CD-recensie

 

© Aart van der Wal, februari 2009


 

Rachmaninov: Vespers op. 37.

Margaret Cameron (alt), James Gilchrist en Richard Eteson (tenor), Jan Lochmann (bas), Choir of King's College Cambridge o.l.v. Stephen Cleobury.

EMI Classics 5 56752 2 4 • 61' •

 

 

 


Rachmaninov voltooide in 1915 zijn vierstemmig (met basso profondo) opgezette Vespers, van origine onderdeel van de avondgebedsdienst van de Russische orthodoxe kerk, toen Rusland op de rand van de revolutie verkeerde, in gang gezet door de laatste tsaar van het Russische rijk, de volkomen incompetente Nicolaas II Aleksandrovitsj en zijn van intriges vervulde vrouw Alexandra. Rusland stond aan de vooravond van een onmenselijk wrede en alles verwoestende catastrofe.

De componist volgde de liturgische tekst weliswaar niet consequent naar de letter, en koos hij doorgaans voor de symfonische allure, maar negen van de vijftien delen zijn wel degelijk streng orthodox vormgegeven, terwijl het slot (aan U, onze Leider in de strijd) duidelijk en liefdevol verwijst naar de wortels van de Russische orthodoxie: de Griekse. Wat dit werk vooral zo indrukwekkend maakt is de door Rachmaninov bereikte gevoelsdiepte, die dan ook nog eens is vervuld van het Grote Mysterie. Daarmee is het een opus geworden dat in zijn gehele oeuvre zijn gelijke niet heeft. Deze Vespers gaan net zo rechtstreeks tot het hart, als dat met Beethovens Missa Solemnis het geval is: wat voor Beethoven gold (hij schreef niet voor niets bovenaan de eerste partituurpagina: 'Von Herzen – möge es wieder zu Herzen gehen!'), gold evenzo voor Rachmaninov.

Het fundament van dit grootse a-cappellawerk wordt letterlijk gedragen door de vrijwel inktzwarte bassen, waarmee de melodielijnen in de hogere stemmen glorieus contrasteren. De vocale lijnen zijn authentiek Russisch, maar toch heeft Rachmaninov de in deze rijke traditie gewortelde textuur zo vormgegeven dat de Vespers gemakkelijk ingang zouden kunnen vinden bij de Westerse cultuur. Alsof Rachmaninov het aan dood en verwoesting ten prooi vallende vaderland al scherp voor zich zag en met dit werk een erfenis wilde creëren die de noodlottige gebeurtenissen zou overstijgen. De vraag is dan echter vervolgens of niet-Russische stemmen in deze diep religieuze, in de Russische volksaard verankerd liggende, muziek dan wel de juiste weg weten te vinden, in casu over vergelijkbare, vereiste stemmiddelen beschikken.

Bij het koor van King's College in Cambridge (het blijft overigens een hardnekkig misverstand dat daaraan alleen jonge jongens deelnemen: adolescenten en volwassen mannen zingen eveneens mee) is dat niet het geval, hoewel het op het gebied van de koorzang een prestatie van groot formaat levert (ook de door de componist kwistig rondgestrooide, zeer lage basnoten staan als een huis) en de intensieve Russische spraaklessen duidelijk hun vruchten hebben afgeworpen. Ook de solistische bijdragen mogen er zijn, maar mogelijk mede door het ontbreken van vrouwenstemmen heeft Cleobury kennlijk toch bewust gekozen voor een overwegend niet-Russische aanpak, nog eens versterkt door het feit dat de Engelse en Russische koorzang zich nu eenmaal in twee verschillende, onverenigbare werelden afspelen. Zo bezien is het dan beter om binnen de gevestigde Engelse koortraditie grenzen te stellen aan de Russische invloeden, met andere woorden te beseffen waar die grenzen liggen. Die liggen, wat het aandeel van dit Engelse koor betreft, wel erg dicht bij huis: het Russische idioom wordt - afgezien van de gebruikte Russische teksten - onvoldoende gesuggereerd. Hoezeer Cleobury ook een gevarieerde koorklank nastreeft, het blijft toch veel meer een Engelse versie van deze Vespers. Een soortgelijk beeld, zij het in mindere mate, horen we bij de Corydon Singers, een van Engelands beste gemengde koren, onder Matthew Best (Hyperion).

Deze heruitgave (de opname werd in 1998 gemaakt in de kapel van King's College in Cambridge) klinkt ruimtelijk gedoseerd, maar storend is dat de koorklank in de fortissimi goed hoorbaar vastloopt en incidenteel vervorming intreedt. Kennelijk zat het euvel in de master tape en heeft men dit probleem tijdens de remastering niet kunnen oplossen.

Het beste alternatief is nog steeds het idiomatisch klinkende Glinka-koor uit St.-Petersburg onder Vladimir Tsjernoesjenko (Olympia) in een puur Russische setting, hoewel de opname evenmin op alle punten bevredigt. Hiermee vergeleken klinkt het St.-Petersburgs Kamerkoor onder Boris Korniev (eerst op Philips, nu op PentaTone) minder idiomatisch en worstelt het bovendien met een veel te ruime nagalm, die van de geraffineerd getoonzette meerstemmigheid een rijstebrij-achtig geheel maakt.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links