CD-recensie

 

© Aart van der Wal, juni 2010

 

 

Schumann: Pianokwintet in Es, op. 44 - Strijkkwartet nr. 1 in a, op. 41 nr. 1 (eerste versie) - nr. 2 in F, op. 41 nr. 2 (eerste versie) - nr. 3 in A, op. 41 nr. 3.

Christian Zacharias (piano), Leipziger Streichquartett.

MDG Gold MDG 37 1610-2 • 59' + 48' • (2 cd's)

 

 


Mogelijk is het het David Quartett geweest dat in het concertseizoen 1837/38 met zijn kwartetcyclus in het Gewandhaus in Leipzig Robert Schumann (1810-1856) sterk tot het schrijven van kamermuziek heeft geïnspireerd. In ieder geval heeft Schumann toen gezorgd voor de publiciteit rond het optreden van het kwartet en was hij daarbij diep onder de indruk geraakt van Beethovens kwartetten op. 127 en 131. Het was in die tijd dat Schumann zich afvroeg of er wel componisten van zijn generatie waren die überhaupt dit niveau haalden. Om daar achter te komen moest Schumann zich in de strijkkwartetliteratuur van zijn tijdgenoten verdiepen, wat minder eenvoudig was dan het leek: in die tijd waren nog geen studiepartituren voorhanden en moest worden geput uit het individuele stemmateriaal. Om die monnikenarbeid te ontgaan liet Schumann zich tijdens zes ochtendsessies een aantal kwartetten voorspelen. Hij berichtte erover in zijn Neue Zeitschrift für Musik, onder de titel Quartett-Morgen. Zo hoorde hij voor het eerst kwartetten van de 'jonge componisten Johannes Verhulst, Hermann Hirschbach en Wenzel Heinrich Veit, maar ook het werk van bekendere componisten kwam aanbod, getuige de namen van Luigi Cherubini, Louis Spohr en Karl Gottlieb Reissiger. Na ze alle gehoord te hebben schreef hij dat er geen een hem als zodanig had overtuigd. Zo schreef hij: "Denk' ich nun freilich an die Höchste Art der Musik, wie sie uns Bach und Beethoven in einzelnen Schöpfungen gegeben, sprech' ich von seltenen Seelenzuständen, die mir der Künstler offenbaren soll, verlang' ich, dass er mich mit jedem seiner Werke einen Schritt weiter führe im Geisterreich der Kunst, verlang' ich mit einem Wort poetische Tiefe und Neuheit überall, im Einzelnen wie im Ganzen." Die dichterlijke diepgang, het nieuwe, die had Schumann niet gevonden en dus moest hij dan maar zelf aan de slag. En de strijkkwartetten van zijn vriend Mendelssohn dan? In datzelfde concertseizoen had Felix weliswaar zijn drie Strijkkwartetten op. 44 aan Schumann voorgelegd, maar ze waren - om welke reden ook - buiten de 'vergelijkingen' gebleven. Dat Schumann met de schepping van zijn eigen kwartetreeks Mendelssohn rechtstreeks concurrentie aandeed vormde in ieder geval geen beletsel. Sterker nog, Schumann droeg de drie kwartetten 'in inniger Verehrung' aan hem op (zo staat het in de partituur: 'seinem Freunde Felix Mendelssohn Bartholdy zugeeignet').

 
 

Robert Schumann in 1849 (daguerreotypie)

Afgezien van twee korte fragmenten begon Schumann pas in in juni 1842 aan de compositie van zijn eerste kwartet. Dat hij daarbij niet over een nacht ijs ging laat zich raden: van 1839 tot 1842 bestudeerde hij ijverig de kwartetten van Haydn, Mozart en Beethoven, vaak samen met Clara aan de piano. Zijn grote bewondering voor Beethoven vinden we in de kwartetten terug in allerlei citaten, en niet alleen uit Beethovens kwartetten. Maar vanaf juni 1842 ging het in een rap tempo. Binnen een week, van 3 tot 10 juni, schetste hij het Eerste kwartet; een week later, op 18 juni, gevolgd door het Tweede. De verdere uitwerking verliep in een al even koortsachtig tempo: van 20 tot 25 juni van nummer een en van 1 tot 5 juli van nummer twee. Het Derde kwartet werd vrijwel direct daarna, tussen 8 en 17 juli in de steigers gezet en al op 22 juli voltooid. De eerste uitvoering in besloten kring vond plaats op 13 september, op Clara's verjaardag, door Ferdinand David, Moritz Gotthold Klengel, Hermann Otto Hunger en Franz Carl Wittmann. Zij verzorgden tevens de première van het Eerste kwartet, dat samen met het eveneens kort daarvoor voltooide Pianokwintet op. 44 - voor het eerst op 8 januari 1843 aan een door Robert en Clara Schumann geselecteerd publiek werd voorgesteld tijdens een zondagochtendmatinee in het Gewandhaus in Leipzig. Het duurde echter nog tot 1849 - en pas na lang aandringen van Schumann - alvorens de partituren van de drie kwartetten bij Breitkopf & Härtel verschenen. Maar ook de publicatie kon niet verhelen dat de belangstelling voor Schumanns kamermuziek van de kant van het publiek niet echt groot was. Wilhelm Joseph von Wasielewski, de violist die in alle premières zijn deel had geleverd, schreef in 1858: "Diese 3 Streichquartette sind leider noch immer zu wenig bekannt und geschätzt. Sie bieten freilich hinsichtlich des Zusammenspiels sehr grosse Schwierigkeiten und verlangen eine liebevolle Hingabe der Ausführenden." Zijn boodschap was, tussen de regels door, voor iedereen duidelijk: hij zag te weinig technisch raffinement en een gebrek aan liefdevolle toewijding.

 
  Robert en Clara Schumann

Dat deze cd-set tevens het Pianokwintet omvat is een goede keus. Het werd immers direct na de drie kwartetten gecomponeerd: de schetsen tussen 23 en 28 september, de verdere uitwerking tussen 5 en 12 oktober (1842). Toen Schumann het werk voorlegde aan Mendelssohn had die wel enige kritiek, zoals dat ook bij de strijkkwartetten het geval was geweest. Zo adviseerde Mendelssohn om in het tweede deel, in modo d'una marcia, een levendige episode in te lassen (Agitato in f-klein, track 2, vanaf 4:19), die op Felix zijn uitwerking niet miste: "in den seltesten Fällen füge ein nachcomponirtes Stück sich so glücklich in den Zusammenhang, wie das hier der Fall sei." De première vond plaats op 8 januari 1843 in het Gewandhaus in Leipzig, samen met het Eerste strijkkwartet. Clara Schumann speelde bij die gelegenheid de pianopartij. In september werd de vijf partijen van het aan Clara opgedragen werk door Breitkopf & Härtel in Leipzig gepubliceerd. In tegenstelling tot Schumanns kwartetten werd het Pianokwintet al snel een groot succes. Zozeer zelfs dat het componisten als Brahms en Dvorák inspireerde om zich eveneens met het pianokwintet bezig te houden.

Hoewel de première alleen voor genodigden gold werd er in de toonaangevende Allgemeine Musikalische Zeitung toch over bericht:

"Das Hauptinteresse erregten heut wohl R. Schumanns grössere Compositionen, das Quartett und das Quintett (es erklangen ferner noch ein Duett von Robert und zwei Lieder von Clara Schumann, sowie zwei Werke von J.S. Bach), die hier zum erstenmal von einer zahlreichen Versammlung von Zuhörern producirt wurden, nachdem sich schon vorläufig einzelne zuverlässliche Stimmen zu ihrem Vortheil hatten vernehmen lassen. Das günstige Urtheil bewährte sich volkommen. Diese Compositionen gehören unbedingt zu den Schönsten, was die neuere Zeit in dieser Gattung aufzuweisen hat.
R. Schumanns neue Quartett- und Quintettcompositionen sind klar, ungesucht, leicht zu fassen und zu verfolgen in ihrer technischen Form und Führung, sind durchaus wohlklingend, in den zarteren Stellen selbst mit etwas von Spohrs reizender Suavita, ohne jedoch zu viel darin zu verweilen, und sich in Gedanken und Ausführung vom besten Styl der Gattung. Unter allen diesen Bedingungen, die mehr das Verständniss und die in die Sinne fallende Aussenseite der Composition in sich fassen, erhalten wir aber ein schön und tief empfundenes innere, von allem gesuchten und Gemachten der Empfindung frei, das uns um so mehr anzieht und interessirt, als es von einer Absicht interessant zu sein, so wenig bemerken lässt. Denn ein gutes Kunstwerk will für sich und zu seiner eigenen Befriedigung da sein, und nur in diesem Egoismus wird es die Innerlichkeit bewahren können, die wieder zum Innern spricht. Jedes bemerkbare Streben, originell, tiefsinnig, interessant zu erscheinen, lässt uns nur die Eitelkeit des Autors wahrnehmen, und das Werk bleibt, wie es ihm ein äusserliches war, auch für uns ein unbeseeltes.
Möchte das glückliche Gelingen dieser ersten Werke der Art des Componisten Lust und Liebe für die schöne und schwere Musikgattung immer mehr anregen; er hat dazu einen so entscheidenen Beruf dargethan, dass für die Quartettmusik eine wahrhafte Bereicherung durch seine Arbeiten zu erwarten ist."

Wat dat laatste betreft: in dat concert werd weliswaar het eerste van de drie strijkkwartetten gespeeld, maar de laatste twee waren toen reeds gecomponeerd. Schumann schreef later nog een pianokwartet en drie pianotrio's, maar van een vierde strijkkwartet of een tweede pianokwintet kwam het niet meer.

De drie strijkkwartetten in hun oorspronkelijke, volledige versie

Het is ongetwijfeld Felix Mendelssohn Bartholdy, toen al kapelmeester van het Gewandhaus in Leipzig, geweest die in de zomer van 1842 Schumanns kwartetten heeft ingezien en de componist met raad en daad heeft bijgestaan. Dat leidde tot een groot aantal wijzigingen, die zowel de lengte als de frasering, articulatie en dynamische voorschriften betroffen. Schumanns ingrijpende bewerking kan uit zijn handgeschreven partituren worden herleid en heeft voor deze cd-opname als uitgangspunt gediend. Deze aanpak past zeker in het huidige muzikale tijdsbeeld, waarin meer en meer wordt teruggegaan naar de oorspronkelijke bronnen en musicologisch onderzoek naar de 'oerteksten' tot vaak verrassende uitkomsten leidt. Toch moeten we met de term 'oertekst' zorgvuldig omgaan, want het zou onjuist zijn om te menen dat de oertekst altijd te verkiezen valt. Vaak genoeg blijkt die oertekst niet meer te zijn dan een eerste poging om tot een afgeronde compositie te komen, nadat de lijnen in hun ruwe vorm eerst zijn geschetst. Want daarna komen vaak nieuwe invallen, gedachten en ontstaat - afhankelijk van de reikwijdte en de implicaties ervan - een versie die sterk van die oertekst afwijkt. Het is zelfs vaak voorgekomen dat de componist nog in de drukproef fase belangwekkende wijzigingen aanbracht en dat daarmee dan de uiteindelijke toon van het werk werd gezet. Wie dan blindelings afgaat op die 'oertekst' komt bedrogen uit: wat 'origineel' is, is dan niet meer dan een tussenproduct uit de 'werkplaats' van de componist. Dagboekaantekeningen en andere notities, maar ook correspondentie met onder meer muziekuitgevers kunnen de muziekwetenschapper nader uitsluitsel geven over hetgeen in concreto voorligt. Dat neemt echter niet weg dat in het musicologische arbeidsveld niet zelden geen of onvoldoende eenduidigheid bestaat over de vraag wat nu wel en wat nu niet als een oertekst moet worden beschouwd. En dan heb ik het nog niet over de soms ellenlange discussies over tussentijdse en eindversies. Soms nemen die bruckneriaanse proporties aan!

Maar in dit geval kan de luisteraar in ieder geval - en voor zover ik weet is dat voor het eerst - een indruk krijgen van deze drie kwartetten zoals die zo geklonken moeten hebben in Leipzig in 1842. Het is daarbij nauwelijks denkbaar dat het in deze schitterende kwaliteit geklonken zal hebben. Het Leipziger Streichquartett (Stefan Arzberger en Tilmann Büning, viool; Ivo Bauer, altviool en Matthias Moosdorf, cello) behoort al jaren tot de absolute wereldtop en met de toppianist Christian Zacharias in op. 44 is deze uitgave een ware tractatie voor de liefhebber van kamermuziek. Dan is er ook nog de prachtige opname, die in november en december 2009 werd gemaakt in het voormalige 'Ackerhaus' van de abdij Marienmünster. MDG Gold: inderdaad, een 'gouden' uitgave!

Het Leipziger Streichquartett

index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links