CD-recensie

 

© Aart van der Wal, mei 2009

 

 

Rautavaara: Symfonie nr. 1 (1955-1956/1988/2003) - nr. 2 (1957/1984) - nr. 3 (1961) - nr. 4 (Arabescata) (1962) - nr. 5 (1986) - nr. 6 (Vincentiana) (1992) - nr. 7 (Angel of Light) (1994) - nr. 8 (The Journey) (1999).

Sinfonieorchester des Leipziger Rundfunks o.l.v. Max Pommer (nr. 1-4), Helsinki Philharmonic Orchestra o.l.v. Max Pommer (nr. 5-6), Helsinki Philharmonic Orchestra o.l.v. Leif Segerstam (nr. 7-8).

Ondine ODE 1145-2Q • 49'+49'+74'+68' • (4 cd's)


De recensent moet wel sterk in zijn schoenen staan, wil hij kritiek leveren op de uitvoering van Rautavaara's acht symfonieën. Ik laat de componist zelf aan het woord (overdruk uit het cd-boekje):

Aldus de Finse toondichter Einojuhani Rautavaara (1928), wiens werk door het het eveneens Finse label Ondine al lange tijd en met succes internationaal wordt ondersteund. Nu zijn de acht symfonieën in een pakketje van vier cd's samengebracht in uitvoeringen die letterlijk klinken als een klok.

De eerste gedachte die bij me opkwam toen ik de box uitpakte was: "Komt er dan geen Negende meer?" Of zal Rautavaara misschien hebben gedacht dat een Negende gelijkstaat aan een soort doemscenario, de goden verzoeken? Iets van bijgeloof? Beethoven, Schubert, Dvorák, Bruckner, Mahler, ze schreven er niet meer dan negen en áls er dan soms van een Tiende sprake was, werd die wel begonnen maar niet voltooid. Maar vrij naar Shakespeare kan ook worden gezegd: "what's in a number?" (laten de 'getallencomponisten' dat maar niet horen...).

Toen Rautavaara zijn Eerste symfonie schreef, leefde Jean Sibelius nog, hoewel niet lang meer (hij overleed op 20 september 1957 in zijn geliefde Ainola in Järvenpää). Rautavaara stond toen nog midden in het neoclassisme dat de Finse muziek van na de oorlog beheerste. Maar net zoals zoveel van zijn collega's maakte hij eind jaren vijftig de stap naar de methodologisch gerangschikte twaalf tonen om zich vervolgens volledig op het serialisme te storten. Dat hield geen stand, Rautavaara zag - en hij niet alleen - alleen maar een doodlopende weg voor zich en deed een forse stap terug, in de trant van t 'terug naar de natuur'. Rautavaara gaf de traditie weer een plaats, met inbegrip van de schier eindeloos beproefde sonatevorm.

Maar ook hier lagen voetangels en klemmen. Rautavaara moet toen hebben ervaren wat vele componisten in die tijd sterk bezighield: dat de toonkunst progressie vereiste, wilde zij niet verschrompelen tot een museale functie, waarbij het bestaande onwrikbaar het bestaande blééf. Dus componeren in een nieuw idioom? Prima, maar wie ging daar, behoudens dan de componist, dan vierkant achterstaan? Menige componist bevond zich immers in een spagaat, met aan de ene kant de wil tot vernieuwende composities en anderzijds de onwil tot het uitvoeren ervan. En als er eindelijk voldoende musici konden worden gevonden die na ellenlange repetities zo'n nieuw stuk goed in de vingers hadden, werden ze daarvoor 'beloond' met een ronduit slechte zaalbezetting. Erger nog, wie als componist een paar jaar lang had gezweten op een nieuw werk, kon hoogstens rekenen op één armzalige uitvoering, waarna de partituur op een toch al volle plank in de muziekbibliotheek verdween, om daar dan verder te vegeteren.

Het nieuwe als de vijand van het traditionele, conventionele? Welnee, eerder omgekeerd. Wereldwijd worden de concertprogramma's gedomineerd door het oude en vertrouwde, als handreiking aan het publiek en dus de kassa (een halfvolle zaal is geen optie). Afgezien van sommige concertseries die zich uitsluitend op de eigentijdse muziek richten, wordt een modern werk gewoon ingeklemd tussen dat oude en vertrouwde. Pseudo vooruitstrevendheid. Die 'strategie' vinden we terug bij hedendaagse composities, waarin allerlei stijlelementen uit heden, verleden en misschien zelfs toekomst een plaats vinden in het concept. Een soort oud en nieuw, van alles wat. Vooruit maar, het postmodernisme.

Wie als componist alleen teruggrijpt op het verleden dreigt in de vuurlinie van het epigonisme terecht te komen. Maar wie nieuwe wegen inslaat, mag rekenen op gebrek aan belangstelling van de media, de musici en het publiek. Wie dit dilemma wil oplossen, kiest de gulden middenweg en geeft zich gewonnen voor het postmodernisme. Romantische nageboorte naast dodecafonie, impressionisme naast reeksen, tonaliteit naast atonaliteit.

 
  Einojuhani Rautavaara (1928)

Rautavaara heeft daarmee lang en intensief geworsteld. Hij erkende dat het twaalftoonssyteem geen stilistisch concept maar een methode was, en dat emotie geen functionaliteit kon hebben in rekenkundige reeksen (of het zou een Nieuwe Bach moeten zijn!). Hij twijfelde aan de overlevingskansen van de symfonie als vormprincipe, zozeer zelfs dat hij - evenals Bruckner - talloze revisies ondernam (het meest aansprekende voorbeeld daarvan is zijn Vierde symfonie). Juist daarom vormen Rautavaara's acht symfonieën een geweldig caleidoscopisch avontuur, dat niet alleen verbazing wekt en respect afdwingt, maar diep weet te ontroeren. We zijn in de werkplaats van de componist aanbeland die zijn enorme ideeënrijkdom een nieuwe vorm wilde geven, zonder definitief afscheid te kunnen nemen van al datgene dat er eeuwenlang al wás. Die mengeling heeft iets onrustigs maar is tegelijk kameleontisch. De weg loopt niet dood, maar het is alsof er geen einde aan komt. Rautavaara's grandioze perpetuum mobile van kleuren en texturen, melodieën en harmonieën.Wat eerst uniform wordt voorgesteld, wordt verderop in complexe lagen gedifferentieerd, er treden volkomen onverwachte gedaanteverwisselingen op, die uiteindelijk oplossen in de synthese. Gewéldige muziek.

Van een gekunstelde opzet of uitwerking is bij Rautavaara nooit sprake. Er heerst een zekere tijdloosheid in zijn concepties, of hij dimensioneert juist tijd en ruimte, zich weliswaar gebonden wetende aan het driedimensionale, maar in zijn klankvoorstelling naar het metafysische reikende. De symfonie als een grote delta die de oneindige verte van de oceaan in het vooruitzicht stelt. Onlangs hoorde ik in de Doelen Rautavaara's Zevende symfonie, door het Rotterdams Philharmonisch Orkest onder Christian Lindberg. Het viel me sterk op dat ook in deze uitvoering het gevoel voor ruimte en tijd naar de achtergrond werd verschoven. De vrij stromende, lyrische melodieën en de naar de hemel rijkende cantilenen leken synoniem aan Rautavaara's positieve afrekening met zijn leven, met het beschouwende en berustende, dat vaak met hoge leeftijd gepaard gaat.

Met deze uitstekende uitvoeringen in een mooi verzorgde uitgave heeft Ondine veel eer ingelegd. Rautavaara was er erg blij mee, en hij zeker niet alleen. Degenen die Rautavaara's muziek nog niet hebben ontdekt, wacht een doosje dat misschien wel naar nog omvangrijker exploraties leidt (zie www.ondine.net/rautaavara).


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links