CD-recensie

 

© Aart van der Wal, april 2005

 

Schubert: Pianosonate nr. 21 in Bes, D 960 (op. postuum) - Moments musicaux D 780 (op. 94).

Dejan Lazic (piano).

Channel Classics CCS SA 20705 • 72' • (sacd)


Het is bijzonder spijtig maar fact of life dat het eerder uitzondering is dan regel dat instrumentalisten van de jonge generatie een echt eigen visie op de muziek etaleren. Ook wat dit betreft is oorspronkelijkheid een groot goed en kan het niet voldoende worden gewaardeerd dat er zich af en toe een musicus presenteert die echt iets te zeggen heeft en daardoor inhoudelijk iets toevoegt aan het werkelijk tot op het bot afgekloven standaardrepertoire.

Misschien is het niet toevallig dat de kleinere labels in dit opzicht het meeste te bieden hebben, wat Channel Records hier niet voor het eerst bewijst met de in 1977 in Zagreb geboren Dejan Lazic die 'zijn' Schubert op een wijze benadert die mij uit het hart is gegrepen. Dat doet hij met een overtuigingskracht die niet in de koude kleren gaat zitten.

De sonate in Bes behoort met de sonates in c (D 958) en A (D 959) tot de laatste instrumentale composities in Schuberts sterfjaar. Deze drie in september, twee maanden voor zijn dood, gecomponeerde sonates vormen de kroon op Schuberts lange reeks pianowerken. De eerste overgeleverde compositie was ook een pianowerk: de Fantasie in G voor vier handen, gecomponeerd tussen 8 april en 1 mei 1810. In die relatief korte periode van achttien jaar legde Schubert in creatief en vernieuwend opzicht een lange weg af en we kunnen niet dankbaar genoeg zijn dat zijn enorme werklust in de beperkte tijd die hem gegeven was zoveel bijzondere schoonheid heeft opgeleverd.

De laatste arbeid verrichtte Schubert nog op zijn sterfbed, in de nieuwe woning van zijn broer Ferdinand aan de Weense Kettenbrückengasse, toen nog in een nieuwe wijk gelegen die verstoken was van afdoende sanitaire voorzieningen en waar de rondwarende buiktyfus voor een toch al verzwakt lichaam vrijwel zeker de dood betekende. Eind oktober leed de componist reeds aan deze gevreesde ziekte en was het hem niet meer mogelijk om maaltijden tot zich te nemen. Hij kon geen hap binnenhouden en het schijnt dat hij vanaf 1 november tot zijn dood vrijwel niets meer heeft gegeten. Schuberts toestand is uitvoerig beschreven in Frank Walkers Schuberts last illness (Monthly Musical Record, Londen, de uitgave van november 1947).

Hij werkte aan bed gekluisterd en in hopeloze toestand nog aan de drukproeven voor het tweede deel van zijn Winterreise en de duistere symboliek van dat werk zal hem onder de droeve en zware omstandigheden in oktober en november ten zeerste hebben aangegrepen. Rond 17 november kwam het levenseinde in zicht, werd hij overmand door koortsfantasieën en was er zelfs veel spierkracht voor nodig om hem in het bed te houden. Op 19 november om drie uur 's middags draaide de grote componist zich naar de muur, riep "Hier, hier is mijn einde!" en blies hij de laatste adem uit. Overeenkomstig zijn wens werd Schubert vlakbij Beethoven begraven.

De sonate D 960 is weliswaar veelvuldig op lp en cd gezet, maar slechts enige daarvan gaven mij aanleiding tot enthousiasme. Vanzelfsprekend hoeft u mijn mening niet te delen, maar - afgezien van Lazic - komen er naar mijn smaak niet meer dan drie uitvoeringen voor intensieve, dat wil zeggen herhaalde, beluistering in aanmerking: Clifford Curzon (Decca), Stephen Bishop-Kovacevic (Philips) en de eerste Philips-opname met Brendel (om verwarring te voorkomen: Philips 420.644-2). De veel geprezen uitvoering door Mitsuko Uchida (Philips) mist naar mijn gevoel geheel en al de pointe in het andante sostenuto.

Lazic, die onlangs met cellist Pieter Wispelwey een formidabele vertolking ten beste gaf van Beethovens sonates en variaties voor cello en piano (klik hier voor de recensie), mag zich vooral gelukkig prijzen met Wispelwey als producer en Jared Sacks als opnametechnicus in deze fabuleuze Schubert-opname. We worden toch maar zelden op een dusdanig realistische vleugelklank (die van de Steinway Hamburg D-274, de fameuze 'D') getrakteerd, dezelfde grootste Steinway die ook in die Beethoven-opname werd gebruikt! Alleen al het láág!

Wat doet Lazic wat anderen te weinig of in het geheel niet doen? Het begint al met een weldadige rust die vooral de hoekdelen beheerst. Het is een voorrecht om over een volmaakte techniek te beschikken die tot in de kleinste finesses ondergeschikt wordt gemaakt aan het rijke gedachtegoed dat in deze sonate besloten ligt. Misschien is dat wel het meest indrukwekkende van iedere vorm van musiceren die geen wezenlijke betekenis hecht aan epaterende virtuositeit als de muziek er niet om vraagt. Dat eerst eens goed naar de muziek wordt gekéken, de achter het notenbeeld nog verhulde gedachtewereld vooreerst eigen wordt gemaakt en die aan de toehoorder over te brengen. Dat is uiteindelijk een vorm van communicatie waarbij de vertolker - zoals Lazic hier doet - zich volstrekt dienstbaar aan de componist opstelt zonder zijn eigen artistieke identiteit op te geven. Door eerst te kijken en te onderzoeken en dan vervolgens mentaal en fysiek gestalte te geven aan hetgeen die zoektocht uiteindelijk heeft opgeleverd is de kans groot dat hieruit iets heel moois en indrukwekkends tevoorschijn komt.

Het openingsdeel, molto moderato, bouwt Lazic - weloverwogen of intuïtief, het doet er niet toe - op vanuit de linkerhand. Hij benadrukt niets maar 'ziet' de organische kruisverbanden zowel in de fameuze bastrillers (dat begint al in mt. 9 en 20) als in de ogenschijnlijk 'slechts' als 'begeleiding' bedoelde zestienden notengroepen (mt. 21 e.v.). De toonsoortwisseling bij mt. 21 krijgt bijzonder reliëf door de wijze waarop hij die in de voorafgaande maat als het ware voorbereidt. Al op de eerste bladzijde legt Lazic wat dat betreft dus zijn fraaie kaarten op tafel. Er is ook de aandacht voor het detail zonder dat dit ten koste gaat van de structuur. De fraseringen zijn overminderd precies, crescendi en diminuendi worden raak getroffen, accenten worden gevarieerd ingekleurd en is de ritmische pregnantie weldadig gedifferentieerd. Niet alleen zijn de hoofdtempi raak getroffen, maar nuanceert Lazic ook de opbouw van zijn gloedvolle betoog middels kleine tempodifferentiaties, terwijl de onderstroom, de puls, daarin consistent geïntegreerd blijft. De dynamische nuancering is weloverwogen, goed geproportioneerd en altijd organisch ingebed.

In het middendeel, andante sostenuto, legt Lazic terecht de klemtoon bij andante, waardoor geen sprake is van langzaam voorbijtrekkende treurnis maar van een contemplatieve sfeertekening van grote dimensies. De tedere octaafsprongen in de linkerhand zijn écht pianissimo en het tweede thema ademt een weemoedig cantabile van zeldzame schoonheid. De lage basnoten krijgen onder zijn handen een bijzonder reliëf.

Het scherzo is precies wat het zijn moet, een delicaat allegro vivace waarin Lazic een rijk palet aan toonkleuren demonstreert en weer excelleert in het feilloos aanbrengen van nuances, met steeds weer die zo belangrijke en prachtig gefraseerde linkerhandpartij. Het trio is even een andere wereld en munt uit door grote ritmische precisie.

Lazic rekent af met de opvatting dat de finale (te) naïef en lichtvoetig zou zijn ten opzichte van met name het openingsdeel. Natuurlijk leidt ook deze muziek onder een oppervlakkige speeltrant of uitsluitend een puur muzikanteske benadering. Het is een terugblik op betere tijden, een onvermoeibare wandeling door de fraaie natuur rond Wenen, onderbroken door de diepere klanken van de wanhoop, ongenaakbare akkoorden die het noodlot lijken te symboliseren, met syncopen die de onrust niet onder stoelen of banken steken.

In de verkeerde handen is het openingsdeel ten opzichte van de overige drie delen topzwaar en dan te meer als de herhaling van de expositie wordt gerespecteerd. Het molto moderato neemt dan ongeveer evenveel tijd in beslag als de overige delen samen, rond de twintig minuten. Lazic respecteert gelukkig die herhaling en dat levert 'en passant' ook nog de negen zeer bijzondere overgangsmaten op die we anders zouden missen.

Het merendeel van de Moments musicaux (het boekje vermeldt musicals) D 780 (op. 94) componeerde Schubert waarschijnlijk in november 1827 en ze sluiten qua gemoedsstemming goed aan bij de sonate. Mogelijk zijn deze romantisch getinte miniaturen bedoeld geweest als studies zoals ook het geval is met de 'Drei Klavierstücke' uit mei 1828.Weer toont Lazic zijn bijzondere klasse in zijn benadering en uitwerking van deze muziek, 'Lebensstürme' met grote diepgang. Hij is bijvoorbeeld de prachtig schilderende lyricus die de bovenste tonen van de gebroken akkoorden met meesterhand laat samenvallen met de melodie in de rechterhand.

Ik vind dit al met al een prachtig opgenomen aanwinst in een repertoire dat we toch al door en door menen te kennen. Des te groter en boeiender zijn dan de vele verrassingen die Lazic ons weet voor te schotelen. Heel bijzonder!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links