CD-recensie

 

© Aart van der Wal, december 2009

 

 

Rihm: Concerto Dithyrambe (voor strijkkwartet en orkest) (2000) - Sotto voce Notturno (voor piano en klein orkest) (1999) - Sotto voce 2 (voor piano en klein orkest) (2007).

Nicolas Hodges (piano), Arditti String Quartet, Luzern Sinfonieorchester o.l.v. Jonathan Nott (»Concerto«) en John Axelrod.

KAIROS 0012952KAI • 55' •

Klik hier voor werkoverzicht


Wat een merkwaardige ontwikkeling heeft Wolfgang Rihm (Karlsruhe 1952) als componist niet doorgemaakt! Terwijl zijn collega's zich met een bijna verbeten vasthoudendheid hadden overgeleverd aan het 'formele serialisme', gaf Rihm het seriële componeren op om zich vervolgens vast te nagelen aan de aloude en vertrouwde tonaliteit. Zijn studies bij Wolfgang Fortner (voor wiens werk Wilhelm Furtwängler zich eind jaren veertig had ingezet), Klaus Huber, Eugen Werner Velte en Karlheinz Stockhausen zullen hem wat dat betreft meer verwarring dan 'Aufklärung' hebben gebracht, al was het in de jaren zestig voor vrijwel iedere 'serieuze' componist bijna onmogelijk om zich te onttrekken aan de avant-gardistische stroming die Darmstadt min of meer als epicentrum had gekozen en van waaruit - tijdens de druk bezochte 'Ferienkurse' - dat 'formele serialisme' sterk werd gepropageerd. Wie in die tijd als componist niet in reeksen dacht, had het - om het eufemistisch uit te drukken - nogal moeilijk. Het beste was om met de stroom gewoon mee te varen.

 
  Wolfgang Rihm luistert aandachtig naar een
sound check door het Ensemble Modern tijdens
de Akademie in Innsbruck in 2007

Met die reeksentechniek kon Rihm uiteindelijk niet uit de voeten. Natuurlijk stond hij daarin niet alleen. Zo was er Hans Werner Henze (Gütersloh 1926) die er evenmin iets van moest hebben en zich de grandioze erfenis van de Tweede Weense School weliswaar eigen had gemaakt maar zijn meesterlijke exploraties toch vooral in gelaagde klankexposés voortzette. Evenals Rihm liet Henze de geschiedenis niet los, getuige zijn grote verbondenheid met niet alleen de laatromantiek en het expressionisme, maar niet minder met de Weense klassieken en componisten uit de renaissance. Waarbij dan nog in het geding kan worden gebracht dat per slot van rekening geen enkele componist zich kan onttrekken aan de geschiedenis.

En Rihm? Hij nagelde zich vast aan de tonaliteit en omarmde de laatromantische stijl zoals die door de 'vroege' Arnold Schönberg werd toegepast in onder andere zijn strijksextet Verklärte Nacht. Voor Rihm vormde die stijl het uitgangspunt voor zijn verkenningen van de gewone én de ongewone menselijke emoties, waarvan hij als toondichter de grenzen opzocht. Rihm schreef gepassioneerde, hartstochtelijke, bezeten muziek die weliswaar wortelde in het oude en vertrouwde, maar waarvan de vaak exorbitant kokende, bruisende of kolkende klankgolven het uithoudingsvermogen van menige toehoorder desondanks stevig op de proef stelt. Rihm mag wat mij betreft bogen op het predikaat Super Romantische Kunstenaar, die zelfs bereid was om de binnenkant van de psychiatrische kliniek tot zijn eigen klankdomein te maken. Rihm liet zich in zijn klanktaal inspireren door psychisch gemankeerde grootheden als Friedrich Hölderlin, Friedrich Nietzsche en Jakob Lenz.

Hölderlin sloot zich bijna woordloos meer dan drie decennialang op in zijn toren, Nietzsche verviel ten slotte aan de waanzin en Lenz zwierf als een eenzame, geestelijk gestoorde 'Wanderer' door Duitsland. Alle drie waren ze overgevoelig voor prikkels en liepen ze letterlijk met hun getergde ziel onder de arm. Onbegrepen door hun omgeving liepen ze stuk voor stuk vast in de sociaal-maatschappelijke ordening die voor hen een onoverbrugbare kloof betekende.

 
  Wolfgang Rihm

Rihms muzikale affiniteit met die eenzame 'Wanderer' is - in deze context - zo merkwaardig nog niet. Hij werd er - evenals bijvoorbeeld Schubert - sterk door geïnspireerd, met de weerslag daarvan in zijn werk dat naast de vele menselijke gemoedstoestanden tevens de natuur in haar vele facetten als onderwerp heeft. Voor Rihm is de donkere, dreigende natuur evengoed het zinnebeeld voor de donkere kanten van de ziel. We hoeven geen moeite te doen om de vele metaforen in Rihms muziek te herkennen. Sterker nog, ze zijn onontkoombaar, zowel in zijn opera's (waaronder Jakob Lenz uit 1978, Umhergetrieben uit 1981 en Umsungen uit 1984), zijn grote cycli in de meest uiteenlopende instrumentale bezettingen, zijn bijna vijftig orkestwerken, bijna negentig kamermuziekwerken en ruim veertig vocale stukken.

In zijn toelichting bij »Sotto voce« uit 1999 schreef Rihm: "Kunst hat es in sich, und wer sich einmal mit ihr eingelassen hat, der lässt sie nicht in Ruhe bei seinen Siebensachen." Daarmee is geen woord teveel gezegd, want in de muziek van Rihm is van 'Ruhe' geen sprake, zelfs niet in »Sotto voce«, dat - het begrip geeft het al aan - zacht en ingehouden klinkt, maar bijna bezwijkt onder de onderhuidse spanningen. We beleven het allemaal mee dankzij de fantastische uitvoering (en dat geldt dan tevens voor de overige twee stukken), die weer eens aantoont dat wie zich optimaal voor de eigentijdse muziek inzet, daarmee grootse resultaten kan boeken. Bovendien zijn dit van die uitvoeringen die het belang van deze muziek nog eens dubbel en dwars onderstrepen. De heldere en sonore opname (KKL Luzern 2007/08) is van bijzondere klasse.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links