CD-recensie

 

© Aart van der Wal, november 2013

 

Schumann: Pianosonate nr. 2 in g, op. 22 - Waldszenen op. 82 - Gesänge der Frühe op. 133 - Im Herbste WoO 10 nr. 3*

Mitsuko Uchida (piano), Dorothea Röschmann (sopraan)*

Decca 0289 478 5393 • 59' •

Opname: 28 mei-1 juni 2013, Reitstadel, Neumarkt (D)

   

Bijna twee decennia geleden besprak ik in Luister Schumanns Kreisleriana en Carnaval onder de handen van Mitsuko Uchida, in een Philips-uitgave uit 1995. Ik was er niet onverdeeld enthousiast over: Uchida wilde teveel en bereikte daardoor te weinig. Melodisch te strak in het gelid, soms bijna mechanisch, soms uitgesproken gekunsteld. We werden bovendien vergast op eigenzinnige vertragingen en versnellingen, met daardoor uit het verband gerukte frases en een gebrek aan overtuigende spanningsopbouw. Nee, dat was geen Schumann om mee weg te lopen. Philips, toen toch bekend om zijn geweldige piano-opnamen (zeker vergeleken met Decca die de pianoklank slechts incidenteel echt in de vingers kreeg), liet het er ook nog eens stevig bij zitten.

Zo'n twintig jaar verder heeft Uchida, ze wordt volgende maand 65, zich inmiddels danig gerevancheerd. Dat bleek al uit haar vorige opname, eveneens voor Decca en verschenen in 2011, met de Davidsbündlertänze (van de zeventien dansen zijn er minder dan een handvol waarop echt kan worden gedanst!) en de Fantasie op. 17.

Op deze cd niet alleen drie pianowerken maar ook het lied 'Im Herbst(e)', hier voortreffelijk gezongen door Dorothea Röschmann, dat Schumann rond 1840 componeerde op een tekst van Justinus Kerner
(1786-1862):

Zieh' nur, du Sonne, zieh
eilend von hier, von hier!
Auf daß ihr Wärme komm'
Einzig von mir!

Welkt nur, ihr Blumen, welkt!
Schweigt nur, ihr Vögelein!
Auf daß ihr sing' und blüh'
Ich nur allein.

We horen hier duidelijk nog de jonge Schumann die het raffinement van zijn latere liedcomposities nog niet heeft bereikt, maar waarvan de melodie wel een plaats heeft gekregen in het Andantino van de Pianosonate in g, op. 22, het enige rustpunt in deze verzengende pianistieke wervelwind waarin de expressieve grenzen van zowel de pianist als het instrument tot het uiterst worden verkend. Alleen al de tempoaanduiding van het eerste deel spreekt boekdelen: So rasch wie möglich; schneller; noch schneller. Is het een muzikaal zelfbeeld dat hieruit spreekt. Voor Clara staat het vast, dit is haar Robert ten voeten uit:, zij houdt van het stuk: 'Ich liebe sie, so wie Dich, Dein ganzes Wesen drückt sich so klar darin aus'. Toch heeft Schumann later nog een aantal ingrijpende wijzigingen in de partituur aangebracht en op aanraden van Clara het slotdeel zelfs geheel opnieuw gecomponeerd. Zo wordt het werk vrijwel altijd gespeeld, in deze 'officieel' gepubliceerde editie. Maar die originele versie is meer dan slechts een curiositeit en verdient het om naast de gereviseerde versie te worden gezet (dat had dan in dit geval wel twee cd's tot gevolg gehad).

Hét grote probleem dat rond de uitvoering van de niet vaak gespeelde Pianosonate op. 22 ( van de zes sonates nog het meest gespeeld) hangt is de vette, hamerende pianoklank, zowel in de beide hoekdelen als in het Scherzo (sehr rasch und markiert), waarin de details meestal ver te zoeken zijn. Maar niet bij Uchida. Zij heeft de voetangels en klemmen goed bestudeerd en dus voeren transparantie, differentiatie en accentuering de boventoon. Dat zij zich af en toe een rubato of juist een accelerando veroorlooft om een gelaagde passage als het ware boven zijn eigen zware soortelijk gewicht uit te tillen, zie ik eerder als een pre dan als een bezwaar. Wat zij zo'n twintig jaar geleden wel deed, maar nu niet (meer) is het verhogen van het dramatisch effect door disproportioneel te werk te gaan. Het pianistieke raffinement richt zich volledig naar de notentekst, haar Schumann is beeldend, plastisch, dramatisch en lyrisch, driedimensionaal en met verbeeldingsvolle klankkleuren. Dat de net zo gedifferentieerd spelende Martha Argerich (DG) Uchida overtreft in kinetische energie wil overigens wel wat wil zeggen. de Argentijnse balanceert hier herhaaldelijk op de rand van wat in dynamisch opzicht nog mogelijk is. Een beetje muggenziften: in het slotdeel is Uchida bij de tempomarkering 'etwas langsamer' wel érg langzaam, terwijl de klemtoon in dit geval toch duidelijk op 'etwas' ligt. Bij een iets sneller tempo blijft het net zo dichterlijk.

Waldszenen uit 1848/49 is een kleurrijke verzameling 'karakterstukken' dat door Uchida even kleurrijk wordt geïnterpreteerd. Titels als 'Jäger auf der Lauer', 'Einsame Blumen' 'Freundliche Landschaft', 'Herberge' en 'Abschied' spreken voor zich. De negen deeltjes hebben sterke raakvlakken met een ander karakterstuk: het achtdelige, aan Chopin opgedragen Kreisleriana uit 1838. Waldszenen daarentegen is hechter geconcipieerd dankzij de minder uiteenlopende toonsoorten (Bes-groot, d-klein, g-klein en Es-groot) en de naar vorm en afmeting gemeten, betere onderlinge verhoudingen. Het zesde deel, 'Vogel als Prophet', geldt nog steeds als een pianistiek huzarenstukje, waarmee Uchida overigens geen enkele moeite heeft..

Ontroerend, contemplatief en lyrisch is Uchida´s vertolking van het vijfdelige Gesänge der Frühe op. 133 dat ons naar de Schumann brengt die ook muzikaal geen uitweg meer lijkt te kunnen vinden. Uchida verplaatst ons als et ware al naar de toegangspoort van Schumanns ´Geisteswelt´ die geleidelijk aan eerst ´verstimmt´ raakt om ten slotte te ´verstummen´. Gecomponeerd in 1853, drie jaar voor zijn dood, is daarmee tevens het eindstation van Schumanns componeren in zicht gekomen en is Gesänge der Frühe niet ver meer verwijderd van de Geistervariationen uit 1854. De titel is ontleend aan de 'geesten' door wie Schumann zich in februari 1854 omringd meende. Geesten die hem - zo noteerde Clara in haar dagboek - zowel 'wundervolle' als 'gräßliche' muziek schonken, muziek die hem niet alleen de 'heerlijkste openbaringen', maar ook aan de rand van de de hel bracht. Een letterlijk citaat uit dat dagboek:

Freitag, den 17. (februari 1854) nachts, [...] stand Robert auf und schrieb ein Thema auf, welches, wie er sagte, ihm die Engel vorsangen; nachdem er es beendet, legte er sich nieder und phantasierte die ganze Nacht.

Bettina von Arnim aan Clara Schumann (mei 1855):

[...] Man erkennt deutlich, daß sein überraschendes Übel nur ein nervöser Anfall war, der sich schneller hätte beenden laßen, hätte man ihr besser verstanden oder auch nur geahnt, was sein Inneres berührt; allein dies ist bei Herrn Richarz Seelenadel nicht der Fall, er ist ein Hypochonder ... der Herr Schumanns Seelenadel nicht so wohl versteht, als ihn für ein Zeichen seiner Krankheit annimmt. [...]

Citaten van Robert uit het huishoudboekje van de Schumanns (1853):

15. Oktober: Diotima.
16. Oktober: Diotima.
17. Oktober: Fleißig. – Versuch des Geisterklopfens nicht gelungen.
18. Oktober: Die Gesänge der Frühe beendet.

Robert Schumann aan Joseph Joachim (6 februari 1854):

[...] Nun will ich schließen, es dunkelt schon.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links