CD-recensie

 

© Aart van der Wal, november 2008

 

Schubert: Schwanengesang D 957 - Die Taubenpost D 965A - Sehnsucht D 879 - Am Fenster D 878 - Bei Dir allein D 866 - Der Wanderer an den Mond D 870 - Das Zügenglöcklein D 871 - Im Freien D 880.

Christoph Prégardien (tenor), Andreas Staier (fortepiano).

Challenge Classics CC72302 • 72' • (sacd)

www.challenge.nl

   

Wie op het Weense 'Zentralfriedhof' het graf van Schubert bezoekt (zijn stoffelijke resten werden in 1888 van het 'Währinger Friedhof' naar het erengraf op de centrale begraafplaats overgebracht, waar u het kunt vinden bij afdeling 32A, nr. 28), stuit daar op nogal merkwaardige het grafschrift van de Oostenrijkse dichter en toneelschrijver Franz Grillparzer (1791-1872). "Die Tonkunst begrub hier einen reichen Besitz aber noch viel schoenere Hoffnungen [...]"

Alfred Brendel bij het graf van Franz Schubert op de centrale begraafplaats in Wenen

Alsof Schubert (1797-1828) in een tijdsbestek van minder dan twintig jaar niet alleen kwantitatief maar ook kwalitatief een ontzagwekkend oeuvre had achtergelaten en daarmee iedere denkbare belofte ruimschoots had ingelost! Natuurlijk, als Franz een langer leven beschoren zou zijn geweest hadden we zonder enige twijfel nu over een groot aantal werken beschikt die volkomen nieuwe vergezichten zouden hebben geopend. Ik denk daarbij vooral aan de al naar Bruckner verwijzende symfonische fragmenten D 936A die door Luciano Berio in een nieuwe vorm werden gegoten (Rendering) en zo de aandacht van een breed publiek wisten te trekken, met Nikolaus Harnoncourt en Riccardo Chailly als belangrijke pleitbezorgers.

 
  De tussenwoning aan de Kettenbrückengasse 6
(de foto dateert van het begin van de vorige eeuw)

Laatste maanden

De laatste arbeid verrichtte Schubert nog op zijn sterfbed, in de nieuwe woning van zijn broer Ferdinand aan de Weense Kettenbrückengasse 6, toen nog in een nieuwe wijk gelegen die verstoken was van afdoende sanitaire voorzieningen en waar de rondwarende buiktyfus voor een toch al verzwakt lichaam vrijwel zeker de dood betekende. Eind oktober leed de componist reeds aan deze gevreesde ziekte en was het hem niet meer mogelijk om maaltijden tot zich te nemen. Hij kon geen hap binnenhouden en het schijnt dat hij vanaf 1 november tot zijn dood vrijwel niets meer heeft gegeten. Schuberts toestand is uitvoerig beschreven in Frank Walkers Schuberts last illness (Monthly Musical Record, Londen, de uitgave van november 1947).

Hij werkte aan bed gekluisterd en in hopeloze toestand nog aan de drukproeven voor het tweede deel van zijn Winterreise en de duistere symboliek van dat werk zal hem onder de droeve en zware omstandigheden in oktober en november ten zeerste hebben aangegrepen. Rond 17 november kwam het levenseinde in zicht, werd hij overmand door koortsfantasieën en was er zelfs veel spierkracht voor nodig om hem in het bed te houden. Op 19 november om drie uur 's middags draaide de grote componist zich naar de muur, riep "Hier, hier is mijn einde!" en blies de laatste adem uit. Het sterfhuis is nu ingericht als museum, zo'n tien minuten gaans vanaf het metrostation Kettenbrückengasse, vlakbij de Naschmarkt.

Laatste liederen

In januari 1829, twee maanden na Schuberts dood, verscheen een advertentie in de 'Wiener Presse' waarin de muziekuitgever Tobias Haslinger de verschijning van Schwanengesang van Franz Schubert aankondigde. Veertien liederen "die letzten Blühen seiner edlen Kraft [...], die er im August 1828, kurz vor seinem Dahinscheiden, geschrieben." Haslinger had in Schuberts laatste levensjaren nauw met de componist samengewerkt en van diens broer Ferdinand (in wiens huis Franz de laatste maanden van zijn leven was verzorgd) de publicatierechten verworven.
Van een cyclus, zoals bij Die schöne Müllerin en Winterreise het geval was, kon evenwel geen sprake zijn. Niet alleen betrof het liederen op teksten van twee verschillende dichters, Ludwig Rellstab (1799-1860) en Heinrich Heine (1797-1856), maar ook met een groot aantal verschillende onderwerpen. Het enige werkelijk gemeenschappelijke aspect was het samengebonden manuscript waarin alle liederen waren opgetekend. Het veertiende lied, Die Taubenpost op tekst van Johann Gabriel Seidl (1804-1875), lijkt te zijn toegevoegd om aan het ongeluksgetal 13 te ontkomen.
De titel van de bundel was evenwel goed gekozen, want het betrof inderdaad Schuberts 'zwanenzang', waarin een zeer donkere grondtoon overheerst en de rauw-realistische schildering van het verloren geluk bijna obsessieve, caleidoscopische proporties aanneemt.
Schwanengesang valt feitelijk uiteen in twee groepen: zeven liederen op teksten van Rellstab en zes op die van Heine. Er zijn geen andere Schubert-liederen op teksten van Heine bekend. Van Rellstab had Schubert eerder slechts enige teksten gebruikt: Auf dem Strom D 943, Herbst D 945 en het onvoltooid gebleven Lebensmut.

Rellstab-liederen

Over het ontstaan van de zeven Rellstab-liederen is er de bekende anekdote dat Rellstab naar aanleiding van een geplande reis naar Wenen in 1825 Beethoven afschriften van een aantal van zijn gedichten bezorgde met het oogmerk om de grote toondichter - zoals uit het bewaard gebleven begeleidingsbriefje blijkt - 'zur Composition' te bewegen. Het kwam er echter niet van. Na Beethovens overlijden, in 1827, kreeg Rellstab de afschriften terug, voorzien van potloodaantekeningen van Beethovens hand. Niet lang daarna kwam Schubert met deze gedichten in aanraking, wat eens te meer aantoont dat Schubert zich als de opvolger van Beethoven beschouwde, en als liedcomponist mogelijk zelfs als diens 'voltooier', zij het met de randbemerking dat aan Beethoven, afgezet tegen diens grootse oeuvre, als liedcomponist slechts een bescheiden betekenis kan worden toegekend.
De zeven liederen op gedichten van Rellstab (Liebesbotschaft, Kriegers Ahnung, Frühlingssehnsucht, Ständchen, Aufenthalt, In der Ferne en Abschied) worden gekenmerkt door de uiteeenlopende onderwerpkeuze, variërende van het eenvoudige lyrische strofenlied (inclusief de realistische schildering van een voortkabbelend beekje) in Liebesbotschaft en Aufenthalt tot het doorgecomponeerde, duistere en onheilspellende Kriegers Ahnung (met daarin een heuse dodendans). In der Ferne is een grillig harmonisch vormgegeven wereld op zich, waarin de zanger door het tekstmetrum bijna buiten adem raakt en in een pijnlijke schreeuw eindigt: 'grüsst von dem Fliehenden, Welt hinaus Ziehenden'.

Heine-liederen

Schuberts kennismaking met de liederen van Heine dateert van januari 1828, en danken we aan zijn vriend Franz von Schober die voor de componist een boekenverzameling had ingericht, waaronder zich ook Heine's in 1827 verschenen Buch der Lieder bevond, met daarin de gedichtencyclus Heimkehr. In de herfst van dat jaar liet de componist het boek na aan de zanger Karl von Schönstein, die vele jaren later daarover berichtte dat alle gedichten uit het boek die in Schwanengesang waren opgenomen, van 'Einbüge' waren voorzien, een teken dat de componist de teksten zorgvuldig had uitgekozen. Uit Schuberts manuscript blijkt dat hij voor een andere volgorde koos. Het is in dit verband jammer dat in het verleden pogingen zijn ondernomen om Heine's volgorde aan te houden. En waarom eigenlijk? Schubert koos uiteindelijk slechts zes van de in totaal 88 door de auteur consequent genummerde Heimkehr gedichten, terwijl er bovendien qua inhoud geen enkele sprake is van enige uniformiteit. De beste weg is en blijft Schuberts eigen volgorde, zoals ook bij deze nieuwe Challenge Classics uitgave het geval is.
De contrastwerking in deze Heine-liederen is aanmerkelijk groter dan in die van Rellstab, wat alles te maken heeft met de tekst. We ontmoeten hierin voor de eerste keer in Schuberts liedoeuvre een ongekend suggestieve textuur van bijna hallucinerende dimensies, maar waarvan de muzikale karakterisering met werkelijk geniale hand is fijngeslepen. De Heine-Liederen heeft Schubert nog aan de in Leipzig gevestigde muziekuitgever Heinrich Albert Prost aangeboden: "[...] Auch habe ich [behoudens de drie laatste pianosonates D 958-960 en het Strijkkwintet D 956 - AvdW) mehrere Lieder von Heine aus Hamburg gesetzt, welche hier außerordentlich gefielen [...]" Dit maakt overigens op slag duidelijk dat de componist de zes Heine-liederen als zelfstandige groep beschouwde.
Die Taubenpost op tekst van Johann Gabriel Seidl (1804-1875) werd in oktober (1828) gecomponeerd en vormt met het eveneens in die maand gecomponeerde Der Hirt auf dem Felsen het slot van Schuberts compositiearbeid. Het maakt om die reden 'officieel' geen deel uit van Schwanengesang.

Prégardien en Staier

Schubert schreef de liederen in de tenorligging en het maakt nogal wat verschil als er een bariton mee aan de slag gaat: er moet dan onherroepelijk worden getransponeerd, wat de oorspronkelijke zetting van het lied direct aantast. Schubert heeft dat vaak genoeg in de praktijk meegemaakt: hij was immers goed bevriend met de bariton Michael Vogl, de eerste bariton aan de Weense Hofoper, die in huiselijke kring (de Schubertiaden) vaak liederen van zijn vriend zong. Dat is een bewijs temeer dat transponeren niet per se problematisch hoeft te zijn, al heeft de uitweg naar een andere toonsoort voor sommige liederen in termen van karakterisering wel degelijk nadelige gevolgen. Zelfs een mezzo heeft zich - zelfs met groot succes - aan Schwanengesang gewaagd: Brigitte Fassbaender (begeleid door Aribert Reimann op het DG-label). Het is opmerkelijk hoezeer zij het 'manlijke' karakter in deze liederen zo raak wist te treffen. Sterker nog, het is en blijft een van de mooiste vertolkingen ooit, hoewel de gekozen volgorde niet in overeenstemming is met die van Schubert.

De tenor Christoph Prégardien die nog niet zo lang geleden met een formidabele Winterreise op de proppen kwam (met Michael Gees op de 'gewone' piano - klik hier voor de recensie), overtreft zichzelf en iedereen met dit formidabele Schwanengesang met inbegrip van de overige zeven liederen. Bij Prégardien draait het om zijn muzikaal meesterlijke 'vertaling' van de ongekende expressiemogelijkheden die in deze juwelen besloten liggen. Hij toont zich een ware kameleon, die even gemakkelijk de lyrische onschuld in Liebesbotschaft over het voetlicht brengt als de verstilling in Ihr Bild opzoekt. Der Atlas is van begin tot einde van een vulkanische kracht, het recitatieve Der Doppelgänger van een alles verzengende heftigheid die zijn weerga niet kent. Prégardien trekt zijn fantastische legatobogen moeiteloos over de maatstrepen heen, ongeforceerd in Ständchen, blijmoedig in Das Fischermädchen, sterk emotioneel geladen in Am Meer. Frasering en dynamiek zijn bijna 'vrijgevochten', zoals alleen een zanger met een enorme ervaring dat kan bereiken.

Van alle pianisten heeft András Schiff mijn voorkeur (met de tenor Peter Schreier op Decca), maar het is toch wel bijzonder aantrekkelijk om op deze nieuwe cd Andreas Staier op een fortepiano (een kopie van een negentiende-eeuwse Graf-vleugel) te horen. Het lijkt niet waarschijnlijk dat we in authentiek opzicht nóg dichter bij Schuberts liedkunst kunnen komen. De term 'begeleiding' zou het spel van Staier hier ernstig tekort doen. Het is aan de pianist om de handeling niet alleen waar nodig voor te bereiden, maar tevens toe te lichten, of alleen maar te ondersteunen. Een voorbeeld daarvan vinden we in Die Stadt, waarin de opdoemende mistflarden worden gesymboliseerd door de toonsoort in nevelen te hullen. De prachtige opname bezit zonder meer demonstratiekwaliteit


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links