liederen afwisselend toe te wijzen aan mannen- en vrouwenstem laat zich niet zo gemakkelijk beantwoorden. Zelf houd ik het erop dat het een kwestie van smaak is (het is in ieder geval wel mijn smaak). Natuurlijk kan men aan de hand van de tekst soms enigszins bepalen of een mannen- dan wel vrouwenstem in aanmerking komt, maar vaststaat alleen de omschrijving ‘Gesang' in de titel van de oorspronkelijke uitgave. Die laat dus duidelijk meerdere mogelijkheden open.

‘Liebesfrühling' wordt wel aangeduid als cyclus, maar is het in feite niet omdat geen sprake is van een doorlopende handeling noch van enigerlei aanwijsbare thematische overeenkomst tussen de liederen. Ze staan duidelijk op zichzelf, terwijl de met de tekst verweven muzikaal dichterlijke stemmingsbeelden voor veel afwisseling zorgen. De werktitel geef al aan waar het om draait: liefde en lente, een veel beproefde poëtische combinatie met daarin centraal de fijnzinnig vormgegeven natuur- en gevoelslyriek. En omdat het om poëzie van Rückert gaat diens typische ‘woordmuziek'. Het is van begin tot eind een betoverend vocaal en instrumentaal kleurenspel van een inhoudelijk rijke signatuur. Wie is toegespitst op kwalitatieve verschillen tussen het componeren van Robert en Clara komt bedrogen uit: van een creatief of technisch niveauverschil tussen de muziek van de beide echtelieden is geen enkele sprake. Dat we Roberts liedkunst beter kennen dan die van Clara doet overigens niets af aan haar prestaties als creatief kunstenaar.

Hoewel ‘Liebesfrühling' het ‘hoofdwerk' op deze cd is, valt er nog beduidend meer te genieten. In Schumanns liedoeuvre lijkt ‘Tragödie' (op teksten van Heinrich Heine) een wat vreemde eend in de bijt. Het betreft twee sololiederen en een duet (voor sopraan en tenor) met pianobegeleiding, uitgegeven in 1847. Dat was echter niet de oorspronkelijke opzet: het was Schumanns ‘eerste poging tot een vocale compositie met orkestbegeleiding' (voor strijkorkest, aangevuld met enige blazers). De oorspronkelijke partituur daarvan dook pas op in 1991 op en bevindt zich nu in het archief van het Heinrich-Heine-Institut in Düsseldorf. De eerste publicatie van deze versie volgde in 1994, door Bernhard R. Appel. Evenals ‘Liebesfrühling' viel ook ‘Tragödie' ten prooi aan verwarring: in de meeste lieduitgaven en -opnamen is zelfs sprake van een onvolledige cyclus met een ontbrekend duet, een tenenkrullende omissie die met deze nieuwe Phaedra-opname hopelijk in ieder geval is rechtgezet.

Anders dan Gustav Mahler die zijn eega zelfs verbood om nog langer liederen te componeren, stimuleerde Robert zijn Clara daarin juist. Voor haar sneed het mes zelfs aan twee kanten: ze ervoer het als een belangrijke stimulans en genoot bovendien het voordeel van Roberts bekendheid, wat het haar gemakkelijker maakte om haar liederen snel gepubliceerd te krijgen. De ‘Sechs Lieder' op. 13 schreef Clara in de winter van 1840/41. Ze werden in 1843 door Breitkopf & Härtel uitgegeven. Dat Robert Clara's compositorische talent al spoedig had herkend zegt zeker iets over de kwaliteit ervan, al voeg ik er gelijk aan toe dat de hechte relatie tussen hen beiden enige objectiviteit wel in de weg kan hebben gestaan. Maar men kan zich uiteraard zelf overtuigen door naar Clara's liederen te luisteren! Daaruit blijkt aanzienlijk meer dan slechts middelmatig talent. Haar eminente pianospel zal haar in conceptueel opzicht zeker ook daarbij hebben geholpen. Ook haar keuze van de gedichten (van Heine, Geibel en Rücker) verraadt goede smaak en de muzikale ‘vertaling' ervan getuigt van haar niet geringe inbeeldingsvermogen.

De jaren 1840 en 1849 worden in het algemeen beschouwd als Schumanns ‘Liederjahre', gemeten naar productie én kwaliteit. Daaronder ook meerdere reeksen van vier duetten voor sopraan en tenor met pianobegeleiding. Op. 34 ontstond in 1840, op. 78 in 1849. Voor de dichters in kwestie had hij al eerder een warm plekje bewaard: Robert Buns (1759-1796), Justinus Kerner (1786-1862) en wederom Friederich Rückert, naast verzen van Johann Wolfgang von Goethe 1749-1832), Friedrich Hebbel (1813-1863), Robert Reinick (1805-1852) en Anastasius Grün (1806-1876). Ook in deze duetten staat de liefde centraal, maar ook verlangen en weemoed, geliefde thema's in de Romantiek.

We mogen met deze cd bijzonder blij zijn, zowel wat betreft het repertoire als de zang- en begeleidingskunst. Frasering en stemkleuring combineren ideaal met tekstbeleving en expressieve diepgang, daarbij ondersteund door de buigzame begeleidingskunst van Jozef De Beenhouwer. Het sentimentele element in deze wereld van melancholie en liefdesverdriet krijgt gelukkig nergens de overhand dankzij een wel geëngageerde maar nooit overdreven projectie. De opname kent een fraaie balans en een gloedvol aura.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links