CD-recensie

 

© Aart van der Wal, juli 2014

 

Reference Recordings

Bizet: Symfonie in C - Jeux d'enfants op. 22

Bizet/Weingartner: Variations chromatiques

San Francisco Ballet Orchestra o.l.v. Martin West

Reference Recordings RR-131 • 76' •

Opname: april 2012, Skywalker Sound, Marin County, Californië (VS)

 

Denler: Portraits of Colorado: American Symphony nr. 1 - Zes variaties voor viool en piano
Yumi Hwang-Williams (viool), Charles Denler (piano), The Colorado Symphony Orchestra and Chorus o.l.v. Charles Denler

Reference Recordings FR-706 • 44' •

Opname: november 2012, Boettcher Concert Hall, Denver , Colorado (VS)

 

 

Vaughan Williams: The Wasps (Aristophanic Suite) - Fantasia on Greensleeves

Elgar: Enigma-variaties op. 36

Kansas City Symphony Orchestra o.l.v. Michael Stern

Reference Recordings RR-129SACD (sacd) • 62' •

Opname: mei 2011, Community of Christ Auditorium, Independence, Missouri (VS)

 

 

 

 


Reference Recordings is een van die Amerikaanse labels die al decennialang danig hebben geïnvesteerd in een zo natuurgetrouw mogelijke geluidskwaliteit. Nu weet ik wel dat die natuurgetrouwheid of 'fidelity' altijd een illusie is geweest en dat ook zal blijven: het is nu eenmaal niet mogelijk om een strijkkwartet, laat staan een symfonieorkest in de huiskamer te proppen. Zelfs de klank van de concertvleugel vraagt om een zeer royaal bemeten ruimte. De opname is en blijft dus altijd een compromis. In de jaren zestig had menigeen wel de mond vol van 'high-fidelity', maar gelukkig waren er toen al verstandige mensen in de audiobranche die liever spraken van een streven dan van een feit. Ik herinner me nog advertenties van de toenmalige Quad-importeur TransTec waarin bescheiden genoeg gewag werd gemaakt van het 'venster op de concertzaal'; terwijl veel collega's de indruk wekten dat ze weergaveapparatuur in de aanbieding hadden die de consument regelrecht deed belanden in diezelfde concertzaal. Illusie en realisme, een onmogelijke combinatie!

Keith O. Johnson, oprichter van het Amerikaanse label Reference Recordings (RR), heeft vanaf het begin van zijn indrukwekkende carrière de opvatting gehuldigd dat het maken van opnamen net zo goed een kunst is als musiceren. Zijn eerste pogingen in die richting waren gestoeld op het gebruik van kruiselings geplaatste niermicrofoons (de zogenaamde X-Y opstelling), een vrij elementaire aanpak die een al even elementair stereobeeld opleverde: instrumenten, onverschillig of het een groot dan wel een klein ensemble of slechts één instrument betrof, keurig in een horizontale lijn tussen de beide speakers. De luisteraar zat dan precies in het midden, waarbij de afstand van de luisteraar tot de luidsprekers even groot diende te zijn als tussen de luidsprekers onderling: dat was dan de ideale luisterplek. Vanaf die positie was de plaatsing van de instrumenten uitstekend, daarbuiten werd het al snel minder.

Zou je dezelfde opstelling gebruiken, maar nu met toepassing van microfoons die in tegenstelling tot het niertype rondom gevoelig zijn, is de ruimtewerking aanmerkelijk groter, wordt het akoestische beeld ook groter: de ruimte komt ineens veel meer mee (voor alle duidelijkheid: dit dus bij dezelfde X-Y opstelling). Omdat rondom-microfoons veel meer ruimte-informatie aanleveren, wordt het geluidstoneel ook dieper weergegeven. Het verschil met de niermicrofoon, die slechts een direct 'zicht' heeft op de instrumenten, is zelfs spectaculair te noemen.

Johnson was ook al vrij vroeg in zijn loopbaan aanhanger geworden van de Blumlein-opstelling, genoemd naar de Brit Alan Dower Blumlein (1903-1942). Blumlein paste in zijn 'binaural system' twee microfoons toe, terwijl tot dan slechts een enkele microfoon werd gebruikt. Samen vormden ze een kruis: de voorzijde van de ene microfoon stond gericht op de zaal rechtsvoor, de achterzijde op de zaal linksachter, terwijl bij de andere microfoon het net andersom was: de voorzijde stond gericht op de zaal linksvoor en de achterkant op de zaal rechtsachter (in beide gevallen is sprake van een achtvormige karakteristiek).
Johnson begreep bovendien al snel dat wat hem betreft het gewone type microfoon met dubbele kappels niet in aanmerking kon komen. Dubbele microfoons werden door hun uitstekende prijs/kwaliteitsverhouding veel meer toegepast dan de veel duurdere en ook zeer kwetsbare bandmicrofoon ('ribbon'), maar het nadeel van de eerste was evident: tegenfase en geleidelijk aan oplopend laag naarmate deze microfoons dichter bij de geluidsbron werden geplaatst. Van dergelijke problemen had de bandmicrofoon geen last: de 'ribbon' was zowel aan de voor- als achterkant even gevoelig (in dit opzicht te vergelijken met het principe van de elektrostatische weergever, die naar voren evenveel geluid afstraalt als naar achteren en daarom de passende term 'doubletstraler' heeft meegekregen).

Wie met een opnametechnicus spreekt, ontkomt vrijwel nooit aan het gevoel dat hij (het is hoogstzelden een zij) het beste systeem gebruikt. Hij geeft niet af op zijn collega's, concurrenten in het veld, maar hij maakt doorgaans wel duidelijk dat 'zijn' systeem, 'zijn' opstelling nu eenmaal het beste weerwoord biedt tegen een ware waslijst met problemen zoals die zich in de dagelijkse praktijk nu eenmaal voordoen. Dat geldt overigens in niet mindere mate voor ontwerpers en fabrikanten van opname- en weergaveapparatuur. Ook zij geloven meestal 'heilig' in hun gelijk.

Er is geen enkele twijfel over: Reference Recordings heeft fantástische opnamen gemaakt en doet dat nog steeds. Zoals dat alweer lang geleden ook gold voor Mercury Living Presence en RCA Living Stereo, en niet te vergeten het fameuze Decca met zijn Decca Tree (waarbij ik een aantal niet eens heb genoemd, zoals bijvoorbeeld Command Classics).

Het is een van de grote problemen in de huidige opname-industrie dat naarmate er meer microfoons en dus meer microfoonversterkers en bijkomende parafernalia worden gebruikt, de kans toeneemt dat er allerlei ongewenste neveneffecten' ontstaan met allerlei daarmee verbonden interacties. Het wordt dan uitermate lastig om die dan vervolgens zo te isoleren dat de kern van het probleem (of problemen) daadwerkelijk wordt gevonden Johnson koos en kiest nog steeds voor zo weinig mogelijk microfoons (hij heeft een uiutgesproken hekel aan zoiets als een mengtafel.). Alles wat niet strikt nodig is, gebruikt hij niet. De techniek gaat met hem niet op de loop.

Keith O. Johnson (hij heeft een uitgesproken hekel aan de mengtafel...)

De voorliggende vier cd's bieden een representatief beeld van de 'opnamekunst' van Keith O. Johnson. Ze weerspiegelen zijn gedachtegoed omtrent een goede opname (ook in surround!), waarbij het uiteraard aan u, de luisteraar, is om die kunst te onderschrijven. Maar zoveel is zeker, u 'kijkt' als het ware naar het orkest, niet in het orkest, waardoor u - net zo belangrijk - tevens kunt genieten van de ambiance waarin wordt gemusiceerd en zoals die uit de luidsprekers komt. Maar miet minder belangrijk is het artistieke niveau dat uit deze vier uitgaven spreekt: niemand hoeft er de neus voor op te halen, met uitstekende orkesten en dirigenten. Extra interessant is de cd met muziek van Charles Denler, typisch zo'n componist die zowel schreef voor het theater, de film, tv én concertzaal. Zijn eerste 'Amerikaanse symfonie' straalt een en al patriottisme uit (de Amerikanen zijn er gek op), maar deze natuurschildering is best knap geconstrueerd en muzikaal zeker niet onaardig, al heeft het naar mijn smaak niet de kwaliteiten en vooruitstrevendheid van een Charles Ives, Roy Harris of William Schuman. Als ik er een stempeltje op zou moeten drukken, dan komt het idioom redelijk in de buurt van Aaron Coplands en Ferde Grofé's muzikale schilderingen van het Oude Amerika, naast de filmmuziek Bernard Herrmann. De tien delen (ze duren ieder slechts een paar minuten) hebben titels die min of meer voor zich spreken, zoals Rocky Mountain Odyssey, Walk in the White Forest, Where Wild Horses run, Ranch in the Highlands en Sunset over Longs Peak. De Zes variaties voor viool en piano passen eveneens binnen de kaders van de natuurschildering: ze maken deel uit van de 'Portraits of Colorado'. Dat op de Bizet-cd tevens ruimte is gemaakt voor de uit 1868 stammende Variations chromatiques in de orkestbewerking van Felix (von) Weingartner is best bijzonder, zo niet een curiosum: het stuk kent nauwelijks een discografische geschiedenis, laat staan de bewerking. De pianoversie is het aanhoren zeker waard, wat van Weingartners bewerking in die mate helaas niet kan worden gezegd. Een punt van kritiek is wel de magere toelichting in de boekjes, en zeker waar het (vrijwel) onbekend repertoire betreft, zoals het werk van Denler (over de Zes variaties voor viool en piano zelfs geen enkel woord). Dat moet echt veel beter. Wel gedetailleerde informatie over de opname, maar dat vind ik niet of nauwelijks compensatie.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links