CD-recensie

 

© Aart van der Wal, april 2008


 

Ries: Die Könige in Israel.

Nele Gramß (sopraan), Gerhild Romberger en Ewa Wolak (alt), Markus Schäfer (tenor), Harry van der Kamp, Marek Rzepka en Kai Florian Bischoff (bas), Rheinische Kantorei, Das Kleine Konzert o.l.v. Hermann Max.

CPO 777 221-2 • 54' + 57' • (2 sacd's)

 


Toen de Napoleontische troepen in 1794 Bonn binnenvielen was het op slag gedaan met de welstand van de middenstandsfamilie Ries. De vele keurvorstendommen gingen op de schop, wat ook het rigoureuze einde betekende van de vele dienstbetrekkingen aan de verschillende hoven. Vader Franz Anton (1755-1846) raakte zijn baan kwijt als kapelmeester, raakte van de ene op de andere dag werkloos en moest zich noodgedwongen aansluiten bij de almaar groeiende aantallen werklozen in de regio. Er had zich een economische en sociale ramp voltrokken die het leven van tallozen volkomen op zijn kop zette. Vader Ries zag zich eerst geconfronteerd met de onmogelijkheid om zijn vrouw en elf kinderen (zoon Ferdinand was toen tien) van voldoende eten en kleding te voorzien, maar uiteindelijk slaagde hij erin een bescheiden inkomen bij elkaar te scharrelen als musicus op bruiloften en partijen, en als muziekleraar.

Ferdinand had al vanaf zijn vijfde muziekonderwijs genoten, eerst van zijn vader (die ook Beethoven nog les had gegeven), een virtuoos op de viool, en daarna van een cellist aan het hof van Bonn, Bernhard Romberg.

Ferdinand had talent, want op zijn negende componeerde hij al een heus menuet en op zijn elfde zelfs een compleet strijkkwartet, als verjaardagsgeschenk aan zijn vader. Ferdinand is achttien als hij in 1802 de stoute schoenen aantrekt en naar Wenen gaat om daar bij Ludwig van Beethoven compositie te gaan studeren. Zijn landgenoot was weliswaar reeds in 1787 naar Wenen gegaan om daar bij Mozart in de leer te gaan, maar hij moest al kort na zijn aankomst hals over kop terug omdat zijn moeder stervende was (Beethoven en Mozart hebben elkaar waarschijnlijk nooit ontmoet). Eerst op 10 november 1792 vestigde de componist zich in de Oostenrijkse hoofdstad (een speling van het lot wilde dat een maand later Ludwigs vader overleed).

Beethoven is in 1802 reeds een gevierde pianist en componist. Hij had kort daarvoor de Eroica-variaties gecomponeerd Twee jaar eerder waren zijn zes strijkkwartetten op. 18 en de Eerste symfonie reeds ontstaan en het jaar daarvoor de Frühling-sonate. Als Ries met hem kennismaakt is de grote meester zojuist bezig met de voltooiing van het oratorium Christus am Ölberge. Beethoven ziet wel wat in de jonge Ferdinand. Hij biedt hem gratis piano-onderricht aan (compositieles kreeg Ries van Albrechtsberger), maar verwacht als tegenprestatie dat Ries de solo-, orkest- en koorpartijen uitschrijft en hem behulpzaam is bij de voorbereidingen voor de première van het werk. Ries blijft vier jaar in Wenen, waar hij ook als componist sterk onder Beethovens invloed kwam (Ries schreef samen met Franz Gerhard Wegeler het bekende en nog steeds veel geraadpleegde boek Biographische Notizen über Ludwig van Beethoven, voor het eerst uitgegeven in 1838 en door Kalischer opnieuw uitgegeven in 1906).

 
 

Ferdinand Ries (1784-1838)

In 1806 verlaat Ries Wenen en begint hij aan een uitvoerige concerttournee die hem in alle belangrijke muziekcentra brengt: hij bezoekt Sint-Petersburg, Parijs, Hamburg, Koblenz, Leipzig, Dresden, Praag, Kopenhagen en Stockholm, tot hij zich in Londen vestigt. Daar neemt hij als pianist en dirigent deel aan de door The Royal Philharmonic Society gegeven concerten. Hij heeft daarmee zo’n groot succes dat hij tot 1824 in de Engelse hoofdstad blijft. Daar trouwt hij ook met Harriet Mangeon.

Sinds de oprichting van de Society stond de muziek van Beethoven regelmatig op het programma, waaronder de eerste Engelse uitvoering van de Vijfde (1816) en de Zevende (1817) symfonie, het Eerste (1822), het Derde (1824) en het Vierde pianoconcert (1825). Pogingen om Beethoven naar Londen te krijgen mislukten jammerlijk, maar wel kwam de Society in het bezit van het manuscript van de Negende symfonie, een aan de componist gegeven opdracht tegen betaling van 50 guineas. Beethoven had op de titelpagina geschreven: “Geschreven voor de Philharmonic Society in Londen.” De eerste Engelse uitvoering vond plaats in Londen op 21 maart 1825. Ook Ries heeft zich in Londen voor de uitvoering van de werken van zijn grote leermeester bijzonder ingezet.

Als Ries en zijn gezin (Ferdinand en Harriet hebben inmiddels drie kinderen) zich in 1824 in Duitsland vestigen gaat het hen financieel voor de wind. Ze nemen hun intrek in Bad Godesberg, maar verhuizen geruime tijd later naar het veel grotere Frankfurt am Main, waar in muzikaal opzicht meer te beleven valt en waar het Ries ook gemakkelijker valt om zijn talenten uit te buiten. Hij heeft dan in vrijwel alle denkbare genres gecomponeerd. Zoals hij het zelf in een brief van 23 december 1828 aan zijn broer Joseph uitdrukte had hij “alle muzikale paarden en ezels bestegen.” Tot dan omvat zijn werkcatalogus meer dan 150 werken. Wat echter nog ontbreekt is het oratorium. In 1829 dient zich de gelegenheid aan: het bestuur van het Nederrijnse muziekfestival dat jaarlijks tijdens Pinksteren wordt gehouden (zeg maar het klassieke ‘Pinkpop’) vraagt hem een nieuw werk te componeren dat in Aken zal worden uitgevoerd. Het wordt het oratorium Sieg des Glaubens op. 157.

Vanaf 1825 had Ries als eerste gastdirigent in zowel Aken, Düsseldorf als Keulen tijdens de muzikale pinksterfeesten veel opzien gebaard en grote successen geboekt. Nadat in 1836 het muziekfestival van Düsseldorf de gemoederen hevig in beweging had gebracht met Mendelssohns oratorium Paulus kreeg Ries van de organisatoren van het muziekfestival in Aken het verzoek om niet alleen een nieuw oratorium te componeren maar ook om voor de inmiddels negende keer de muzikale leiding van het festival voor zijn rekening te nemen. Dat was niet tegen dovemansoren gezegd. Op 4 juli 1836 berichtte Ries in een brief aan Wegeler over een nieuw oratorium van ongeveer dezelfde omvang als dat van Beethoven, met de toevoeging dat pater Smets wellicht het libretto wilde schrijven, want dat werd in Aken op hoge prijs gesteld.

De in Aken werkzame predikant Wilhelm Smets (1796-1848) had vele boeken op zijn naam staan, waaronder dichtbundels, dramatisch proza en zelfs een wetenschappelijke verhandeling over de geschiedenis van het pausdom. Maar van een leien dakje gaat dat libretto voor het nieuwe oratorium niet. Enige maanden later is nog geen definitieve keus gemaakt uit aangaande zowel de aan te zoeken librettist als de te gebruiken tekst. Smets heeft niet terstond toegehapt en er zijn discussies over het voorstel om het boek Esther als uitgangspunt voor het nieuwe oratorium te nemen. Ries voelt er niets voor omdat Händel daarmee al veel eerder aan de haal was gegaan en hij in deze componist een ware concurrent ziet. Maar Ries heeft nog een ander bezwaar: de Esther-stof leent zich niet voor een ‘klein’ oratorium (met Christus am Ölberge als vormvoorbeeld). Ries wil per se een oratorium van bescheiden afmetingen componeren. Aan Wegeler schreef hij op 10 september 1836 dat hij in Aken niet alleen het oratorium, maar meerdere composities op het programma wilde zetten. Dit vanuit het oogpunt van afwisseling. Daarmee zou het publiek het beste gediend zijn.

Het wordt toch Smets die het libretto schrijft en het wordt toch een (bijna) avondvullen werk, met een speelduur van bijna twee uur. Smits moet koortsachtig hebben gewerekt, want al midden oktober is de tekst klaar. Het draait daarin nu niet meer om Esther maar om de machtswisseling tussen de beide eerste Israëlitische koningen, Saul en David, uit het eerste boek van Samuel. Zeker, ook dit thema had Händel reeds eerder gekozen, maar daarin staat Saul centraal en niet, zoals in het oratorium van Ries, David. Dat Ries de schaduw van Händel desondanks niet van zich af kon schudden blijkt wel uit het schrappen van het oorspronkelijk door Smets bedachte slot, een heus Halleluja-koor, dat Ries te zeer deed denken aan het ‘Halleluja’ in Händels Messiah. Samen met Smets werd een ander slot bedacht.

Smets heeft de Bijbeltekst alleen maar als richtsnoer genomen en de tekst zo ingericht dat Ries daarmee muzikaal fors kon uitpakken, met recitatieven, aria’s, duetten en koren, in bonte afwisseling, met de nadruk op de contrastwerking, van licht naar donker en omgekeerd. Evenals Bach in zijn Matthäus-Passion koos ook Ries voor een dubbelkorige opzet. Tijdens de première in Aken waren de koren links en rechts opgesteld, met het orkest in het midden. In het dubbelkorige slot van het eerste deel staan de Israëlieten en de Filistijnen diametraal tegenover elkaar. Dat uit zich ook in de tempi die voor beide koren anders zijn: Ries heeft de Israëlieten koraalzang toebedacht, terwijl de koorpartij van de Filistijnen ritmisch pregnant en honend agressief is. Het onderscheid tussen de vrouwen en mannen is ook tekenend voor Ries’ opzet: voor de soldatenkoren zijn uitsluitend de mannen aangewezen. Een saillant detail daarbij is dat het mannenkoor dat de soldaten van David vertegenwoordigt deels ook tegenover het vrouwenkoor staat. Ries componeerde al naar de gelang de handeling zich voltrekt vier- of zesstemmige koorpartijen. Zo zingen de vijandige Filistijnen na de dood van Saul zesstemmig, wat gevoegd bij de compacte schrijfstijl een dreigende stemming uitstraalt. Soms mengen de solisten zich met de koren (de finale van Beethovens Negende lijkt her en der in het oratorium model te hebben gestaan). De grote orkestbezetting (daaronder een harp, vier hoorns, vier trompetten, drie trombones en een ophicleide [het instrument lijkt op de fagot, met het mondstuk van een trombone en het materiaal en de kleppen van een saxofoon]) heeft Ries tot allerlei instrumentale effecten verleid, zoals in de heksenscène, waarbij – zoals Ries op 30 mei 1837 aan Joseph berichtte – menigeen om zich heen keek of er niets uit de aarde omhoog steeg. De première werd een eclatant succes. Ondanks het feit dat het werk in een kerk werd uitgevoerd barstte na vrijwel ieder nummer een stormachtig applaus los. Kritiek was er ook, zij het slechts van één recensent, de Keulse muziekcriticus Alfred Becher, die noch voor de tekst noch voor de muziek een lovend woord over had. Ries had al tijdens de compositie van het oratorium aan de Akense muziekdirecteur Anton Schindler laten weten dat ‘onze geleerde critici’ niets beter te doen hadden dan te bekritiseren, maar dat hij, Ries, zich op grond van zijn vele Europese successen daaraan niets gelegen zou laten liggen. Wat Europa hem aan erkenning had gegeven kon geen enkele criticus hem afnemen.

Uitvoering

De live-concerten van zowel de Rheinische Kantorei als Das Kleine Konzert kenmerken zich door een uiterst verzorgde klank. Dat viel me althans tijdens het Bachfestival 2006 in Leipzig op, waar het ensemble te gast was. Das Kleine Konzert herinnert aan het in 1743 in Leipzig opgerichte Große Concert, waaruit later het Gewandhausorchester Leipzig voortkwam. Kenmerkend zijn de doorzichtige, maar fraai kleurende koorzang, het authentieke instrumentarium (eigenlijk replica’s) en historiserende aanpak van de partituur. De bijdragen van de zeven solisten dragen sterk bij aan het geïnspireerde geheel dat uitstekend wordt geleid door Hermann Max. Zij houden een dusdanig warm pleidooi voor deze muziek dat onweerstaanbaar de indruk wordt gevestigd dat Ferdinand Ries veel meer in zijn compositorische mars had dan alleen maar een epigoon van zijn grote voorbeeld Beethoven te zijn. Sterker nog, de muzikale opbouw en de uitwerking van dit drama doen Beethovens Christus am Ölberge zelfs herhaaldelijk verbleken, wat alleen al de indruk wegneemt dat Ries niet meer dan een tweederangs componist is geweest. Zeker, Ries was aan Beethoven schatplichtig en het is eveneens waar dat hij zich incidenteel van stoplappen bedient om de handeling gaande te houden. Maar dergelijke bedenkingen vallen in het niet bij zoveel dramatiek. De vele afwisselend rauw-realistische en lyrische episoden tonen juist Ries' grote verbeeldingskracht. Dat kan eveneens van zijn instrumentatiekunst worden gezegd: hij sorteert maximaal effect dankzij de op de handeling toegesneden inzet van het kleurrijke orkestapparaat, maar dan zonder nadruk op effectbejag.

Zowel in surround-sound als in gewoon stereo komt deze elektriserende, ja zelfs spetterende uitvoering met veel aplomb uit de luidsprekers. Samengevat een fascinerende kennismaking met dit prachtige werk en de al even prachtige uitvoering. Zonder restrictie aanbevolen!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links