CD-recensie

 

© Aart van der Wal, mei 2020

Schubert: Octet in F, D 803

Quatuor Modigliani, Sabine Meyer (klarinet), Bruno Schneider (hoorn), Dag Jensen (fagot), Knut Erik Sundquist (contrabas)
Mirare Mir438 • 62' •
Opname: augustus en september 2018, Everding-Saal, Grünwald (D)

   

Op 1 maart 1824 voltooide Frans Schubert (1797-1828) het Octet in F voor blazers en strijkers: klarinet, hoorn, fagot, strijkkwartet en contrabas. Volgens zijn vriend Moritz von Schwind had Schubert er koortsachtig aan gewerkt en ondanks zijn ziekte ademt het werk het oerbeeld van Weense charme en luchthartigheid. In die zin staat het octet haaks op de direct daarop volgende beide strijkkwartetten en die het muziekleven zijn ingegaan als respectievelijk het ‘Rosamunde' en het ‘Tod und das Mädchen' kwartet. Ze weerspiegelen wel de stemming zoals Schubert die eind maart aan Leopold Kupelwieser optekende: ‘Ich fühle mich als den unglücklichsten, elendsten Menschen auf der Welt'. Om vervolgens het begin van het lied ‘Gretchen am Spinnrade' te citeren: ‘Meine Ruh' ist hin, mein Herz is schwer, ich finde sie nimmer u. nimmermehr […] ‘so kann ich jetzt wohl alle Tage singen, denn jede Nacht, wenn ich schlafen geh', hoff ich nicht mehr zu erwachen, u. jeder Morgen kündet mir nur den gestrigen Gram'.

De kommer zit diep, de oplichtende momenten zijn zeldzaam geworden. Maar toch, dat octet straalt een en al levenslust uit, het vakmanschap in dit zo bijzondere genre is ongekend. Dat laatste lijkt overigens geen wonder: Schubertj had al een groot oeuvre achter zich, waaronder maar liefst zes voltooide symfonieën en bovendien de expressief zo rijk geschakeerde ‘Unvollendete'. We weten niet zeker of Beethovens septet als voorbeeld voor het octet (met slechts daaraan toegevoegd een tweede viool) heeft gediend, maar voor de hand ligt het wel. Zoals we ook weten dat Schubert nooit echt is losgekomen van deze alles en iedereen overschaduwende grote tijdgenoot, wat de oorspronkelijkheid van zijn werk overigens nooit in de weg heeft gestaan. Wat beide componisten in dit geval met elkaar gemeen hadden, Beethoven in het septet en Schubert in het octet, was het experiment met alle denkbare klankkleuren die een dergelijke instrumentale combinatie mogelijk maakte. Misschien is dit voor hen beiden wel de belangrijkste impuls geweest. Maar evenals in Mozarts Gran Partita ligt er nog meer in het verschiet, zoals de briljant uitgewerkte virtuositeit en het voortdurend opvlammende concertante karakter ervan, het laatste vooral toebedeeld aan klarinet, hoorn en eerste viool. Dat Schuberts octet een aanmerkelijk rijper werk is dan Beethovens septet ligt voor de hand: Beethoven werkte aan zijn septet kort na zijn studies bij Haydn en nog ruim vóór de Eerste symfonie (het septet zou in zekere zin als voorstudie daarvan hebben kunnen dienen), terwijl Schuberts octet een en al artistieke rijpheid vertegenwoordigt.

Voor de uitvoering van het octet is door het Franse label Mirare een aantal topmusici bij elkaar gebracht: het zijn uitsluitend klinkende namen, van het Quatuor Modigliani, Sabine Meyer (klarinettiste), Bruno Schneider (hoorn), Dag Jensen (fagot) en Knut Erik Sundquist (contrabas). Weliswaar een gelegenheidsensemble, maar zo klinkt het – gelukkig! – niet. Integendeel, de coherentie is groot, de spontaniteit is er niet minder om en de lyriek (Adagio, Andante) kan vrijelijk stromen. Er wordt hier zoveel ervaring in het spel gebracht dat het eigenlijk niet anders kan dan dat puur technische aspecten als klankvorming en balans tot de vanzelfsprekendheden behoren. En wie, zoals hier, technisch losstaat van de materie kan pas echt artistieke invulling geven aan het voorliggende discours. De Everding-Saal in Grünwald ontpopt zich voor dit zo fascetrijke opus als de ideale opnamelocatie.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links