CD-recensie

 

© Aart van der Wal, januari 2017

 

Marietta Petkova - Préludes

Bach: 6 Kleine Präludien BWV 933-938

Skrjabin: 24 Préludes op. 11

Chopin: 24 Préludes op. 28

Marietta Petkova (piano)

Bloomline BS 16-095 • 86' • (2 cd's)

Live-opname: 20 mei 2016, Salle Paderewski, Casino de Montbenon, Lausanne

http://www.mariettapetkova.com

 

De nieuwste (dubbel)cd van de Bulgaarse, al geruime tijd in ons land wonende, pianiste Marietta Petkova is uitsluitend gewijd aan préludes, wat op zich best bijzonder mag heten. Dat ze daarbij de concurrentie met een groot aantal topuitvoeringen niet uit de weg gaat siert haar bovendien. Het zegt niet alleen iets over moed, maar ook – en misschien is dat nog belangrijker – over zelfvertrouwen. Zelfverzekerdheid is ook de kern van haar vele optredens, wat veel zegt over haar muzikaliteit. Maar afgezien daarvan, om als onbekende Bulgaarse pianiste in ons land een glanzende carrière op te bouwen is geen sinecure. Maar het is ze wel degelijk gelukt.

Roeren in dezelfde soep
Ik heb weleens eerder geschreven dat ik vergelijken lastig vind. Misschien is het dat wel dat mij steeds opnieuw doet verbazen over de geëtaleerde trefzekerheid van een groot aantal recensenten op dit punt, zowel op vaderlandse bodem als buiten onze landsgrenzen. Ik ga er hier geen oordeel over uitspreken, maar stel slechts vast dat iedere vergelijking per definitie is gestoeld op eigen voor- of afkeuren, zoals ook iedereen zijn eigen referentiepunt(en) hanteert waaraan wat daarna komt onherroepelijk wordt afgemeten. Een feit is bovendien dat het aantal opnamen van een bepaald werk door de jaren heen tot vrijwel onoverzienbare proporties is gegroeid, dat er steeds opnieuw in dezelfde soep wordt geroerd en dat er wel iets heel bijzonders moet gebeuren wil men bij de goed geïnformeerde luisteraar nieuwe vergezichten openen. Het is een proces dat maar geen einde kent. Ik denk dat ik een open deur intrap met de vaststelling dat zeker in de platenindustrie de verspilling van grondstoffen geen enkele prioriteit geniet. Het is ook een steeds weer terugkerende paradox van de producties van grote musici uit het min of meer verre verleden die voortdurend in de uitverkoop worden gedaan, in flagrante tegenstelling tot nieuwe producties die het zelfs in de verte er niet tegen op kunnen nemen. De beginnende of niet goed geïnformeerde verzamelaar weet vaak van die oude schatten niets af, zoekt of vraagt er niet naar. Een nieuwe opname zal de beste wel zijn, denkt men dan. Ik herinner me nog de jaren tachtig en negentig: een cd moest echt absoluut DDD zijn, want ADD of AAD (nog slechter) was echt niks. Het is weer het zoveelste bewijs voor de stelling dat historisch besef niet gekocht kan worden, maar alleen verworven. En die inspanning loont!

Gigantisch aanbod
Dankzij de diverse muziekdiensten (Spotify, Qobuz, iTunes enz.) hoeft er niet meer gekozen te worden met de portemonnee in de frontlinie. Voor een luttel bedrag per maand kan intussen uit een gigantisch aanbod worden gekozen. De recensenten van OpusKlassiek proberen zoveel mogelijk een luisterlink te verbinden met het besprokene, opdat de lezer zelf direct de proef op de som kan nemen. Maar diezelfde lezer kan zelf ook op zoek gaan naar alternatieven, daardoor nieuwe inzichten verwerven en aldus zijn kennis en ervaring drastisch uitbreiden. Dat loont. Wie zijn eigen cd-collectie heeft ‘gedigitaliseerd' (met behulp van software als JRiver of anderszins) kan, in uitmuntende geluidskwaliteit, op simpele wijze allerlei uitvoeringen beluisteren van hetzelfde werk (als de verzameling dit uiteraard mogelijk maakt). Het zijn belangrijke hulpmiddelen om perceptie en oordeel te scherpen en als liefhebber een vorm van zelfverzekerdheid te creëren zoals Marietta Petkova dat – uiteraard op een ander niveau – op het podium en in de studio demonstreert.

Illustere namen...maar niet voor iedereen
Het is van belang om, ongeacht het genre, ook en misschien zelfs vooral naar het verleden te kijken. Om de prestaties van kunstenaars van deze generatie in het perspectief te plaatsen van die van vorige generaties. Er moet een wisselwerking zijn tussen heden en verleden, een interactie die alleen maar vruchten kan afwerpen; en niet in de laatste plaats voor de muziek zelf. Hoe jammer is het dan niet dat zelfs conservatoriumstudenten niets blijken te weten van illustere namen die letterlijk muziekgeschiedenis hebben gemaakt. Hoe illuster kunnen bijvoorbeeld namen van dirigenten zijn? Carlos Kleiber, Otto Klemperer, Carlo Maria Giulini, Sergiu Celibidache, Serge Koussevitzky, Igor Markevitch, Ernest Ansermet, Jevgeni Mravinski?? Nóóit van gehoord! En dan heb ik het nog niet over net zo illustere vocalisten en instrumentalisten. Het zijn namen die alleen langs discografische weg tot leven kunnen worden gebracht, wat dus ook iets zegt over het gebrek aan belangstelling op dit vlak. 'Ouwe meuk' heet het dan. Alsof men zelf eeuwig jong zal blijven...

 
 
Alfred Cortot

Alfred Cortot
Een van die illustere instrumentalisten uit het verleden is de Zwitserse pianist Alfred Cortot (1877-1962), die de boeken is ingegaan als een eminent vertolker die het met de partituur minder nauw nam. Er waren grote namen onder zijn leerlingen: Clara Haskil, Dinu Lipatti en Vlado Perlemutter, maar ook de Nederlandse dirigent Eduard Flipse. Samen met de violist Jacques Thibaut en de cellist Pablo Casals vormde hij een pianotrio. We zien bij Cortot het bekende patroon van verering en verguizing, maar vriend en vijand zijn het er wel over eens dat Cortots pianospel dicht bij het esthetisch klankideaal kwam en dat hij met zijn intens muzikale ‘esprit' voor velen ronduit fascinerende panorama's wist te ontsluiten. Veel van zijn opnamen is intussen stevig opgeknapt en gedigitaliseerd. Ze circuleren ook op Qobuz en Spotify.

Zomaar een prélude van Chopin
Het leek me een interessant idee om Chopins Prélude in fis, op. 28 nr. 8 ten tonele te voeren in de visie van twee pianisten: Alfred Cortot (diens eerste opname dateert uit 1926, maar ik koos voor de HMV-opname uit 1933) en Marietta Petkova (haar opname dateert uit 2016). Er zit maar liefst 83 jaar tussen. Ik stap over het feit heen dat Cortot in de studio speelde en Petkova live, met dien verstande dat in de jaren dertig van de vorige eeuw de commerciële opnameband nog in geen velden of wegen te bekennen was en ‘editing' een nog onbeschreven blad. Fouten konden worden hersteld, maar dan moest het hele proces opnieuw worden gedaan. Zo was het toen en daarmee heel wat hardvochtiger dan nu. Omdat er zoveel extra tijd en moeite vanaf hing, speelde men er ook naar: zeer goed voorbereid en uiterst geconcentreerd. Geen 'oh, dat lost de technicus wel op'.

Die Prélude in fis is een virtuoos huzarenstuk. Wie het notenblad bekijkt ziet het al meteen: polyritmiek in beide handen, in de rechterhand voortdurend wervelende figuratieve 32sten, met de melodie op dezelfde notenbalk daar direct onder, met in de linkerhand consequent volgehouden triolen (samengesteld uit 3 16den en 1 8ste) en scherp omlijnde pedaalvoorschriften. Dat is het parcours, tempo molto agitato, richting slot molto agitato e stretto. Aan het begin van de prélude ontbreken de dynamische voorschriften, maar bij maat 9 komt de eerste aanwijzing: crescendo, in maat 13 uitmondend in forte en maat 15 in fortissimo. Wie logisch redeneert kan hieruit het dynamische voorland wel afleiden (hoewel menigeen dat in de praktijk niet blijkt te doen…) Aan de hand van de noten valt er niet meer over te vertellen. Het is aan de pianist om meet een eigen wereld te gaan creëren. Dat is trouwens wat ik grosso modo tegen dat eeuwige vergelijken met alle bijbehorende punten en komma's heb: dat er ter andere zijde geen eigen wereld zou (mogen) bestaan.

 
 
Frédéric Chopin

De pianist en docent Chopin
Krijgen we antwoord op de meest logische vraag: hoe zou de componist het zelf hebben gespeeld? Chopin was tenslotte een uitstekende pianist die in menige Parijse salon vele staaltjes van zijn niet geringe technisch kunnen liet horen. Qua observatie lopen alle rode draden in dit opzicht door de handen van Karol Mikuli (1819-1897), die niet alleen les kreeg van Chopin, maar ook nauwkeurig notities bijhield van wat door zijn grote leraar tijdens die lessen werd gezegd. Dat Mikuli een van Chopins belangrijkste leerlingen was legt nog eens extra gewicht in de schaal. Hij noteerde ook wat tijdgenoten over Chopins pianospel opmerkten. Zo groeiden Mikuli's aan- en kanttekeningen uit tot een belangrijke en veelzijdige bron voor iedere Chopin-biograaf. Maar net zo belangrijk is dat Mikuli zelf ook les gaf en daardoor in staat was de pedagogische lijn van zijn zo bewonderde Chopin voort te zetten. Waarbij het uiteraard altijd de vraag blijft hoeveel van zijn eigen opvattingen op de studenten (daaronder Rosenthal, Koczalski en Michalowski) werd overgedragen. Een echt zuiver beeld daarvan valt door de tijd heen niet meer betrouwbaar te reconstrueren. Wel kan men proberen er zo dicht mogelijk bij te komen. Men leze Chopin: Pianist and Teacher as seen by his pupils van Jean-Jacques Eigeldinger voor een verhelderend inzicht in deze materie.
Émile Decombes (1829-1912) was een van Chopins laatste leerlingen. Hij was later verbonden aan het Parijse conservatorium en gaf les aan wat grote namen zouden worden: Alfred Cortot, Marguerite Long, Maurice Ravel en Erik Satie (de laatste in de ogen van Decombe een 'luie leerling'). Men leze Chopin: Pianist and Teacher as seen by his pupils van Jean-Jacques Eigeldinger voor een goed inzicht in deze materie.
Chopin had door de jaren heen in Parijs zo'n honderdvijftig leerlingen. Ze kregen doorgaans zo'n een tot drie lessen per week van ieder driekwartier, soms langer (afhankelijk van hun talent, want dan keek Chopin niet op een uurtje). Er meldden zich dagelijks gemiddeld vijf leerlingen aan de deur. Chopin liet er zich goed voor betalen: welgestelden zo'n twintig goudfranken per les (dertig als hij zelf zijn opwachting moest maken), maar wie echt getalenteerd was en er financieel niet zo riant voorstond hoefde minder of soms zelfs helemaal niets te betalen. Tussen Cortot en Chopin bestaat uiteraard geen rechtstreekse connectie: die loopt zoals gezegd via Decombes. Toen Cortot werd geboren was Chopin nog net niet 28 jaar dood.
Hoe speelde Chopin eigenlijk zelf? Uit de berichten van zijn tijdgenoten blijkt dat hij ook met zijn eigen noten nogal eigenzinnig omging. Een bekend aspect daarvan was zijn gewoonte om de melodie in de rechterhand de vrije teugel te geven tegenover een ritmisch stevig gearticuleerde bas in de linkerhand. Hij placht tegen zijn leerlingen te zeggen: “Laat je begeleidende linkerhand de dirigent zijn!” Het is duidelijk: de begeleiding in de linkerhand was voor Chopin een dominante factor. Wie zo redeneert doet dat niet alleen vanuit het ritme maar ook vanuit de harmonie. Of zijn leerlingen dat in de praktijk letterlijk hebben toegepast weten we niet, maar aangenomen mag worden dat er ook toen nauwelijks een ambitieuze leerling te vinden was die zijn leraar exact wilde kopiëren, zelfs niet als die leraar Chopin was.

 

Agitato
Hoe verhoudt Cortots spel zich tot dat van Chopin? Cortot was niet minder individueel, vaak zelfs uitgesproken grillig, de tempi net zo eigenzinnig, met veel aangezette intensiteit in de melodievoering. Bovendien was de bas voor Cortot, anders dan voor Chopin niet de ‘dirigent'. Cortot was meesterlijk in de karakterisering van de muziek die hij onder handen had. Het zijn allemaal aspecten die perfect samenkomen in de reeds genoemde achtste prélude uit op. 28. Zelf aangebrachte accenten en minuscule accelerandi en rubati geven de prélude precies dat wat de tempoaanduiding aangeeft: agitato. Het opwindende karakter is daardoor zo evident dat als andere, minder ‘felle' uitvoeringen ernaast worden gelegd (Pollini en Sokolov als eerste ‘gegadigden', gevolgd door Petkova, maar ook Tharaud), een moment van ontwenning onvermijdelijk wordt (het omgekeerde is net zo evident). Bij zowel Pollini als Petkova is het een in de rechterhand ruim bemeten, vloeiende beweging waarvan het geagiteerde karakter er wel degelijk is, maar minder dominant (‘sprekend'?) dan bij Cortot, met Sokolov die mede door het wat bedachtzamer tempo de gulden middenweg bewandelt (een soortgelijk beeld zien we bij Alexandre Tharaud: het tempo bepaalt mede de articulatie). Het zegt iets over ieders individuele karakterisering van het stuk, niet zozeer in welke mate het begrip ‘agitato' bij de pianist in kwestie is ingedaald, maar hoe hij die aanduiding verbindt met zijn eigen karakter en dat als zodanig in het spel tot uidrukking laat komen. Zegt de tijdsduur in dit verband nog iets? Zeker. Cortot: 1:41'; Pollini en Tharaud: 1:48; Sokolov: 1:56'; Petkova: 2:05'. Zegt het iets over dat geagiteerde karakter? Ten dele. Zegt het iets over interpretatieve vrijheid? Zeker wel. Welke zinvolle mening kan hieruit worden gedestilleerd? Dat interpretatieve vrijheid in feite het grootste goed is en Svjatoslav Richter (de laatste pianist die ik in dit geding wil brengen) het grootste ongelijk van de wereld had door te zeggen dat hij alleen maar precies speelde wat er stond. Gelukkig maar! Hij betoverde zijn publiek nu juist door zijn volstrekt unieke stijl. Laat ik hier niet het probleem gaan uitdiepen van al die pianisten die met hun spel zozeer op elkaar zijn gaan lijken dat ze in feite niets meer te vertellen hebben. Laat ik hier evenmin beweren dat individualisme geen grenzen zou kennen. Wel dat het onderscheid tussen groots interpretatief spel en charlatanerie (Pogorelich) vrij dicht bij elkaar kunnen liggen. Goede muziek kan alleen leven door individualisme, waarin spanningsbogen net zo'n belangrijke rol spelen als tempo en agogiek.

Petkova
Marietta Petkova speelde op 20 mei van het vorig jaar in Lausanne een kostelijke Bach, een uitermate kleurrijke Skrjabin en een niet minder facetrijke Chopin. Evenals Richter huldigt ze de opvatting dat gespeeld moet worden wat er staat, maar net als hij speelt zij haar hoogste troeven juist uit in kleuren en schaduwtinten, in het fijnmazige scala aan dynamiek en tempowisselingen naast accentuering van de linker- en rechterhand. Het is agogiek van de bovenste plank die zij in deze vertolkingen (ook in Skrjabin!) ten beste geeft. Petkova beseft ook dat deze muziek niet zonder expressieve expansie maar evenmin zonder intiem gehouden prozaïsche verkenningen kan en dat zorgvuldig aangebrachte contrasten mede bepalend zijn voor het gehele discours. Dat houdt de aandacht van het publiek ook gevangen. Het slotapplaus lijkt veel meer te zijn dan een dankbare geste. Het zegt bovendien iets over haar communicatieve vaardigheden als musicienne. Het past bovendien bij Petkova's zelfvertrouwen om het gehele recital live te laten opnemen. Op haar website wordt bovendien uitdrukkelijk vermeld: 'When it comes to CD recordings, Marietta Petkova dissociates herself from the ubiquitous 'cutting and pasting' in studios'. Wow! Dat zouden veel meer musici moeten doen! Leo de Klerk van Bloomline Acoustics zorgde voor een fonkelende opname.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links