CD-recensie

 

© Aart van der Wal, januari 2017

 

Schumann: Ouverture Manfred op. 115 - Symfonie nr. 3 in Es, op. 97 (Rheinische) (gereorkestreerd door Gustav Mahler)

Tsjaikovski: Symfonie nr. 2 in c, op. 17 (Kleine Russische)

Philharmonia Orchestra o.l.v. Carla Maria Giulini

Praga Digitals PRD 350 135 • 67' • (sacd)

Opname: juni 1958, Londen; september 1956, Londen (Tsjaikovski)

 

De Britse producer Walter Legge (1906-1979) heeft een grote rul vervult in de discografische geschiedenis na de Tweede Wereldoorlog. Hij begon zijn baanbrekende loopbaan in 1927 bij het Engelse platenlabel His Master's Voice (HMV, eigendom van de Gramophone Company, later EMI), waar hij teksten schreef voor de platenhoezen en invulling gaf aan het maandblad voor de detailhandel, The Voice. Hoewel hij geen enkel instrument bespeelde bleef zijn diepe muzikaliteit en zijn sterke betrokkenheid bij de muziek niet onopgemerkt. De beroemde HMV-producer Fred Gaisberg zag wel wat in de 21-jarige Legge en al spoedig draaide Walter mee in Gaisbergs producties. Daar leerde hij niet alleen al snel de fijne kneepjes van het opnamevak, maar kwam hij ook in aanraking met zaken als repertoirekeuze en verkoop. De elektrische opname had de akoestische opname inmiddels vervangen en er werd naar wegen gezocht om deze eigentijdse techniek succesvol aan de man te brengen. In 1931 resulteerde dit in Legge's eerste zelfstandig begeleide uitgave van de complete liederen van Hugo Wolf (met de Duitse mezzosopraan Elena Gerhardt, die zich in 1934 voorgoed in Londen vestigde en daar op 11 januari 1961 overleed). Legge had diens liederen pas goed ontdekt en in zijn hart gesloten nadat hij de al in 1907 verschenen monografie over de componist van de hand van Ernest Newman had gelezen.

Nieuw artistiek bloed
Voor de naoorlogse generatie blijft Legge vooral in herinnering als de pionier die tussen de ruïnes in Europa op zoek ging naar nieuw talent dat de HMV-catalogus kon versterken. Er was grote behoefte aan nieuw artistiek bloed en Legge moest daarin gaan voorzien. Hij huurde kantoorruimte in Wenen (dat toen nog onder Russisch bestuur viel) en zocht contact met een groot aantal Duitse en Oostenrijkse artiesten die of brodeloos waren of slechts mondjesmaat konden optreden. Sommige van hen hadden een 'berufsverbot' aan de broek gekregen en werden onderworpen aan het denazificatieproces, anderen zagen zich geconfronteerd met door de oorlogshandelingen beschadigde of vernielde theaters of een gebrek aan voldoende andere faciliteiten. Rond Legge cirkelden in die dagen de dirigenten Herbert von Karajan en Josef Krips, en zangers als Ludwig Weber, Hans Hotter, Irmgard Seefried en Elisabeth Schwarzkopf (met wie Legge in 1953 in het huwelijk zou treden). Het was ook Legge die later Maria Callas ontdekte en haar een prominente plaats gaf in HMV's opera- en recitalcatalogus. Er kwamen ook andere grote vocalisten in beeld, zoals Victoria de los Angeles, Maria Callas, Christa Ludwig en Dietrich Fischer-Dieskau. Maar ook instrumentalisten als Dennis Brain, David Oistrach, Yehudi Menuhin, Solomon, Gerald Moore, Georges Cziffra, Aldo Ciccolini en Samson François.

 
  Carlo Maria Giulini (l.), Walter Legge, Joan Sutherland

Philharmonia Orchestra
Direct na de oorlog was het Sir David Webster, die in Covent Garden de dienst uitmaakte. Voor Legge, die onder Beecham een grote mate van vrijheid genoot, werd het aanpassen geblazen, wat al spoedig tot een breuk leidde. Hij was er niet echt rouwig om want een nieuwe uitdaging wachtte: de oprichting van een voltallig symfonieorkest. Er waren weliswaar al voldoende orkesten in Engeland, maar de kwaliteit ervan was benedenmaats. Voor Legge's plannen was een kwalitatief hoogwaardig orkest nodig, dat er in 1945 ook kwam: het Philharmonia Orchestra, met daarin veel musici uit het symfonieorkest van de   Royal Air Force , die tijdens de oorlog bij dit legeronderdeel dienst hadden gedaan (een ervan was het 'hoornwonder' Dennis Brain, die later een grandioze solocarrière zou gaan maken en voor het HMV-label veel opnamen maakte). In 1957 kwam daar het Philharmonia Chorus nog bij, dat onder de bekwame en bezielende leiding van repetitor Wilhelm Pitz tot grote prestaties kwam.

Met zijn 'artistieke renstal' en het Philharmonia-orkest kon Legge de strijd met de concurrentie aan. De reclamekreet 'Greatest Artists & Finest Recording' sprak boekdelen. Daar waren in Europa weliswaar Decca en Deutsche Grammophon die als de belangrijkste tegenspelers in opkomst waren, maar het was voorlopig toch HMV die over de beste papieren beschikte.

Beecham dirigeerde - met een sigaar als honorarium - het oprichtingsconcert van het Philharmonia in het Londense Kingsway Hall (dat later tot een belangrijke opnamelocatie zou uitgroeien), maar hij werd niet de eerste dirigent. Sterker nog, die kwam er helemaal niet. Beecham voelde er trouwens niets voor om als werknemer van zijn vroegere assistent te fungeren en richtte het Royal Philharmonic Orchestra op, dat over voldoende kwaliteiten beschikte om de concurrentiestrijd met het Philharmonia aan te kunnen gaan.

Het Philharmonia had dan wel geen chefdirigent, maar het had wel Herbert von Karajan, die - nadat hij het denazificatieproces artistiek had overleefd - met grote regelmaat voor het orkest stond. Deze dirigerende autocraat maakte met het orkest een groot aantal opnamen, waaronder de bejubelde Beethoven-symfonieën en Mozarts hoornconcerten met als solist Dennis Brain. Velen beschouwen Karajans periode bij het Philharmonia als zijn beste: scherp gearticuleerd, bevlogen, fris, natuurlijk en genuanceerd, zonder de maniërismen en de opgelegde klankschoonheid waarin hij later, als chefdirigent van de Berliner Philharmoniker, zou vervallen.

Giulini
Legge nodigde ook andere dirigenten uit om zijn Philharmonia te dirigeren, waaronder Wilhelm Furtwängler, Arturo Toscanini, Victor de Sabata, Paul Hindemith, Hans Rosbaud, Igor Marketvitch, André Cluytens, Anatole Fistoulari, Issay Dobrowen, Alceo Galliera, Guido Cantelli en George Szell en. Carlo Maria Giulini (1914-2005).

Toen Legge Giulini naar Londen haalde was deze geen onbekende. Allicht niet. Hij dirigeerde in Italië, was regelmatig te horen op de Italiaanse radio (RAI) en was een van de zeer weinige dirigenten die al kort na de oorlog onbekende opera's op de lessenaars liet zetten. Arturo Toscanini was zo onder de indruk van Giulini's capaciteiten dat hij hem aanbeval bij de directie van de Milanese Scala, wat in 1953 resulteerde in zijn aanstelling als artistiek directeur, een positie die hij overigens slechts kort zou bekleden: al in 1956 werd het contract beëindigd. Ook Legge zal medio jaren vijftig het enorme talent van Giulini. Hij is lang verbonden gebleven aan het Philharmonia Orchestra. Giulini's liep in zekere zin parallel aan die van zijn leeftijdgenoot Guido Cantelli (1920-1956), die eveneens door Toscanini als een groot dirigeertalent werd herkend, in 1956 Giulini in Milaan opvolgde en met het Philharmonia Orchestra een, zij het gering aantal opnamen maakte. Zijn enorme talent werd echter al kort daarop voorgoed gesmoord in een vliegtuigongeluk nabij Parijs, een week na zijn benoeming in Milaan. De dood van Cantelli werd voor Toscanini, die enige maanden later zou overlijden, geheim gehouden.

Trouw aan de partituur
Zowel Giulini als Cantelli hanteerden een no-nonsense stijl, met een absolute loyaliteit aan de partituur en in een stijl die strikte helderheid uitstraalde. Ze behoorden tot de nieuwe dirigentengeneratie die het typische sterrendom achter zich wilden laten, zich uitsluitend op de muziek zelf wilden concentreren en dat zo goed mogelijk wilden doen. Niet de dirigent stond in hun opvatting centraal, maar de muziek. We horen echter niet de bijna uit graniet gehouwen 'neue Sachlichkeit' van Klemperer, maar wel vrij stromende lyriek, de rustige opbouw van de frases, de sterke puls en fraai uitgewerkte dynamische spanningsbogen. In deze vrij vroege, al in 1956 en 1958 gemaakte opnamen komen Giulini's stilistische kenmerken al optimaal tot hun recht, met als bijkomend voordeel dat de geluidskwaliteit aanmerkelijk beter is dan de oorspronkelijke lp-uitgaven. Het was de tijdgeest, maar jammer is wel dat Giulini toen koos voor Schumanns 'Rheinische' in de reorkestratie van Gustav Mahler (ook Beethoven nam hij graag onder handen, zoals ook Felix Weingartner dat geheel ten onrechte maar wel met even liefdevolle en zorgzame hand deed). Toen leefde de gedachte nog dat Schumann niet zo'n beste orkestrator was, dat hij 'dik' instrumenteerde en zijn intuitie hem op dit gebied nogal eens in de steek liet. Een opvatting die al meer dan een kwarteeuw als achterhaald wordt beschouwd. Dat in diezelfde tijdgeest wel Tsjaikovski's toen verre van populaire Tweede symfonie op het opnameprogramma werd gezet verraadt minstens de verziende blik van Walter Legge. Hij had als geen ander een scherp oor voor kwaliteit, onverschillig of het de muziek of de musici betrof, vaak tegen heersende tradities en meningen in. Praga heeft de remastering goed aangepakt en in dsd-formaat uitgebracht. Een waardevolle uitgave!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links