CD-recensie

 

© Aart van der Wal, november 2016

 

De la Rue: Missa Nuncqua fue pena mayor - Salve regina VI - Missa Inviolata - Magnificat sexti toni

The Brabant Ensemble o.l.v. Stephen Rice

Hyperion CDA68150 • 79' •

Opname: augustus 2015, Parish Church of St John the Baptist, Loughton, Essex (VK)

 

Wikipedia is niet altijd een betrouwbare bron, maar in het geval van Pierre de la Rue bestaat slechts weinig twijfel: Pierre de la Rue, in sommige bronnen ook vermeld als Van Straeten, de Vico en Platensis (Kortrijk omstreeks 1450 [1] - Kortrijk, kort voor 20 november 1518) was een componist en zanger uit de school der Nederlandse polyfonisten en een geestelijke.

Hij was waarschijnlijk de zoon van Gertrude de la Haye (ofwel van 's-Gravenhage) en van de miniaturist Jehan de la Rue. Uit stamboomonderzoek blijkt dat nakomelingen nog steeds in dezelfde streek wonen.
Over de jeugd en opleiding van De la Rue weten we weinig tot niets. Wel dat hij voor het eerst als zanger in 1469-70 staat geregistreerd in het archief van de voormalige Sint-Goedelekerk (later omgedoopt in Sint-Michiels en Sint-Goedelekathedraal). In 1471 was hij aan de Sint-Jacobskerk in Ghent. Vervolgens zou hij in dienst zijn genomen in onder meer Nieuwpoort (van 1472 tot ongeveer 1477), Keulen (tot 1489), en Kamerijk (tijdstip onbekend). Op 17 november 1492 werd De la Rue lid van de Grote Kapel van keizer Maximiliaan I en vergezelde hij zijn werkgever nog in hetzelfde jaar naar 's-Hertogenbosch, waar hij formeel lid van de Illustere Lieve Vrouw Broederschap werd.

Op Spaanse bodem
Na de kroning van Maximiliaan I als Rooms keizer (1493), nam diens zoon, aartshertog Filips I van Castilië, de Grote Kapel over. De aartshertog vertrok met hem op 4 november 1501 uit Brussel om naar Spanje af te reizen. Behalve De la Rue behoorden ook Alexander Agricola, Marbriano de Orto, Antonius Divitis en Nicholas Champion tot de Kapel. In mei 1502 betrad Filips Spaanse grond. In het voorjaar van 1503 keerde de aartshertog uit Spanje terug en ontmoette op 11 april 1503 zijn zus Margareta van Savoye, wier belangrijkste musicus Robert Févin was. Op 23 juli 1503 keerde Filips naar de Nederlanden terug, waarna hij naar Duitsland trok om zijn vader Maximiliaan te bezoeken. De la Rue moet in die periode in het gezelschap van de aartshertog hebben verkeerd. De la Rue stond bij hem in hoog aanzien, wat blijkt uit de toekenning van een kanunnikschap, verbonden aan de Onze-Lieve-Vrouwkerk in Kortrijk.

Op 10 januari 1506 ondernam het Bourgondische hof met de hofkapel een tweede Spanjereis. De overtocht ging per schip, met de zangers en instrumentalisten ondergebracht op een eigen schip. Op 13 januari 1506 dreef een storm een deel van de vloot, waaronder het schip waarop de musici zich bevonden, naar Falmouth. Twee zangers verdronken. Op 27 april landde de vloot pas in La Coruña. Filips trok met zijn hofhouding voor de zomer naar Valladolid en Burgos, waar hij vereenzaamd en koortsig op 25 september 1506. Na zijn dood werd de hofkapel grotendeels door koningin Johanna van Castilië overgenomen. Tot haar hofhouding behoorden ook De la Rue en Juan de Anchieta, de belangrijkste Spaanse componist in die tijd. De la Rue bleef tot 1508 in Spanje, waarna hij naar de Nederlanden trekt, vermoedelijk omdat zijn werkgever, Johanna van Castilië, na het overlijden van haar echtgenoot Filips I van Castilië (de Schone) in 1506, politiek geen rol meer kon spelen. Ze werd waanzinnig verklaard.

Naar Mechelen
Nadat hij naar de Nederlanden was teruggekeerd, trad hij bij in Mechelen residerende landvoogdes Margareta van Oostenrijk in dienst. Officieel bleef De la Rue nog tot 1514 lid van de hofkapel en werden hem ook later nog talrijke gunsten toegekend. Van 1514 tot 1516 behoorde hij tot de persoonlijke kapel van de latere keizer Karel V en reisde hij met hem door de Nederlanden. Hij trok zich nochtans begin 1516 in Kortrijk terug, waar hij kanunnik werd. Op 16 juni 1516 maakte hij zijn testament op.

De tekst op zijn grafsteen in Kortrijk suggereert dat hij ook aan de hoven van Frankrijk en Hongarije heeft gewerkt, hoewel er geen andere aanwijzingen daarvoor bestaan. Ook staat inmiddels wel vast dat anders dan vorige biografen van De la Rue vermoedden, hij tussen 1483 en 1485 niet in het Italiaanse Siena verbleef. Hij heeft nooit een voet in Italië gezet, wat doet vermoeden dat het een naamgenoot moet zijn geweest. De la Rue was een van de weinig belangrijke componisten van de Nederlandse polyfone school die hun loopbaan niet deels in in Italië doorbrachten.

Breed oeuvre
De la Rue schreef missen, motetten, Magnificats, zettingen van de Klaagzangen en liederen. Dat hij als componist in hoog aanzien bewijst wel deze cd met twee missen, een Salve regina en een Magnificat. Ze munten uit in oorspronkelijkheid en verscheidenheid. Zowel in opzet als uitwerking zijn er duidelijke overeenkomst met het werk van Josquin Des Prez, de enige componist in die tijd die zich met De la Rue kon meten en hem op het gebied van de inventie nog oversteeg.

De La Rue behoorde met onder anderen Johannes Ockeghem (ca. 1410-1497) tot de tweede lichting van de Nederlandse Scholen, de verzamelnaam voor de componisten die afkomstig waren uit Brabant, Vlaanderen, Henegouwen, Kamerijk en Picardië en die excelleerden in fijnzinnig contrapunt. De eerste generatie kende Dufay (1397-1474) als de meest vooraanstaande componist, waarbij de cantus firmus, meestal gezongen door de tenorstem, in de vocale compositietechniek centraal stond. De derde generatie kreeg Europese contouren met daarin Isaac (ca. 1445-1517), Obrecht (ca. 1455-1505) en Des Prez (ca. 1440-1521) als de belangrijkste figuren. De cantus firmus stond nog weliswaar nog in het middelpunt, maar werd uitgebreid naar andere stemmen met toepassing van imitatietechnieken. Dan was er de vierde school, die zich onder leiding van Willaert (ca.1490 - 1562) in Venetië toelegde op de dubbelkorige Italiaanse madrigaalkunst. Een andere stroming, met als belangrijkste vertegenwoordigers Clemens non Papa (ca. 1510 – ca. 1555) en Gombert (ca.1495-ca.1560), bracht het motet tot grote bloei in de door Karel V geregeerde Nederlanden, Duitsland en Spanje. Ten slotte was het de vijfde generatie onder aanvoering van Lassus (ca. 1532-1594) en De Monte (1521-1603) die de meerstemmige polyfonie naar een hoogtepunt voerde en waarin ook Sweelinck (1562-1621) een belangrijke rol had. Zo rond 1600 raakte echter de Italiaanse monodie sterk in zwang en was dit daarmee ook de scheidslijn tussen meer- en eenstemmigheid een feit.

Ornamentatie
Een kernpunt van de vertolking van middeleeuwse muziek is weggelegd voor de versieringen (ornamentatie) van unisono (met dezelfde toon in verschillende stemmen of in verschillende octaafliggingen) tot kwint (vijfde trap op de toonladder) in stijgende of dalende intervallen. Dat is ook het uitgangspunt voor hedendaagse uitvoeringen, hoewel het geen wet van Meden en Perzen is: niet geornamenteerde vertolkingen komen evenzeer voor. Versieringen brengen in beginsel een hoger kunstgenot, verplaatsen de toehoorder wat gemakkelijker naar hogere sferen en vandaar dat een geornamenteerde uitvoering met dulce (in de betekenis van zacht, lieflijk) en een onversierde met duro (hard) wordt aangeduid.

Kleurenrijkdom
Het Britse Brabant Ensemble is een van de koren (denkt u maar aan bijvoorbeeld Cappella Pratensis) die de zestiende-eeuwse a capella-zang tot een bijzondere kunst hebben verheven en die excelleren in stemzuiverheid en balans. De stemvoering is bij deze dertien koorleden (sopranen, alten, tenoren en bassen) in uitstekende handen, getuige ook de volmaakt op elkaar afgestemde en gevarieerde kleurenrijkdom die zij voortdurend weten te bereiken. Het klinkt allemaal wonderschoon en helder, met een bijzonder fraai uitzicht ook op de middenstemmen. Een schitterend voorbeeld daarvan is het Magnificat, waarin de vele rijke schakeringen een onuitwisbare indruk achterlaten. De opname is schitterend.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links