CD-recensie

 

© Aart van der Wal, juni 2020

Schubert: Impromptus D 899 - Moments Musicaux D 780

Ingrid Carbone (piano)
Da Vinci Classics C00253 • 60' •
Opname: oktober 2019, Odradek Records Studio

   

Niet Franz Schubert heeft de impromptu bedacht, maar de Tsjech Jan Václav Hugo Vorísek (1791-1825). Een tijdgenoot dus van zowel Schubert (1797-1828) als Beethoven (1770-1827). En, niet toevallig, ook Vorisék stierf in Wenen: op 19 november 1825. Ook hij behoorde tot het echelon toondichters en musici dat door de muziekmetropool werd aangetrokken.

Die 'impromptus', korte pianostukken, vielen bij het Weense publiek zeer in de smaak. Zozeer zelfs dat ze al snel uitgroeiden tot een belangrijk genre. Dat ging uiteraard ook aan Schuberts muziekuitgever niet voorbij en dus doopte die eigenmachtig de door Schubert aangeboden ‘Klavierstücke' om tot ‘Impromptus'. Blijkbaar in de verwachting dat daardoor de verkoopcijfers positief zouden worden beïnvloed. Niet dus. Schubert was en bleef voor het Weense publiek een schaduwcomponist en daar konden ook deze ‘impromptus' niets aan veranderen. Een lot dat ook de 'Moments Musicaux' was beschoren.

Maar niet alleen de naamgeving kwam onder het hakblok terecht: zo werd de veel later zo bekend geworden Impromptu in Ges-groot, de derde van D 899, door dezelfde uitgever gemakshalve maar een halve toon hoger getransponeerd, waardoor de oorspronkelijke zes mollen keurig konden worden ingewisseld voor slechts één kruis: de fiere fis van G-groot. Waardoor het karakter van het stuk echter wel drastisch veranderde. Niemand die er echter van wakker lag. Ook voor de arme componist zal wellicht hebben gegolden: als het maar verkoopt. Later zou ook Brahms daarin nog een belangrijke rol spelen toen hij in opdracht van het vooraanstaande uitgevershuis Breitkopf & Härtel Schuberts pianowerken aan een strenge redactie onderwierp. Hij zal toen niet het gevoel hebben gehad dat hij zich op glad ijs bewoog, want ‘het kon er alleen maar beter van worden'. Ook Julius Epstein (1832-1926) heeft zich er na Brahms nog over gebogen, met uiteraard weer een ander resultaat. Wat overigens ook geldt voor de Walter Gieseking (1895-1956), de pianist die ook nu nog dankzij diens vele opnamen van zich doet spreken. Het was toen nog wat een lange weg zou worden in de richting van voor ons zoiets vanzelfsprekends is geworden als de ‘Urtext'-uitgaven, ontdaan van allerlei ingrepen door derden; meestal met de beste bedoelingen overigens.

Men mag zich daarbij echter nog een belangrijke vraag stellen: hoe staat het met de de verschillende interpretaties vanuit het vakkundig gerestaureerde notenbeeld? De vrijheid die de individuele kunstenaar zich veroorlooft om – en dat geldt zeker voor deze kostelijke miniaturen, ware schoolvoorbeelden van zéér geslaagde ‘oefeningen' in de kleine vorm – deze muziek naar zijn of haar inzichten tot leven te brengen? Er is immers geen pianist te vinden die niet op eigen gezag er een eigen ‘invulling' aan wil geven, waarbij het uiteraard verder aan de luisteraar wordt overgelaten of hij er zich wel of niet mee kan associëren. Wat vanuit historisch perspectief 'verantwoord' is blijkt in de praktijk vaak genoeg ook een kwestie van perceptie te zijn, hoewel sommigen graag anders willen doen geloven.

Die eigen invulling, het blijft - gelukkig! - nog steeds een waardevol attribuut dat de muzikale beleving naar nieuwe hoogten kan stuwen. Dat geldt dan primair voor uitvoeringen die we als het topsegment zijn gaan beschouwen, met in de voorste gelederen pianisten van het kaliber Arrau, Brendel, Uchida, Lupu, Pires, Schiff, Perianes en Hamelin. En dan is er die onnavolgbare Sokolov die op het concertpodium er steeds weer in slaagt om een wel zeer eigenzinnig evocatief panorama te ontvouwen en wiens uiterst expressieve, menigmaal zelfs grillige spel zich losgezongen lijkt van welke (vermeende) traditie ook en misschien wel juist daardoor zo weet te fascineren. Waar ik dan gelijk maar bij aanteken dat een voor ‘eeuwig' vastgelegde live-uitvoering toch altijd die ene live-uitvoering blijft en waarin het concept tot de uiterste grenzen wordt verkend en waarvan het resultaat niets meer weg heeft van een vooraf tot in het kleinste detail overdachte interpretatie. In the heat of the moment, noemen de Engelsen dat, met uiteraard de onvermijdelijk daaraan verbonden voors en tegens.

De ‘impromptus' (D 899), de ‘moments musicaux' (D 780): ach, het is slechts een naamgeving die volkomen in de schaduw staat van wat inhoudelijk zonder meer Grote Muziek - ja, met hoofdletters! - is. Muziek die voortdurend weet te betoveren en waarvan de gekozen vorm volmaakt aansluit bij wat drama en lyriek vermag en waarvan iedere noot het dankzij die zo facetrijke eigenschappen zonder enige verdere opsmuk kan stellen. Dat heeft overigens niet iedere pianist(e) goed begrepen, het spel getooid met het misverstand dat een bewust gekozen eigen interpretatieprofiel juist die opsmuk wel nodig zou hebben. Men kan, de grote onderlinge verschillen in interpretatie tonen het aan, wel degelijk voldoende manoeuvreren binnen die onverbiddelijk gegeven context zonder in gesjoemel te vervallen.

Dat gezegd hebbende is er geen sprake van een door diezelfde discografische geschiedenis bepaalde traditie waaraan iedere nieuwkomer zich dan maar zou moeten conformeren. Of met andere woorden: de betovering mag steeds weer opnieuw toeslaan. Zoals Ingrid Carbone bewijst met haar nieuwe album, dat niet zonder reden de titel ‘L'Enchantement retrouvé' meekreeg: in dit geval de betovering die in haar ogen kon (moest?) worden hervonden en die zij met hart en ziel wist in te lossen. Waarbij haar compositiestudie haar mogelijk mede heeft geholpen bij wat uiteindelijk toch een van de mooiste aspecten van haar interpretatie is: het opnieuw ontdekken van het notenmateriaal en het er vervolgens interpretatief richting aan geven en ver weg te blijven van wat ik maar theoretisch droogzwemmen noem en dat uiteindelijk niets brengt; en al helemaal niet voor de toehoorder. Deze muziek moet klinken zo fris als dauw en zo helder als glas, met de accenten daar gezet waar ze - gegeven de individuele belevingswereld van de musicus - het meest welsprekend zijn. Accelerandi en rubati worden zo niet een doel op zich maar krijgen gestalte met een souplesse die – het mag best als paradox worden opgevat - vormvast is ingebed. Met uiterlijk vertoon, met epateren heeft dit niets te maken, maar wel met toewijding, bevlogenheid, intimiteit en dichterlijke metamorfose. Het levert een overtuigend exposé op van wat in mijn oren altijd een fascinerend landschap zal blijven. De sonoriteit van de voortreffelijk geïntoneerde en gestemde Bechstein-vleugel (het model D stamt uit de Angelo Fabbrini-collectie) en de gedetailleerde opname blijken de ideale dragers voor dit rijk geschakeerde, magnifieke spel van deze alom geprezen prijswinnares (u vindt over haar het nodige op het internet).


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links