CD-recensie

 

© Aart van der Wal, september 2019

Beethoven: Pianosonate nr. 22 in F, op. 54 - nr. 24 in Fis, op. 78

Rachmaninov: Pianosonate nr. 2 in bes, op. 36 (1931)

Ivo Pogorelich (piano)
Sony Classical 190759 5660 2 • 54' • Opname: september 2016, Schloss Elmau (Duitsland) (Beethoven); september 2018, Liszt-Halle, Raiding (Oostenrijk)

   

Men kan van Ivo Pogorelich (Belgrado, 1958) zeggen wat men wil, maar niet dat hij er niet altijd op uit is om er iets heel bijzonders van te maken. Voorbeelden daarvan te over, zowel op het concertpodium als in de studio. Met zeer wisselend resultaat overigens.

Zijn carrière als internationaal gevierde concertpianist nam pas echt een grote vlucht nadat hij in 1980 tijdens het vijfjaarlijkse Chopin Pianoconcours in Warschau niet verder kwam dan de voorlaatste ronde. Het mondde uit in een regelrecht schandaal dat de wereldpers haalde. Een van de juryleden, niemand minder dan Martha Argerich, was er zo boos over dat zij niet langer deel wenste uit te maken van het panel. Ook Nikita Magaloff uitte zijn ongenoegen over de gang van zaken, maar hij maakte het minder bont dan Argerich, die zo woedend was dat zij halsoverkop uit de Poolse hoofdstad vertrok, maar niet zonder publiekelijk zowel van haar grote ongenoegen blijk te geven als de Servische pianist regelrecht tot ‘genie' uit te roepen. De consternatie had tot gevolg dat de winnaar van het concours, Dang Thai Son, prompt in de schaduw verdween en Pogorelich alom - terecht of niet - als de ‘echte' winnaar werd bestempeld. Mogelijk zat de schrik er in Warschau goed in, want vijf jaar later was er niet eens een eerste-prijswinnaar en moesten Philippe Giusiano en Alexei Sultanov de tweede prijs delen.

Had Argerich had het goed gezien? Wie de banden terugluistert moet concluderen dat daar in Warschau een ontzaglijk talent het podium in vuur en vlam wist te zetten, een prestatie die hij in datzelfde jaar tijdens het bijna net zo prestigieuze pianoconcours in Montréal eveneens had geleverd, toen met het Derde pianoconcert van Prokofjev. Met een jury die toen wel onverdeeld enthousiast was.

Maar waarom dan toch die weerstand in Warschau? Ik vermoed dat het vooral te maken heeft gehad met Pogorelich' eigengereide muzikale persoonlijkheid en, mogelijk in het verlengde daarvan, zijn - wel of niet daarmee verband houdende - groeiende status van ‘enfant terrible'. Een combinatie overigens die al snel tot vooroordelen kan leiden. En hoe professioneel een jury ook mag zijn, een volkomen objectieve kijk op het spel van een laureaat is maar weinigen gegeven (als objectiviteit in de muziek überhaupt bestaat). We kennen het ook van andere concoursen, waaronder die in Brussel: jury, publiek en pers die in hun oordeel mijlenver uit elkaar liggen.

Het is meestal niet verstandig om musici het een of andere etiket op te plakken, hen in een hokje te duwen, maar wel staat vast dat Pogorelich tot die weinige pianisten behoort die het notenbeeld naar hun eigen hand willen zetten. Of anders gezegd: zich weinig of onvoldoende gelegen laten liggen aan wat de componist heeft voorgeschreven. Niet dat er noten worden weggelaten of erbij worden gefrommeld, maar wel dat notenwaarden, dynamiek, tempi, de verhouding tussen linker- en rechterhand, maar ook willekeurig aangebrachte versnellingen of vertragingen een puur individuele visie als het ware moeten bevestigen. Waarna bijna als vanzelf de vraag opduikt of de musicus die zich wel aan het partituurbeeld houdt, zijn publiek al bij voorbaat confronteert met een saaie vertolking. Ik herinner me een uitspraak van de bekende Rusische pianist Svjatoslav Richter, die beweerde dat hij ‘precies speelde zoals het er stond,' wat – zijn opnamen bewijzen het – niet waar was. Gelukkig maar, want het zou alleen maar vervelende uitvoeringen hebben opgeleverd.

Laten we wel zijn: zo'n (grote) kunst is het niet om dat notenbeeld eigenhandig om te buigen, terwijl het juist wel een (grote) kunst is om dat nu juist niet te doen en in plaats daarvan veel subtieler middelen in de strijd te werpen. In de beperking herkent men de meester en dat geldt in de eerste plaats voor de musicus (en voor de componist!). Een goed voorbeeld van die muzikanteske benadering biedt Grigori Sokolov, een pianist die wereldwijd op handen wordt gedragen; en terecht.

Het pad van Pogorelich is bepaald niet over rozen gegaan. Hij verloor in 1996 zijn lerares en latere echtgenote Aliza Kezeradze, werd vervolgens geteisterd door nog meer persoonlijke problemen, ging zich toeleggen op het ontwerpen van sieraden, stortte zich op de Spaanse taal en wijdde zich aan de dichtkunst. Toen hij eenmaal het concertpodium weer had opgezocht, bleek hij nog buitenissiger te spelen dan men al van hem gewend was.

Pogorelich' nieuwe album (de eerste in twee decennia!) bewijst dat hij het ‘kunstje' bepaald nog niet is verleerd. Om met zijn vertolking van Rachmaninovs Tweede pianosonate te beginnen: hij heeft er de tijd voor genomen, een halfuur zelfs in deze door de componist in 1931 gereviseerde (tevens gecomprimeerde) versie. Een ruwe benadering ook: mezzoforte en forte zijn niet of nauwelijks van elkaar te onderscheiden, forte en fortissimo schurken te dicht tegen elkaar aan, climaxen worden planloos voorbereid (in de crescendi wordt het kruit al verschoten) en de afloop is net zo ongelukkig. Ondanks het duidelijk rapsodische karakter van het stuk (de sonatevorm doet daar niets aan af) lijken de ankers zelfs menigmaal losgeslagen te zijn. Vreemd genoeg etaleert Pogorelich zoveel kracht dat het in het tegendeel gaat verkeren. Afgezien van nog een aantal weinig florissante maniërismen is de onvermijdelijke conclusie dat we te maken hebben met een uitermate teleurstellende uitvoering.

In Beethovens op. 54, een fabelachtig fraai en uitgebalanceerd werk, ingeklemd tussen de fenomenale ‘Waldstein' en de grenzen verleggende ‘Appassionata' (we staan hier heel dicht bij de 'Eroica' uit 1804!), is Pogorelich' onsamenhangende opbouw troef. Onnodig ruwe uitbarstingen (fff) worden afgewisseld door mierzoete lyriek (ppp), de contrasten worden onbarmhartig fel aangezet (ik zou bijna zeggen: laat de muziek toch gewoon spréken), de willekeurig gekozen agogiek heeft de gewenste structurele aanpak verbannen en wat resteert is een onevenwichtig geheel dat - ongetwijfeld doelbewust - de sfeer van improvisatie oproept, maar haaks staat op wat Beethoven bedoeld heeft (wie dit spel met de partituur volgt is er al snel achter dat het niet klopt).

Beethovens op. 78 (‘Für Therèse von Brunswick') is onder Pogorelich' handen net zo'n onevenwichtig karkas geworden, al pakt het wonderwel minder storend uit, wat zich niet gemakkelijk laat verklaren. Gebleven zijn immers de merkwaardige accenten, de grillige agogiek, de zelf bedachte accelerandi en rubati (de overgang van het openings- naar het slotdeel, maar ook de reprise is zelfs een regelrechte ramp), maar de contrasten zijn minder fel aangezet en het discours is aangenamer van toonzetting. Ja, het is ‘slechts' tweedelig, maar dat geldt ook voor op. 54. De tijdsduur kan het evenmin zijn: ca. 11 minuten (op. 54) en ca. 13 minuten (op. 78). Ik houd het maar op dat de minder sterk evoluerende eigenschappen van op. 78 Pogorelich in de goede richting hebben gestuurd. Het maakt de slotconclusie niet positiever: In het spel van Pogorelich is nog steeds teveel willekeur (de componist komt op de tweede plaats), etaleert hij zich als dat kruidje-roer-mij-niet dat vele fervente aanhangers kent, maar waar degenen die ‘Partiturtreue' hoog in het vaandel hebben staan, ongetwijfeld van zullen gruwen. De opname kent een weinig doortekend midden- en laagregister dat zelfs grenst aan wolligheid. Merkwaardig genoeg circuleren de beide Beethoven-opnamen al sinds de herfst van 2016 op het internet, aangeboden door de muziekstreamer Idagio.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links