CD-recensie

 

© Aart van der Wal, juli 2018

 

Roussel: Suite in F, op. 33 - Pour une fête de printemps op. 22 - Évocations op. 15

Kathryn Rudge (mezzosopraan), Alessandro Fisher (tenor), François Le Roux (bariton), CBSO Chorus, BBC Philharmonic o.l.v. Yan Pascal Tortelier
Chandos CHAN 10958 • 71' •
Live-opname: 7 april 2017, Symphony Hall, Birmingham (Évocations); 8 september 2017, MediaCityUK, Salford, Manchester (VK)

   

Albert Roussel werd geboren in 1869 en overleed in 1937. Dat maakte hem een tijdgenoot van zowel Debussy als Ravel, twee van de belangrijkste componisten die la douce France heeft voortgebracht. Maar hij was bovenal een belangrijke muziekvinder. Dat zag het eerst niet naar uit: de zee trok hem, hij ging naar de zeevaartschool, volgde later een marineopleiding, werd officier en in het verre China gestationeerd. Het beeld heeft enigszins weg van dat van de auteur J. Slauerhoff, al zullen ze er bij het Nederlands Literatuurmuseum misschien iets anders over denken.

Verbazingwekkend
Roussel was al midden twintig toen hij in Parijs een muziekstudie oppakte. Niet op een slof en een schoen, maar heel serieus en met grote inzet. Dat betaalde zich ook uit: in de compositieklas van Vincent D'Indy viel niet alleen zijn werklust op, maar vooral ook zijn grote creatieve talenten. Zozeer zelfs dat hij, nadat hij cum laude was afgestudeerd, aan datzelfde Parijse conservatorium tot compositieleraar werd benoemd, met als specialisatie het contrapunt. Een verbazingwekkende ontwikkeling, maar zo gaat het meestal: echt groot talent komt altijd wel bovendrijven, soms zelfs tegen de verdrukking in. En wie echt wil, onverzettelijk is, heeft meestal dat talent al in huis.

Scheidslijn
De muziek die Roussel in de negentiende en zelfs nog een deel van de twintigste eeuw schreef was inventief en vol kleur en fleur, maar was toch meer een – zij het wel degelijk boeiend – stilistisch mengsel uit twee verschillende kampen: dat van D'Indy en dat van Debussy. Het was een vrijwillig gekozen vorm van laveren die Roussels muziek absoluut ten goede kwam, maar waarin pas rond 1920 een fundamentele verandering optrad. Roussel was een andere weg ingeslagen en daarmee een geheel eigen cachet aan zijn creaties toegevoegd. Het is daarom niet overdreven om over een echte scheidslijn of zelfs breukvlak te spreken, de overgang van de ‘oude' naar de ‘nieuwe' Roussel. Op zich geen uniek proces, want veel componisten gingen Roussel daarin voor (overigens los van de vraag of ze er wel of niet doelbewust naar hebben gezocht). Ik noem in dit verband slechts uitersten: Beethoven en Pärt, waarbij Beethoven zijn tijd ver vooruit was en Pärt juist voor de kreeftengang koos.

Kiemcel
Roussel zocht het vanaf de jaren twintig (hij was toen al rond de vijftig) in een aanmerkelijk scherper ritmisch profiel, scherper thematische contouren en een sterke motoriek (er zijn op dit punt zeker raakvlakken met Prokofjev aan te wijzen, al is de receptuur van Roussel wel degelijk anders). Er kwam nog iets anders bij: meer transparantie in zijn schrijfwijze en - niet minder belangrijk - een vanuit de kiemcel opgebouwde architectuur. Wat dit laatste betreft was er een zekere verwantschap met een andere belangrijke tijdgenoot, de Nederlandse componist Willem Pijper 1894-1947), die – toevallig of niet - zelf rond 1920 met een eigen ‘kiemceltheorie' op de proppen kwam: “een compleet werk dat kan groeien uit slechts een handjevol noten, gelijk een boom groeit uit een zaadje”. Waarbij het niet zozeer om de gedachte als wel om de uitwerking ervan gaat. Welk een effect dit op zich niet eens zo bijzondere procedé op een compositie heeft laten twee simpele voorbeelden horen: een willekeurige symfonie van Beethoven (kiemcel) en een net zo willekeurige van Bruckner (geen kiemcel). Mind you, de invloed van de kiemcel op de architectuur van het gehele werk (of een deel van dat werk) kan zich zowel melodisch, harmonisch, ritmisch als instrumentaal doen gelden. Voor Roussel gold dat niet de zelfstandige instrumentale kleur maar het vanuit de kiemcel geboren lijnenspel daarbij de dominante factor vormde. Een interessante gedachte, waarvan er in zijn latere muziek voorbeelden genoeg van te vinden zijn.
Wie meer over Pijpers kiemceltheorie wil weten, verwijs ik graag naar een boeiend geschreven werkstuk van de hand van Hanna den Hollander (hier in pdf te downloaden ).

Gouden greep
Dat muzikale schisma kent talrijke boeiende facetten en alleen al daarom heeft het Engelse label Chandos een gouden greep gedaan door op deze nieuwe cd drie werken te presenteren uit twee verschillende perioden: het symfonisch gedicht ‘Pour une fête de printemps' dateert immers uit 1920, de suite uit 1926 en de ‘Évocations' uit 1911. Deze programmakeuze zet de scheidslijnen scherp neer.

Uitvoering
Ik heb het al vaker gezegd: je hoeft geen Fransman te zijn om het Franse idioom (onverschillig uit welke periode van de muziekgeschiedenis) tot volle wasdom te laten komen. En als het om de juiste uitspraak van de taal gaat zijn er altijd wel coaches die de vocalisten op het goede spoor weten te zetten. Al blijft er voor de semantisch ingestelde fijnproever doorgaans wel een verschil waarneembaar tussen de karakteristieken van een taal uitgesproken door een autochtoon of door een allochtoon (en dan doel ik in dit verband niet prins Bernhard). Bij solisten zal het gemeenlijk minder opvallen dan bij koren en in die zin heeft zeker in dit repertoire een Frans koor een streepje voor. Maar waar het uiteindelijk toch om gaat, of het zwaarste moet wegen, is of het idiomatische karakter van de muziek goed wordt getroffen, wat in deze uitvoering van 'Évocations' zonder enige twijfel het geval is. Maar ook de beide orkeststukken mogen zich koesteren in de warmte van het engagement, met sublieme instrumentale soli en een strikt heldere orkestrale textuur. De muziek van deze evocaties die Roussel bij de uit het Sanskriet vertaalde teksten schreef wortelt nog in de impressionistische wereld van Debussy, terwijl in de suite met haar scherp getinte contouren en grote motorische stuwkracht blijk geeft van de ‘nieuwe' Roussel. Het symfonisch gedicht past dan naadloos in die zo belangwekkende overgangsfase van rond 1920.

De Franse dirigent en violist Yan Pascal Tortelier (zoon van de beroemde cellist Paul Tortelier) is het toonbeeld van muzikaal raffinement en goede smaak, met een bijzonder fijn oor voor de instrumentale en vocale balans, maar ook voor expansieve energie (suite!) en scherp aangezette ritmische profilering. Stephen Rinker heeft het voor Chandos fraai vastgelegd, met een apart compliment voor de in Birmingham gemaakte live-opname van de ‘Évocations', altijd toch een bijzondere onderneming, zelfs in volgens kenners een van de beste concertzalen ooit ontworpen.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links