CD-recensie

 

© Aart van der Wal, juli 2006

 

Schütz: Musikalische Exequien op. 7: Concert in Form einer teutschen Begräbnis-Messe; "Herr, wenn ich nur Dich habe"; Canticum B. Simeonis: "Herr nun läsest Du Deinen Diener") - Motet "So fahr ich hin zu Jesu Christ" SWV 379 - Motet "Also hat Gott die Welt geliebt" SWV 380 - Motet "Die Himmel erzählen" SWV 386 - Motet "Selig sind die Toten" SWV 391 - uit Kleine Geistliche Konzerte I: "O lieber Herre Gott" SWV 287 - uit Kleine Geistliche Konzerte II: "Ich bin die Auferstehung" SWV 324.

La Chapelle Royale o.l.v. Philippe Herreweghe.

Harmonia Mundi HMC 901261 • 59' •


Van de grote Duitse componist Heinrich Schütz (1585-1672) kan minstens worden gezegd dat hij door het leven zwaar werd getekend. Hij verloor in een kort tijdsbestek zowel zijn ouders als zijn enige broer, en daarnaast ook nog zijn jonge echtgenote Magadelena (na haar dood in 1625 bleef Schütz alleen achter, hij hertrouwde niet) en zijn beide dochtertjes. De voortrazende pest en dysenterie maakten ontstellend veel slachtoffers, waar dan nog het gruwelijke oorlogsgeweld bijkwam dat radicaal een einde maakte aan allerlei burgerlijke vrijheden en tot hysterische rechtspraak leidde, waardoor vrijwel niemand nog enigszins zeker was van zijn lot. De in 1618 uitgebroken Dertigjarige Oorlog kostte een derde van de Duitse bevolking het leven, waarover Schütz zelf schreef dat 'die löbliche Music von den anhaltenden gefährlichen Kriegs-Läufften in unserm lieben Vater-Lande Teutscher Nation nicht allein in grosses Abnehmen gerathen, sondern an manchem Ort gantz niedergeleget worden'.

In 1589 - Schütz was toen vier jaar oud - werden onder het juk van het meedogenloze snelrecht alleen al in het klooster van Quedlinburg, niet ver van Weissenfels, waar de getalenteerde dreumes opgroeide, waren op een dag 133 'heksen' op de brandstapel een prooi der vlammen.

Onder dergelijke turbulente omstandigheden stond het musiceren vanzelfsprekend onder grote druk en kon het niet anders dan dat nieuwe composities en muziekuitvoeringen onder het slechtst denkbare gesternte stonden. Dat blijkt ook uit Schütz' inleiding die hij voor de in 1636 in Leipzig gepubliceerde Kleine Geistliche Konzerte schreef: '... Damit mein von Gott verliehenes Talentum in solcher edlen Kunst nicht gantz ersitzen bleiben sondern nur etwas weniges schaffen und darreichen möchte'.

Schütz moet zich min of meer als Job hebben gevoeld, en uit zijn voorwoord bij de Musikalische Exequien (de titel van het openingsdeel laat hier niets te raden over: Concert in Form einer Teutschen Begräbnis-Missa) daarvan wel iets te bespeuren:

War es denn nicht genug an dieser Straff und Ruhte
Mit der der höchste Gott uns aus gerechtem Muthe
Umb unsere schwere Sünd und grosse Missethat
Durch den Bellonen Grimm hie her gesteupet hat;
Daß eben auch darzu dies Unglück musste kommen
Daß Ihr O wehrter Held uns würdet hingenommen
Durchs Todes Wüterey in der so trüben Zeit
Und mehren uns dadurch so sehr die Noth und Leid?
Heinrich Schütz, geportretteerd door
Christoph Spetner, ca. 1660

De in 1585 in Kostitz in Saksen geboren telg uit een vooraanstaande juristenfamilie mag met recht tot de grootste Duitse componist vóór Johann Sebastian Bach worden beschouwd. Hij was het die na een vierjarig verblijf in Venetië de meerstemmige koorstijl van Giovanni Gabrieli naar het thuisland bracht en die ook met grote inventiviteit toepaste op de lutherse teksten, wat zowel in declamatorisch als in dramatisch opzicht tot onvergankelijke meesterwerken van ongekende schoonheid leidde, een nog niet eerder geopenbaarde mengeling van vroomheid en scheppingskracht.

Schütz verhuisde in 1590 naar Weissenfels en ging in 1608 in Marburg rechten studeren, waar hij zich op aandringen van de landgraaf Georg II van Hessen met volle overgave op de muziek stortte, die voornamelijk werd beheerst door de traditionele a-cappellastijl. De koorzanger Schütz kreeg les van niemand minder dan kapelmeester Georg Otto en dankzij de financiële steun van de landgraaf kon Schütz zich in Venetië verder bekwamen. Toen hij in 1612 terugkeerde werd hij eerst organist in dienst van Moritz in Kassel, voordat hij door de machtiger, maar minder sympathieke keurvorst van Saksen naar Dresden werd gelokt, waar hij in 1618 tot kapelmeester werd benoemd, in hetzelfde jaar waarin de verwoestende Dertigjarige Oorlog uitbrak. Tot zijn leerlingen in Dresden behoorden Bernhard, Theile en Weckmann. In 1619 publiceerde hij zijn eerste bundel gewijde muziek onder de titel Psalmen Davids die hij opdroeg aan zijn broodheer.

Tijdens een van zijn verloven was hij in Torgau, waar hij in 1624 een voorstel indiende voor de bouw van een nieuw orgel in de slotkerk door Gottfried Fritzsche en in 1627 ter gelegenheid van het huwelijk tussen landgraaf Georg II van Hessen en Sophie Eleonore, de oudste dochter van de keurvorst van Torgau, Schütz' pastorale tragikomedie Dafne, in feite de eerste Duitstalige opera, voor het eerst werd uitgevoerd.

Het jaar daarop keerde Schütz nogmaals terug naar Venetië om nieuwe musici voor het hof van Dresden te werven en zich te verdiepen in de monodische (eenstemmige) stijl (stilo nuovo), die hij dan vervolgens in Duitsland introduceerde en als het ware samensmolt met de lutherse kerkmuziek. De voortdurende krijgshandelingen en de enorme ellende die de oorlog veroorzaakte, deden hem uiteindelijk besluiten om het muziekleven in Dresden vaarwel te zeggen en de wijk te nemen naar Denemarken om rond 1634 in Kopenhagen de hofkapel van koning Kristian IV onder handen te nemen en voor te bereiden op de muzikale feestelijkheden ter gelegenheid van het huwelijk van kroonprins Kristian.

Weer terug in Dresden viel het hem steeds zwaarder om zich van zijn muzikale taken te kwijten, maar de keurvorst was niet bereid hem met pensioen te laten gaan. Schütz moest de meeste tijd besteden aan fondswerving om de paar resterende hofmusici te kunnen betalen toen de dertigjarige oorlog ook Dresden meesleurde. In 1639 kon hij Dresden nog eens ontvluchten toen hij gedurende vijftien maanden in dienst was van Georg von Calenberg en van 1642 tot 1644 keerde hij nogmaals terug aan het Deense hof; ook bracht hij nog een jaar in de buurt van Brunswick door.

Pas toen in 1656 toen de keurvorst overleed en hij zelf tweeënzeventig was kon hij zich terugtrekken. Hij trok in bij zijn zuster in Weissenfels waar hij zijn laatste levensjaren wijdde aan het incidenteel componeren, maar vooral aan bijbelstudie. Hier componeerde hij onder andere het Weihnachts-Historie en de Johannes- en de Matthäus-Passion.

Gedurende de 65-jarige componistenloopbaan van Schütz onderging zijn stijl vrij radicale wijzigingen, inclusief een overgang van de monumentale koorwerken als de Psalmen Davids naar de intiemer madrigaalstijl van de Cantiones sacrae uit 1625. De Italiaanse concertato stijl die voor gelijkwaardigheid zorgt tussen stemmen en instrumenten kenmerkt de drie banden Symphoniae sacrae (uit 1629, 1647 en 1650) en in de Kleine Geistliche Konzerte (1636 en 1639) is het vooral de tekst die de volle aandacht krijgt. Schütz' late werken worden gedomineerd door oratoria en de drie onbegeleide 'dramatische' passiemuzieken met als bekendste de Weihnachts-Historie 1664). Wat Bach met zijn passiemuzieken voor Pasen deed, deed Schütz dus al eerder, maar zonder aria's en koralen. Ook bij hem neemt een tenor de rol van evangelist op zich, de andere rollen worden door een combinatie van solisten vervuld; het koor treedt slechts driemaal op, en dan zonder instrumentale begeleiding. De dramatiek wordt verduidelijkt door telkens bepaalde rollen door specifieke instrumenten te karakteriseren: de engel door twee violen, de herders door twee blokfluiten en een dulciaan (de voorloper van de fagot) terwijl de waardigheid van de hogepriesters wordt onderstreept met de donkere klank van een paar oude trombones.

Schütz is terecht vooral bekend geworden door zijn geestelijke muziek, maar zijn oeuvre is veelzijdiger dan zijn reputatie suggereert. Afgezien van die paar opera's is daar bijvoorbeeld zijn opus 1 (later in de Schütz Werke Verzeichnis of SWV 1-19) zijn Il libro primo de madrigali dat in 1619 werd afgesloten na zijn periode bij Gabrieli. De negentien deeltjes op Italiaanse teksten getuigen van een grote virtuositeit en een goede beheersing van de Italiaanse stijl. Contrast is er ook genoeg, bijvoorbeeld tussen het vrolijke 'Fucci o mio core' en het trieste 'Ma lasso, ecco un sospir nunzio infelice'.

Hoe ook Schütz' stijl evolueerde, als rode draad in zijn oeuvre is er steeds een ondertoon van ernstige plechtigheid in zijn kerkelijke composities die wordt geaccentueerd door vele dramatische en hoogst expressieve momenten. Met hun doorgaans Duitse teksten vormen Schütz' werken de ultieme realisatie van Luthers streven om de landstaal ingang te doen vinden als literaire en liturgische taal. Het gaat hier ook om de belichaming van het protestante en humanistische concept van een musica poetica in een zo volmaakt mogelijke vorm.

Uitvoering o.l.v. Philippe Herreweghe

Het programma op deze cd is ondanks het overwegend treurige karakter van de muziek rijk aan afwisseling, maar staat eigenlijk de vraag centraal of - met inachtneming van Schütz' uitvoeringsaanwijzingen en in het licht van onze door de jaren heen opgedane ervaringen met de historiserende uitvoeringspraktijk - in deze wonderschone muziek echt ruimte moet worden gecreëerd voor wat ik kan dan maar passie zal noemen, een bijna voelbare sterk emotionele betrokkenheid die de objectief-liturgische dimensie die in de tekst en de strekking ervan besloten ligt overschrijdt. De muziek zelf biedt er mijns inziens in ieder geval alle aanleiding toe en ruimte voor, maar dat is toch duidelijk niet de weg die Herreweghe heeft gekozen. Het lijkt eerder dat hij de hoogst bereikbare vocale en instrumentale perfectie heeft willen nastreven en dat als uitgangspunt heeft genomen om Schütz' tot in de kleinste details uitgewerkte muzikale belijdenis voor de toehoorders open te leggen. Enerzijds levert dat pure winst op in de zin van grote transparantie en vlekkeloze polyfonie, maar anderzijds mis ik in deze benadering de grootse retorische graviteit die doeltreffend afrekent met het idee dat het hier 'slechts' om religieuze gelegenheidswerken zou gaan.

Het kan ook een bewuste keuze zijn geweest om in sommige passages de solo- en koorstemmen niet diametraal tegenover elkaar te plaatsen, wat Gardiner (Archiv) wèl doet en waarvan een grote betovering uitgaat. Het is de integrale benadering tegenover een duidelijk gelaagde aanpak, waarbij ik niet kan zeggen wat nu wel of niet historisch juist is, al weegt dan voor mij de bijna magische klank die Gardiner op dergelijke momenten weet te bewerkstelligen, het zwaarste. Gardiner is ook duidelijk de man van de theatrale aanpak in de motetten, wat een overweldigende indruk maakt, maar waarbij ik mij wel heb afgevraagd of hij deze muziek daardoor niet al te zeer in de (verkeerde) richting van de grote Franse motetkunst trekt. Herreweghe lijkt uiteindelijk toch zuiverder in de leer, is dientengevolge minder rekkelijk en staat door zijn onopgesmukte vertolkingen mogelijk dichter bij Schütz.

Herreweghe beschikte over een uitgelezen solistenteam en een koor van groot formaat, terwijl de continuopartijen (cello, violone, orgel, theorbe) zonder uitzondering uitmuntend zijn bezet. Nauwgezetheid staat voorop, er is die niet aflatende poging tot precisering van de zeventiende-eeuwse retorica, waardoor het concept op sommige punten wat stijf en schools aandoet, terwijl ik dan wat meer Schwung had willen horen, maar dat neemt allemaal niet weg dat Herreweghe en de zijnen tot grote prestaties komt en aldus een ereplaats verdienen in de Schütz-discografie. De opname is daarbij eveneens een factor van belang, helder en precies, met een indrukwekkende samenklank in een goed gedoseerde kerkakoestiek.

Ik zou niet zonder de visie van Herreweghe op deze wonderlijke muziek willen zijn, maar ik kan toch ook niet zonder Gardiner, al was het alleen maar om diens theatrale benadering, de gravitas die ervan afstraalt.

Met dank aan Jan de Kruijff voor diens aanvullende biografische bijdrage.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links