CD-recensie

 

© Aart van der Wal, juni 2020

Poulenc: Pianoconcert FP 146 - Trio FP 43 (voor piano, hobo en fagot) - Concerto champêtre FP 49 (versie voor piano en orkest) - Sonate FP 185 (voor hobo en piano)

Mark Bebbington (piano), John Roberts (hobo), Jonathan Davies (fagot), Royal Philharmonic Orchestra o.l.v. Jan Latham-Koenig
Resonus RES10256 • 73' •
Opname: september en oktober 2019, St John's Smith Square, Londen

   

De Parijse componist Francis Poulenc (1899-1963) kon vanuit financieel oogpunt schrijven wat hij wilde, want qua inkomsten was hij niet afhankelijk van publiek of musici. Die financiële onafhankelijkheid gaf hem in zekere zin een voorsprong op andere kunstenaars die wel voor hun dagelijkse levensonderhoud danig moesten sappelen en het componeren noodgedwongen voor de avonduren en de weekenden reserveerden, om zich overdag bezig te kunnen houden met het geven van lessen of het arrangeren van andermans werk.

Al vanaf zijn geboorte zat Francis goed in de slappe was, want zijn vader was niemand minder dan Émile Poulenc (1855-1917), een van de grondleggers van het farmaceutisch en chemisch concern Rhône-Poulenc, dat later fuseerde met het Duitse Hoechst. Geld genoeg dus voor zoon Francis, die ook later nog de vele vruchten daarvan mocht plukken. Zo kocht hij in 1927 een imposant landhuis in Touraine, waar hij ongestoord kon componeren. In die tijd kwam ook de schilder Richard Chanlaire als levenspartner in beeld, aan wie hij het ‘Concert champêtre' (oorspronkelijk voor klavecimbel en orkest, maar later ook niet ingrijpend bewerkt voor piano en orkest) opdroeg, geschreven in opdracht van de Poolse klaveciniste Wanda Landowska.

Hoewel vaak afgeschilderd als autodidact nam Poulenc wel degelijk compositielessen en niet bij de minste: Charles Koechlin, al was hij toen reeds 22. Of hij die lessen echt nodig had? Enige jaren eerder, in 1918, had Poulenc al veel succes geoogst met zijn ‘Trois mouvements perpétuels' voor piano solo en de liedcyclus ‘Le bestiaire'. Even succesvol was de balletmuziek bij ‘Les biches', gecomponeerd in 1923, twee jaar na zijn eerste lessen bij Koechlin. Het is lastig om te beoordelen of en zo ja in hoeverre Poulencs leerperiode bij Koechlin invloed heeft gehad op het werk dat nadien ontstond.

De relatie met Chanlaire werd rond 1935 ingewisseld voor die met Pierre Bernac, de bariton waarmee Poulenc als begeleider in liedrecitals maar liefst een kwarteeuw lang de wijde wereld introk. Geen wonder dus dat Poulenc in die jaren een groot aantal liedcycli en losse liederen componeerde op teksten van voornamelijk Franse dichters.

Poulenc mag dan niet te boek staan als een vernieuwer, zijn muziek is wel doordesemd van het (nauwelijks goed te preciseren) Franse esprit , terwijl hij in zijn religieuze werken zich een meester toonde in het boetseren van diepere gevoelslagen. Het kosmopolitische en het religieuze: in het werk van Poulenc vochten ze vaak om voorrang, met alle denkbare nuances ertussenin. De Franse muziekwetenschapper en criticus Claude Rostand (1912-1970) noemde hem niet zonder reden ‘een schoffie en een monnik'. Dat eerste zou ook weleens betrekking kunnen hebben op de veelvoud van stijlen die Poulenc in zijn composities hanteerde: je kon het zo gek niet bedenken of hij maakte er op de een of andere manier inventief gebruik van. En het moet gezegd: met veel succes. Het is verbeeldingscolle muziek die ook zijn karakter lijkt te weerspiegelen: elegant, luchthartig, menigmaal zelfs onbezonnen, maar soms ook gehuld in donkere nevels of doordrongen van een diep religieus besef. En, bepaald niet onbelangrijk, het grote vakmanschap en de fantasierijke instrumentatie die ervan afstralen.

Het geldt voor veel muziek, maar toch moet worden gezegd dat die van Poulenc een interpretatieve benadering vereist die dat afwisselend frivole en charmante karakter ervan tot volle wasdom brengt en dat is precies wat op dit nieuwe album gebeurt, resulterend in een van de beste uitvoeringen van zowel het kleurrijke Pianoconcert als het net zo betoverende ‘Concerto champêtre' (hier in de versie voor piano en orkest), waarbij het orkestaandeel net zoveel gewicht in de schaal legt als de solopartij. Er mag worden ‘gewedijverd' en hoe! Het Trio voor piano, hobo en fagot biedt evenals de Sonate voor hobo en piano meer dan slechts aanvullende rol, mede dankzij de net zo fraaie, gloedvolle realisatie. Kortom een cd om te koesteren!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links