CD-recensie

 

© Aart van der Wal, november 2018

 

Schubert Unfinished

Schubert/Webern: Tränenregen D 795 nr. 10 - Der Wegweiser D 911 nr. 20 - Ihr Bild D 957 nr. 9 - Du bist die Ruh D 776

Schubert/Brahms: Memnon D 541 - Geheimes D 719 - Gruppe aus dem Tartarus D 583

Schubert/Cohrs: Symfonie nr. 8 (7) in b, D 759 (voltooide versie)

Florian Boesch (bas-bariton), Concentus Musicus Wien o.l.v. Stefan Gottfried
Aparté AP189 • 67' •
Opname: april 2018, Musikverein, Wenen

   

Hoe zit het nu eigenlijk met die ‘Onvoltooide' van Franz Schubert? Was het werk eigenlijk wel onvoltooid gebleven? Vanuit historisch en musicologisch perspectief is dat nooit echt opgehelderd. Zeker, er zijn fragmenten van een derde deel, een Scherzo, wat wijst naar – op zijn minst – Schuberts oorspronkelijke plan om er tevens een finale aan vast te knopen. Een vierdelige symfonie dus.

Voor- en tegenstanders
De voorstanders van de vierdelige symfonie in reconstrueerde vorm wijzen, hoewel zonder een schijn van bewijs, graag op de in november 1822 begonnen 'Wanderer'-fantasie die Schubert als finale voor de symfonie zou hebben voorbestemd. Dat daarmee overeenkomende datering is feitelijk het enige dat hen houvast moet bieden.

Wie wil reconstrueren mag uiteraard ook op tegenstand rekenen. Dat begint al bij hen die wijzen op de ‘mindere kwaliteit' van dat Scherzo, althans vergeleken met de voorafgaande twee delen. Bovendien wijzen ze er graag op dat Schubert de partituur van alleen de beide eerste delen, voorzien van een fraai gekalligrafeerd titelblad, aan de ‘Steiermärkische Musikverein' opdroeg. Een beter bewijs dat Schubert (uiteindelijk?) voor een symfonie in slechts twee delen had besloten kan toch niet worden gevonden? Weer anderen menen dat hij het na twee delen welletjes vond en het werk dus bewust onvoltooid bleef.
En zo stapelde zich het ene vermoeden op het andere, met als enig resultaat dat de legendevorming vrij spel had. Te bewijzen viel er niets, daarover waren vriend en vijand het tenminste eens! Ach, het wel of niet bewust vermengen van feit en fictie, het is in de lange westerse muziekgeschiedenis vaak genoeg voorgekomen.

Ben Cohrs
We treden in de voetsporen van een van de meest vooraanstaande Duitse musicologen, Doktor Benjamin Gunnar-Cohrs. Ik ken hem goed genoeg (we werkten onder meer nauw samen in het project van de finale van Bruckners Negende symfonie) om geen seconde te twijfelen aan zijn integriteit. Hij heeft veel reconstructiearbeid op zijn naam staan en werkt momenteel aan een nieuwe kritische Bruckner-editie, waarvan inmiddels meerdere uitgaven verschenen zijn.

Particel en partituur
We weten niets over het tijdstip van ontstaan, maar wel dat Schubert minstens drie delen van een ‘symfonie in b' heeft gecomponeerd en eerst vrijwel in zijn geheel in particel heeft opgetekend. De eerste drie van de tien pagina's moeten helaas als verloren worden beschouwd, maar onderzoek heeft geleerd dat die overeenkomen met de eerste 248 maten van het eerste deel. Het schetsmateriaal voor het derde deel, het Scherzo, eindigt helaas bij het ontwerp van het Trio: de daaropvolgende notenbladzijden zijn leeg.

Het particel wordt gevolgd door de partituur, in Schuberts eigen netschrift, bestaande uit 70 doorgenummerde pagina's. De eerste bladzijde fungeert daarbij als titelblad, met daarop fijn gekalligrafeerd: Sinfonia / in / H moll / von / Franz Schubert / mpia (= ‘manu propria', eigenhandig). Plaats en datering: Wien den 30 Octob. 1822.

Het particel kwam na Schuberts dood in 1828, samen met al het andere notenmateriaal, in handen van zijn broer Ferdinand. Na diens overlijden in 1859 kwam het in het bezit van de Weense handschriftenverzamelaar Nicolaus Dumba. De partituur volgde echter een andere weg, naar Anselm en Josef Hüttenbrenner. Beide broers hadden nauwe contacten met Schubert onderhouden. Zo had Josef rond 1822 gefungeerd als Schuberts ‘secretaris', factotum of manusje van alles. Anselm was eerst secretaris en vanaf 1824 directeur van de ‘Steiermärkische Musikverein' in Graz. Dat verklaart misschien ook Schuberts ‘Widmung' van de tweedelige symfonie aan die ‘Musikverein'.

Vaststaat ook dat de partituur in handen was van Josef Hüttenbrenner en dat hij in 1853 daaruit een uittreksel voor piano vierhanden samenstelde. Mogelijk heeft Josef daarbij eigenhandig aantekeningen in Schuberts partituur gemaakt, waaronder een reeks aanduidingen voor de instrumentatie en de reeds aangehaalde doorlopende paginering (blz. 2-70). Uiteindelijk kwam de partituur in handen van Anselm (het tijdstip is niet te achterhalen).

Widmung
Hoe zat het nu precies met de ‘Widmung' van de symfonie? Uit een bedankbrief van Schubert, gedateerd 20 september 1823, komt naar voren dat de componist tot erelid van de ‘Musikverein' was benoemd en blijkbaar wilde de componist - hoewel dat uit die brief niet blijkt - daar iets tegenover stellen. Althans, zo dacht Anselm erover, want voor hem was dit hét bewijs dat Schubert daarom de symfonie aan de ‘Musikverein' had opgedragen.

Wat er vervolgens met de partituur is gebeurd is, is nog steeds ongewis. We hebben het waarschijnlijk aan de Weense dirigent Johann Herbeck, een ijverige verzamelaar van muziekmanuscripten, te danken dat de ‘halve' symfonie bewaard is gebleven. Hij had van horen zeggen dat Anselm Hüttenbrenner tot dan onbekende Schubert-partituren in bewaring had gekregen. Op 1 mei 1865 zocht Herbeck Anselm in Graz op en kon wonderlijk genoeg zonder al teveel moeite de partituur van de tweedelige symfonie meenemen naar Wenen, om het werk daar voor het eerst uit te voeren. Herbeck liet er niet veel gras over groeien: al op 17 december 1865 vond de première plaats, door een orkest van maar liefst ruim honderd musici. Herbeck had duidelijk moeite met de tweedelige opzet van de symfonie, want hij had als 'noodoplossing' voor het ontbrekende derde deel de volgens hem goed daarbij passende, furieuze finale van Schuberts Derde symfonie ingelast.

Aankondiging van het concert van 17 december 1865 o.lv. Johann Herbeck

De bijnaam 'Unvollendete' dook voor het eerst op in 1867, in de gedrukte partituur van de tweedelige symfonie, zoals die verscheen bij de Weense muziekuitgever Spina.

Merkwaardig is dat Anselm Hüttenbrenner de aan Herbeck uitgeleende partituur nooit heeft teruggevraagd. Of dat dit wel is gebeurd, maar de dirigent daaraan geen gehoor wenste te geven. De partituur bleef dus in handen van Herbeck. Anselm overleed in 1868, Herbeck in 1877. De partituur kwam later in handen van Nicolaus Dumba (die al in het bezit was van het pianoparticel). Links op het titelblad prijkt Dumba's handtekening.
Toen Bumba in 1900 overleed, schonk hij het in zijn bezit zijnde materiaal aan de Weense ‘Gesellschaft der Musikfreunde''. Daar ligt het sinds 7 mei 1901.

Het Scherzo bleef lang onder de waterlinie, totdat in 1883 de Pruisische bas en musicoloog Max Friedländer de schetsen onder ogen kreeg en daarover vier jaar later in Berlijn publiceerde. Twee jaar eerder, in 1885, was de ‘halve' symfonie in Leipzig in druk verschenen. De schetsen werden later opgenomen in het ‘Revisionsbericht' bij Serie I van de ‘Schubert Gesamtausgabe'.

Onbekende partituurbladzijde
In 1967 stuitte Christa Landon in het archief van de Weense ‘Männergesangverein' op een tot dan onbekende partituurbladzijde met daarop de maten 10 tot 20 van het Scherzo. De instrumentatie was onvolledig, een pagina-aanduiding ontbrak, wat erop wees dat het notenblad nooit in het bezit van de Hüttenbrenners kon zijn geweest. Het blad leek losgesneden te zijn, door wie en wanneer blijft onbekend. Er is reden om aan te nemen dat het blad, ooit in het bezit van de Schubert-familie, bij de een of andere gelegenheid aan de mannenvereniging geschonken is en mogelijk als aandenken heeft gediend.

In 1978 verscheen onder toezicht van Landon en Walther Dürr bij het uitgevershuis Katzbichler een geactualiseerde fascimile-uitgave, zowel van het partituurfragment als van de schetsen (waarvan de lege bladzijden overigens waren weggelaten). In 1996 verscheen in het kader van de ‘Neue Schubert-Ausgabe' het voltallig beschikbare materiaal bij Bärenreiter als zakpartituur (maar helaas zonder het doorgaans erbij behorende ‘Kritischer Bericht').

Daarmee is zo ongeveer het meest complete, maar wel degelijk door twijfels omgeven beeld geschetst van wat we (denken te) weten omtrent de geschiedenis van Schuberts ‘Unvollendete'. Al wat verder nog resteert is - het wordt nog maar eens uitdrukkelijk gezegd - niets anders dan speculatief.

Twijfels twijfels twijfels…
Er is die merkwaardige tekst van ‘Mein Traum' van 3 juli 1822 en die door velen in verband wordt gebracht met de ontstaansgeschiedenis van de beide delen van de ‘Unvollendete'. Het origineel is afkomstig uit de nalatenschap van Ferdinand Schubert, een afschrift was in het bezit van Franz von Schober.

In een interview dat ik eind 2012 met Frans Brüggen had, merkte hij daarover op: " […] Er schiet me de interessante theorie van Arnold Schering te binnen over Schuberts ‘Unvollendete'. Ergens in de jaren dertig legde hij het verband tussen die symfonie en Schuberts poëem 'Mein Traum' uit 1822. Schering was van mening dat de Onvoltooide helemaal niet onvoltooid is gebleven: hij legde een direct verband tussen de symfonie en dat gedicht, waarin Schubert droomt dat hij tijdens de begrafenis van zijn moeder aan het graf staat. Daar is dan zijn vader, die tegen hem zegt: 'Wat doe jij hier?'  Als de twee delen van dit gedicht op de twee delen van de 'Unvollendete' worden gelegd, klopt het helemaal, qua stemming en qua afronding, maar ook gerekend naar het jaar van het ontstaan van zowel gedicht als symfonie: 1822. Men staat er niet bij stil, maar dit is een van de eerste symfonische gedichten! Toen we de symfonie met net Radio Kamerorkest deden, heb ik op alle lessenaars dat gedicht gelegd."

Maar was dat wel zo? Er is geen enkel document van Schubert overgeleverd waaruit ook maar enig verband blijkt tussen dat gedicht en de symfonie. Schubert rept er evenmin over in zijn brief aan Joseph von Spaun van 7 december 1822. Daarin vermeldt de componist nota bene alle muziek die hij in de laatste maanden heeft geschreven en voegt er veelbetekend aan toe: ‘alles, was ich von mir rund meiner Musik sagen konnte'. Belangrijk is voorts dat de datering (3 juli 1822) niet van de componist is, maar - zo blijkt uit het handschrift - van Ferdinand is. Kortom, er is geen enkel aanwijsbaar verband tussen gedicht en symfonie.

Er zijn echter meer twijfels. Zoals over Schuberts bedankbrief aan de ‘Musikverein' in Graz. Volgens het Schubert-Lexikon riekt het zelfs sterk naar een vervalsing omdat het taalgebruik in de brief bepaald niet des Schuberts is en bovendien de componist zijn brieven nooit op die manier ondertekende. Ernst Hilmar, die het handschrift nader heeft onderzocht, kwam tot de conclusie dat het handschrift veel weg had van een typisch ‘Kanzleischrift'. Van een ambtenaar dus of anders van iemand die in ambtelijke kringen verkeerde. Het lijkt er verder op dat de handtekening als het ware is ingekopieerd vanuit het oorspronkelijke titelblad van de ‘Unvollendete'. Als het inderdaad een vervalsing is doemt de vraag op wat Hüttenbrenner daartoe kan hebben bewogen.

Er is ook twijfel over de authenticiteit van het titelblad van de symfonie. Want wat is gebleken? Het handschrift van de datering wijkt af van die van de titel. Hilmar heeft bovendien vastgesteld dat Schubert alleen op zijn reizen, werkend aan een partituur, consequent zowel de datum als de ‘plaats van handeling' zorgvuldig noteerde. Als hij echter thuis, in Wenen, componeerde deed hij dat nooit. Waarom dan toch Wien den 30 Octob. 1822?

Later gecomponeerd?
Wetenschappers, die een duidelijk verband zien tussen het Scherzo-thema en het beginthema van het Trio in Es uit 1827 hebben geopperd dat de ‘Unvollendete' niet in 1822, maar (veel) later is gecomponeerd. Uit het door zowel Ernst Hilmar als Robert Winter uitgevoerde papieronderzoek is evenwel gebleken dat de symfonie wel degelijk in 1822 moet zijn gecomponeerd. De papiersoort is namelijk dezelfde als die Schubert gebruikte voor de uit datzelfde jaar stammende ‘Wanderer'-fantasie. Bovendien vinden we in de partituur van de ‘Unvollendete' het type bassleutel en de toen typische notenkoppen zoals Schubert die in de jaren 1821 en 1822 neerschreef. Toch moeten ook in dit geval weer enige slagen om de arm omdat Schubert eerder gebruikte notenbladen soms later voor ander werk gebruikte. Ook kwam het voor dat (veel) eerder ingekocht blanco notenpapier pas later maar ook kriskras door elkaar heen en niet gebonden aan een bepaalde periode werd gebruikt.

Creatieve mouw
Van het Scherzo-fragment kan tenminste worden gezegd dat het overgeleverde schetsmateriaal alles bevat dat Schubert voor de verdere uitwerking ervan nodig had. De eerste maten zijn zowaar zelfs volledig geïnstrumenteerd voorhanden. Wat ontbreekt is de verdere instrumentatie en dat we het moeten doen met een slechts rudimentair geschetst Trio. Daaraan valt echter een creatieve mouw te passen Brian Newbould heeft dat – uiteraard op op basis van zijn inzichten* - al bijna een halve eeuw eerder gedaan en uitvoerig toegelicht in zijn in 1990 verschenen boek ‘Schubert and the Symphony', ISBN 9780907689270. De 'oplossing' lag voor de hand: teruggrijpen op Schuberts wijze van instrumenteren (altijd in relatie tot het in die tijd beschikbare instrumentarium, en dan met name de toen gebruikte hoorns en trompetten!) en de herleiding van het Trio zoveel mogelijk vanuit het overgeleverde schetsmateriaal.

Het door Schubert volledig geïnstrumenteerde begin van het Scherzo

Fremdkörper
Het wordt door sommigen als een discrepantie gezien: het ‘lichtere' (anderen spreken zelfs van ‘triviaal') Scherzo ten opzichte van de – tenminste daarmee vergeleken - voorafgaande twee ‘zware' delen. Het is geen nieuw geluid en er zit Iets soortgelijks in de commentaren op Bruckners Negende symfonie in de deels gereconstrueerde, vierdelige versie: het ‘afsluitende' Adagio (veelal ten onrechte als ‘afscheid van het leven' betiteld) en die finale zouden niet bij elkaar passen, terwijl nu juist het merendeel daarvan wel degelijk van Bruckners hand stamt (het wordt hier in extenso uitgelegd). Dergelijke kritiek lijkt eerder een psychologische achtergrond te hebben, ingegeven door een ingesleten uitvoeringstraditie en daarmee de gehoorgewenning, met alles wat daarbuiten valt tot ‘Fremdkörper' gedegradeerd. Terwijl Cooke's 'performing version' van Mahlers Tiende in de loop der jaren dusdanig ingeburgerd is geraakt dat het werk niet meer als zodanig wordt ervaren. Waarbij nog mag worden aangetekend dat Mahler alleen het openingsdeel (Adagio) in zijn vrijwel definitieve vorm heeft achtergelaten en alleen al daardoor het contrast met de overige vier onvoltooid gebleven delen als 'natuurlijk' wordt ervaren.

Wel of niet vierdelig?
Daaruit valt geen enkele definitieve conclusie te trekken. Er is immers niets overgeleverd dat naar een finale wijst. Waarom dan toch uit ander materiaal een finale samenstellen? De Britse musicoloog en manuscriptencollectioneur George Grove, de grondlegger van de bekende ‘Grove Dictionary of Music', kwam op het idee om de 400 maten lange Entr'acte-muziek (eveneens in b genoteerd!) uit ‘Rosamunde' tot finale van de ‘Unvollendete' te verheffen. Zo ging het werk op 5 februari 1881 in Londen ook in première. Maar klopte Grove's these ook? Waterdicht is die allerminst, wat al begint met de instrumentatie die anders is dan van de symfonie. De partituur van ‘Rosamunde' is duidelijk bedoeld voor het typisch negentiende-eeuwse theaterorkest, wat alleen al blijkt uit de partij voor bastrombone, met zijn lagere tessitura en alleen uitvoerbaar op een quarto-trombone in F, een gebruikelijk instrument in toneel- en militaire muziek, maar afwezig in de drie voorafgaande delen van de ‘Unvollendete' (waarin trombones in Bes zijn voorgeschreven). Een ander belangrijk aspect is het (ongedateerde) notenpapier dat volgens Robert Winter aantoonbaar pas vanaf de herfst van 1823 door Schubert werd gebruikt. Wat niet betekent dat de voorstanders van dit alternatief het er bij lieten zitten. Zo werd geopperd dat de componist de Entr'acte-muziek oorspronkelijk voor de finale van de symfonie had bedoeld, maar dat hij deze later omïnstrumenteerde voor ‘Rosamunde'. Tja, het kan.

Een terugkerend argument tegen de ‘Rosamunde'-finale is de theatraal-dramatische inhoud ervan die zich daardoor niet verhoudt tot wat in sommige kringen wordt gezien als Schuberts symfonische esthetiek. Met in het verlengde of als consequentie daarvan dat de beide eerste delen kwalitatief inhoudelijk op een hoger plan zouden staan dan het daarop volgende Scherzo en de ‘Rosamunde'-finale.

De argumenten voor of tegen laten onverlet dat het op zich niet vreemd is om de Entr'acte-muziek toch de status van finale in de ‘Unvollendete' te geven. Er zijn immers talrijke verbindingen aan te wijzen tussen het motiefmateriaal zoals Schubert dat in de drie delen van de symfonie én in ‘Rosamunde' heeft gebruikt. Wie nog mocht twijfelen: Cohrs toont dat overtuigend aan het slot van het voorwoord, in het thematisch overzicht (‘Themen-Übersicht' / ‘Table of Themes'), klip en klaar aan.

Dan is er wederom Newbould die in de Entr'acte-muziek een ‘fully fledged well-proportioned development section with two strands of development' aanwijst die overeenkomt met Schuberts symfonisch model. Terwijl Schubert de sonatevorm in zijn theatermuziek niet gebruikte. Bovendien is het harmonisch concept van de Entr'acte-muziek duidelijk symfonisch van aard en daardoor tamelijk verwijderd van dat van de toen gebruikelijke theatermuziek. En dan is er ook nog het koene b-klein, een toonsoort die toen nog een experimenteel karakter had. En temeer omdat natuurhoorns in B nu eenmaal niet bestonden. De componist moest het noodgedwongen doen met hoorns in D (of hoorns in E in het Andante) en trompetten in E, wat hem er echter niet van weerhield om lange passages in B in te lassen! En dat in toneelmuziek? Het is nauwelijks voor te stellen.

De ‘Unvollendete' met of zonder finale? De waarheid ligt niet eens dicht bij het midden. Het lijkt uitgesloten dat we ooit nog te weten zullen komen of Schubert wel of niet de symfonie van een finale heeft voorzien. En zo ja, in welk conceptueel stadium zich die finale toen bevond. Maar gelukkig kan de cd-koper, anders dan in de zaal, zelf uitmaken of hij wel of niet de ‘Rosamunde'-finale als integraal onderdeel van de symfonie wil beluisteren. Zoals dat ook geldt voor de finale van Bruckners Negende.

Nieuw album
In tegenstelling tot wat op het doosje en in het boekje wordt vermeld is de nieuwe uitgave op het Franse label Aparté niet gestoeld op de voltooide vierdelige versie van Cohrs én Nicola Samale, maar uitsluitend op die van Cohrs. Wel heeft Cohrs tot 2004 met Samale aan het Scherzo gewerkt, maar sindsdien heeft Cohrs het Scherzo opnieuw op de schop genomen (dat geldt voor de gehele instrumentatie en voor de voltooiing van het Trio) en de 'Rosamunde'-finale toegevoegd. Dat resulteerde in 2015 in de 'Completed four-movement Urtext Edition'.

Aparté heeft Cohrs weliswaar toegezegd om op alle zich nog op voorraad bevindende cd's een sticker te plakken ( 'Completed by Samale/Cohrs (2015)' moet zijn 'Completed Urtext by Cohrs 2015') en dat de tweede persing de nieuw opdruk krijgt, maar vooralsnog is daar geen sprake van. Bovendien heeft Aparté verzuimd om de 'oude' exemplaren voor de pers dienaangaande te voorzien van een toelichting (ik kreeg de informatie van Cohrs via e-mail). Dan schijnt er ook iets mis te zijn met de in het boekje afgedrukte links naar de website van Cohrs.

Gelukkig kan ik wel heel wat positiever zijn over de uitvoering van de symfonie door Concentus Musicus Wien, dat vanaf januari 2016 onder leiding staat van Stefan Gottfried, de opvolger van de drie maanden later overleden Nikolaus Harnoncourt. Energiek en kruidig, helder en met stevige accenten, maar wel degelijk fijnzinnig en detailrijk (de fraaie opname helpt duidelijk mee), de agogiek meer in de stijl van Harnoncourt (geen wonder: zijn toenmalige assistentdirigent Gottfried kreeg het van hem bij wijze van spreken met de paplepel ingegoten).

De zeven door Webern en Brahms georkestreerde liederen zie ik helaas als niet meer dan hoogstens een bonus. Boesch en Schubert verdragen zich niet zo best: de bas-bariton toont zich weinig geïnspireerd en opteert bovendien voor een nogal ruwe, soms zelfs houterige aanpak. Ik mis de verfijning in dit vooral vrij vlakke betoog en wachtte tevergeefs op de echt boeiende, expressieve momenten.

_______________
* De Newbould-versie werd begin jaren tachtig door The Academy Of St. Martin in the Fields onder leiding van Neville Marriner op het Philips-label vastgelegd. U kunt dus het hoorbare resultaat zelf gemakkelijk vergelijken met de nu op cd uitgebrachte Cohrs-versie.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links