CD-recensie

 

© Aart van der Wal, januari 2012

 

 

Voces Intimae

Schumann: Pianotrio nr. 1 in d, op. 63 - nr. 3 in g, op. 110

Voces Intimae: Riccardo Ceccetti
(fortepiano, J.B. Streicher 1847),
Luigi De Filippi (viool, A. Mariani, 1648), Sandro Meo (cello, naar C. Bergonzi, ca. 1700)

Challenge Records CC72520 • 59' •

www.vocesintimae.it
www.challenge.nl


 
  De toenmalige »Heil- und Pflegeanstalt für Geisteskranke« in Endenich bij Bonn, waar Robert Schumann in 1857 werd verpleegd en overleed. Nu is er een muziekbibliotheek in gevestigd. Een gedenkkamer herinnert aan Schumanns verblijf.

Op 29 juli 1856 stierf Robert Alexander Schumann, de grote meester van de romantische klankpoëzie, in een inrichting voor geesteszieken in Endenich bij Bonn. Hij was net 46 geworden, maar zich allang daarvan niet meer bewust.

Het was Schumanns grootste tragiek dat de laatste, maar langdurige fase van zijn leven alleen nog maar een lange, duistere nacht kende. Zoals de hemelbestormende en gedurfde, maar helaas onvoltooid gebleven finale van Bruckners Negende symfonie met een achteloos schouderophalen werd afgedaan als de laatste uiting van een componist die niet geheel meer bij zinnen was, zo viel ook een belangrijk deel van Schumanns late, eveneens gedurfde en deels zeker ook hemelbestormende composities buiten de toenmalige conservatieve tijdgeest, ten slotte nog versterkt door het ach en wee over de langzaam voortschrijdende geestesziekte die Schumann uiteindelijk in een psychiatrische inrichting deed belanden.
Het valt daarbij zowel Brahms als Clara, de twee belangrijkste hoofdpersonen in het leven van Robert Schumann, te verwijten dat zij een deel van dit 'duistere' oeuvre voor de buitenwereld verborgen hielden, of zelfs ten prooi gaf aan de vlammen (zo vernietigde Clara de vijf Romances voor cello en piano die Robert in november 1853 had gecomponeerd). Daarin werden zij nog eens bijgestaan door de grote violist Joseph Joachim, die met Brahms een warme relatie onderhield. Zeker, Brahms' piëteit jegens Clara speelde een belangrijke rol, gevoed door de onbuigzame overtuiging dat Schumann als een groot componist in herinnering diende te blijven, niet als mikpunt van twijfel over de kwaliteit van zijn late werken. Natuurlijk had Brahms de partituren bestudeerd, maar blijkbaar daaruit de (verkeerde) conclusie getrokken dat ze zo ver afstonden van het hem zo bekende Schumann-idioom, dat hij publicatie niet wenselijk achtte. Brahms, zelf een zeer groot componist en volledig vertrouwd met het compositorische handwerk, heeft ongetwijfeld het onderscheid weten te maken tussen de late, gedurfder stijl van Schumann en diens eerdere werk, maar hij is blijkbaar toch niet in staat geweest om dat verschil los te zien van de geestelijk wanorderlijke toestand waarin zijn vriend ten prooi was gevallen.

Die toestand moet ook verschrikkelijk zijn geweest. Zo schreef Bettina von Arnim in mei 1855 aan Clara:

[...] Man erkennt deutlich, daß sein überraschendes Übel nur ein nervöser Anfall war, der sich schneller hätte beenden laßen, hätte man ihr besser verstanden oder auch nur geahnt, was sein Inneres berührt; allein dies ist bei Herrn Richarz Seelenadel nicht der Fall, er ist ein Hypochonder ... der Herr Schumanns Seelenadel nicht so wohl versteht, als ihn für ein Zeichen seiner Krankheit annimmt. [...]

En dan is er de rapportage van Dr. Richarz, werkzaam in de psychiatrische kliniek in Edenich bij Bonn, naar aanleiding van de obductie van de schedel van Robert Schumann:

[...] Recht gerne entspreche ich ihrem Wunsche, über das Wesen der Krankheit und die Todesart Robert Schumanns von mir einigen Mitteilungen zu erhalten. Am zweckmäßigsten werde ich dabei von dem Befunde bei Obduction der Leiche ausgehen.
Die Hauptergebnisse der Untersuchung bot natürlich, und wie mit Sicherheit zu erwarten stand, das Gehirn dar. Es wird nicht uninteressant sein, wenn ich hier die Bemerkung vorausschicke, daß sich die transversalen Markstreifen am Boden des 4ten Hirnhöhle (die Wurzeln des Gehörnerven) zahlreich und fein gebildet fanden. Von Abnormitäten zeigten sich dann, nach steigender Wichtigkeit, wie nach ihrer genetischen Wichtigkeit geordnet, folgende:
1) Überfüllung aller Blutgefäße, vorzüglich an der Basis des Gehirns.
2) Knochenwucherung an der Basis des Schädels, und zwar sowohl abnorm starke Entwicklung normaler Hervorragungen, als Neubildung anormaler Knochenmassen, die zum Theil mit ihrem spitzigen Ende die äußerste (die harte) Hirnhaut durchdrangen. [...]

Op 4 maart 1854 had hij zich in de Rijn gestort, de rivier die in zijn muziek een rol van betekenis speelde ('Am Rhein, im heiligen Strome', uit Dichterliebe op. 48 nr. 6, maar ook de Derde symfonie, de Rheinische), maar hij werd gered en vervolgens op eigen verzoek opgenomen in Endenich, ten prooi aan het monster van de psychische ineenstorting, met vreemde en wrede klanken in zijn hoofd die hem dagelijks teisterden en al even afgrijselijke beelden die hem onophoudelijk bestookten. Het was gedaan met de man die als geen ander het Duits-romantische piano- en liederenrepertoire had verrijkt en die nu in een psychotische martelkamer nog slechts op de barmhartige dood kon wachten.

Literair hoogst begaafd, een uitmuntend muziekcriticus en zijn hoogste creatieve troeven uitspelend in het domein van het muzikale miniatuur leefde Schumann allengs in een romantische droomwereld, waarin twee zielen om voorrang streden: Eusebius en Florestan. Het was tegelijk een strijd wég van de grauwe middelmaat en de kleinzieligheid, de moeizame weg omhoog naar het hogere in de kunst, de vurige, enthousiaste Robert als voorvechter van progressieve klanken en nieuwe ideeën.

De achttienjarige Schumann schreef op 14 augustus 1828 een brief aan zijn vriend, de rechtenstudent Gisbert Rosen. Een fragment daaruit verklaart veel:

"Ik heb mij nooit in het familieleven genesteld en ontvlucht meestal, zonder te weten waarom, de erbarmelijke mensheid. Slechts zelden ga ik uit en ben dikwijls moedeloos en verscheurd door droefheid over de nietigheid en ellende van deze egoïstische wereld. Ach! wat een wereld zonder mensen, waar zou ik die kunnen vinden? Een oneindig kerkhof, een doodsslaap zonder dromen, een natuur zonder bloemen en zonder lente, een levenloze kijkkast zonder gedaanten, en toch! Deze wereld bevolkt door mensen, wie is zij? Hetzelfde, een ontzettend kerkhof van weggezonken dromen, een doodsslaap met bloedige dromen, een tuin met cypressen, een tranendal, een stomme kijkkast met wenende gedaanten, O God, dat is zij! [...]"

Zijn hechte vriendschap met Mendelssohn moet hem bewust hebben gemaakt van datgene dat zijn jonge vriend wel en hij niet bezat: de weldadige rust en zelfverzekerheidheid, de elegantie, een onbezorgde financiële toekomst en het gemak waarmee Felix componeerde en in de voorname muzikale kringen werd opgenomen. Mendelssohn voelde zich ook als uitvoerend musicus als een vis in het water, hij drukte vooral in Leipzig een groot stempel op de orkest- en kooruitvoeringen en werd op handen gedragen, terwijl Schumann er maar niet in slaagde om zich een goede positie als dirigent of leraar te verwerven. Zijn vertrek van Leipzig naar Dresden bracht daarin geen soelaas, maar misschien is wel het meest tragische dat Schumann als ware meester van de kleine vorm zich vergreep aan een vorm die hem vele malen te groot bleek: die van de symfonie en dan structureel gemodelleerd naar de werken van de grootste symfonicus, Beethoven. Was het eerzucht of de wil om zijn genie met dat van Beethoven te meten? In geen enkele symfonie bereikt Schumann het niveau van zijn piano- en liedcomposities en zijn zo bijzondere pianoconcert. Schumann is groot in het kleine, en klein in het grote, maar hij zag dat anders, hij wilde boven zijn eigen grenzen reiken, hij wilde méér. Het blijkt onmogelijk om de creatieve taal van zijn pianowerken en liedcomposities naar de grote vorm van de symfonie te verplaatsen. Want het miniatuur is toch zijn echte domein? Hierin kon hij zijn ongekende scheppingsdrift naar hartelust botvieren, zijn toch zo bijzondere droomwereld scheppen, de wereld van Carnaval, Faschungsschwank aus Wien, Davidsbündlertänze, Kreisleriana, Kinderszenen, Noveletten, Papillons, Waldszenen, romances en balladen, maar ook de facetgeslepen liederencycli op teksten van o.a. Eichendorff, Heine en Chamisso die tot het beste behoren dat de Duitse romantiek heeft voortgebracht. Hoevele vergankelijke dichtregels heeft Schumann, de kleurrijke tovenaar, niet voor eeuwig in zijn muzikale creaties bewaard, in verdroomde, maar ook in grillig expressieve schakeringen die spreken van een fantasierijk hoorn des overvloeds, een muzikaal sprookjesbos waarin echter ook de realistische toets niet ontbreekt.

Het is het mysterie van het grote en grootse, gevangen in een geconcentreerde wereld van verliefde dagdromers, carnavaleske gedaanten, spelende kinderen, ongrijpbare schimmen, smalle scheidingslijnen tussen dichterlijke avondstilte en luidruchtige dagpret, maar ook van het harmonische verbond tussen het landschap en zijn bewoners. Wat zo kortstondig en vergankelijk lijkt, verankert zich in ons geheugen, wordt zelfs deel van onszelf. Ontmoetingen met Schumanns muziek zijn nooit vluchtig omdat ze de kern raken van hetgeen ons in ons diepste wezen beweegt en moed geeft, want zij laat ons zien hoe ethiek en esthetiek dicht bij elkaar liggen en ons middelpunt maakt van nieuwe dimensies die we in ons dagelijks bestaan nu eenmaal niet of nauwelijks nog kunnen vinden. Deze meesterwerken zijn niet tevergeefs gecomponeerd, Schumanns dromen niet voor niets gedroomd, want zij vormen het wezenlijke van alle kunst die werkelijk gróót is. Schumanns grote verbeeldingskracht zet onze fantasie aan het werk en verrijkt ons. Wat kortstondig en vergankelijk lijkt blijft desondanks in ons geheugen gegrift.

Voces Intimae
In de toelichting bij deze cd steken de drie leden van Voces Intimae hun bewondering voo deze beide trio's niet onder stoelen of banken. Uiteraard huldigen zij niet het alom verbreide standpunt dat het laatste trio een voortbrengsel is van een 'labiele geest', maar dat het daarentegen een lucide werk is dat genialiteit uitstraalt, een opvatting die ik graag met ze deel. Bovendien herkennen ze in Schumann niet alleen de begenadigde componist, maar ook de niet minder begenadigde muzikale denker, criticus, polemist en schrijver. Ook staat het voor hen vast dat in deze beide trio's echo's van toekomstige muzikale stijlen reeds te ontdekken zijn. Zo spelen ze het ook, met hun volle overtuiging, bezield, met volle overgave zich een weg banend vanuit het verleden naar het heden en uiteindelijk de toekomst. Feilloze techniek, een ideale balans, een transparante textuur: luister maar eens naar de nevenstemmen in het rusteloze derde deel van het Pianotrio op. 110, precies zoals ook elders in het goede tempo: Rasch; of anders naar Schumanns weg naar expressieve diepten in het Langsam, mit inniger Empfindung (op. 63). Hier wordt vrijwel tegelijkertijd de weg vooruit- als teruggelopen. Het is een van de vele wonderlijke pardoxen waarvan Schumanns 'Dichterliebe' het geheim lijkt te bezitten.
Dat op authentieke instrumenten wordt gespeeld geeft deze uitvoeringen ontegenzeglijk meerwaarde, al schuilt die voornamelijk in de Streicher-fortepiano die door 'onze' Edwin Beunk in mei van het vorig jaar in optimale conditie werd klaargezet in de studio van FWL in Leipzig. De zeer geslaagde opname brengt het allemaal goed geproportioneerd en helder in uw huiskamer.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links