CD-recensie

 

© Aart van der Wal, oktober 2010

 

 

Panufnik: Symphonic works (Volume 2)

Symfonie nr. 1 (Sinfonia rustica) - nr. 4 (Sinfonia concertante voor fluit, harp en strijkers) - Polonia (suite) - Lullaby.

Anna Sikorzak-Olek (harp), Lukasz Dlugosz (fluit), Polish Radio Symphony Orchestra o.l.v. Lukasz Borowicz.

CPO 777 496-2 • 78' •

www.econa.nl

Klik hier voor de Orkestwerken deel 1

 


Dit is het logische vervolg op de eerste, eerder besproken uitgave (klik hier) met de orkestwerken van de Poolse componist Andrzej Panufnik.(1914-1991). De Eerste symfonie, met als subtitel Sinfonia rustica, werd in 1948 in Warschau gecomponeerd en daar een jaar later onder leiding van de componist ten doop gehouden. In Londen in 1955 nam Panufnik het werk opnieuw onder handen en leidde hij op 27 juli het BBC Symphony Orchestra in deze laatste versie tijdens een van de Prom-concerten in de Royal Albert Hall. De belangrijkste ingreep bestond uit het drastisch inkorten met twee minuten van het nogal statisch uitgevallen begin van het derde deel, con espressione. De originele versie hoeft u echter niet te missen want die is als bonustrack toegevoegd. De subtitel verwijst naar het Noord-Poolse, rustieke landschap, en dan met name naar de kleurige fantasierijk uit gewoon papier gesneden figuren die creatieve boeren tijdens de lange winteravonden vervaardigden. Deze figuren werden meestal half abstract, in symmetrische vormen ontworpen: bloemen, bomen, dieren, soms ook mensen en landelijke taferelen. Panufnik wilde die figuurtjes in hun bonte verscheidenheid in zijn Sinfonia rustica vastleggen. Er zijn in deze muziek zeker een aantal Poolse volksliedjes aan te wijzen, maar meestal dienen ze alleen maar als 'opstapje' naar een agressieve motoriek die - ogenschijnlijk naar het model van Sjostakovitsj - steeds indringender om zich heen grijpt (finale: Con vigore). Interessant is de orkestopstelling, met twee strijkorkesten links en rechts opgesteld, met in het midden de hout- en koperblazers als in een aflopende reeks: vooraan de fluiten, daarachter de hobo's, dan de fagotten en ten slotte achteraan het koper. Hiermee streefde Panufnik naar een akoestische (dus niet elektronisch gemanipuleerde) stereofonische opstelling die de toehoorders in staat moest stellen de dialoog tussen de beide strijkorkesten goed te volgen.

Panufnik ondervond in het naoorlogse, repressieve Polen soortgelijke problemen als o.a. zijn collega Dmitri Sjostakovitsj in Rusland. De Sinfonia rustica paste niet in het culturele beeld van de Poolse communistische partij en werd door de partijbonzen en hun cultuurslaven beschouwd als een vreemde eend in de socialistische bijt die wat hen betreft gewoon niet bestond. In 1950 keerde het tij enigszins nadat Panufnik met Arthur Honegger was aangesteld als vice-voorzitter van de International Music Council van UNESCO. In 1951 en 1952 werd hij door de Poolse regering zelfs meerdere malen gelauwerd, ondanks het feit dat hij had geweigerd om toe te treden tot de Poolse communistische partij. Zijn Heroïsche ouverture werd nota bene uitgekozen om de Poolse muziek te vertegenwoordigen tijdens de Olympische Spelen in Helsinki in 1952. Die stap is des te merkwaardiger omdat het stuk thuis als 'formalistisch en decadent' werd gebrandmerkt en op de zwarte lijst stond! Enfin, in Poolse culturele kringen, zoals in alle Oostbloklanden, had men wel geleerd uiteindelijk te leven met de onberekenbaarheid en de volkomen willekeur van de apparatsjiks.

In 1954 dirigeerde Panufnik in Zürich en besloot hij met hulp van zijn eerste vrouw 'Scarlett' en zijn eveneens componerende vriend Konstanty Regamey uit te wijken naar Engeland, waar hij politiek asiel vroeg en kreeg. Van daar uit begon hij luidkeels de Poolse repressie tegen de kunsten aan de kaak te stellen, maar de Poolse machthebbers zwegen hem in eigen land eenvoudigweg dood. In 1954 werd Panufnik benoemd tot chefdirigent van het Birmingham Symphony Orchestra, wat geen al te lang leven beschoren was. Nauwelijks twee jaar later besloot hij zich vrijwel uitsluitend aan het componeren te wijden. Zijn composities kwamen steeds vaker in de agenda van belangrijke dirigenten en solisten te staan, waaronder Jascha Horenstein, Leopold Stokowski, Georg Solti en Yehudi Menuhin. Als componist ging Panufkin onverdroten zijn eigen weg, zonder zich iets aan te trekken van wat zijn collega's in het Westen deden. Zo bleef hij ver van de seriële scene vandaan, hij hield zich niet bezig met elektronische klankexperimenten en liet zich evenmin bij de Ferienkurse in Darmstadt zien. Panufnik bleef tot aan zijn dood in 1991 trouw aan zijn eigen stijl.

Daarvan getuigt ook de Vierde symfonie (Sinfonia concertante voor fluit, harp en strijkers), die hij in 1973 componeerde en op 20 mei 1974 voor het eerst werd uitgevoerd door het Belgisch Kamerorkest onder leiding van Pafnunik in de Londense Queen Elisabeth Hall. Het werk was bedoeld als geschenk aan zijn vrouw, met wie hij toen tien jaar getrouwd was. Polonia, een vijfdelige suite waarvan het openingsdeel, is doortrokken van de Poolse folklore. Het openingsdeel, 'Marsz góralski' met zijn zwaar gesyncopeerde marsrtme komt ronduit spectaculair uit de luidsprekers. Het is op een melodie gestoeld die Panufnik eens in het Tatra-gebergte had opgevangen. Het contrast met het lyrische tweede deel, 'Mazurek', had niet groter kunnen zijn. In het derde deel, 'Krakowiak', worden we herinnerd aan het typisch gesyncopeerde ritme van de volksmuziek rond Krakow, een idioom dat ook kennen van Frédéric Chopin. Het vierde deel, 'Piesn Nadwislanska', is het lied van de Vistula, bedoeld als lyrisch contrast met de gloedvolle dansen. De lange melodische lijnen suggeren de loop van de rivier zoals die uiteindelijk uitstroomt in de Baltische Zee. Het slotdeel, 'Oberek', is wederom gestoeld op een typische Poolse dans, ditmaal uit het midden van Polen, die soms in de vroege ochtend door dronken en vrolijke feestgangers ten beste werd gegeven.

Lullaby (Kolysanka), het laatste werk op deze cd, ontstond in 1947 tijdens een verblijf in Londen. Het is geschreven voor negentwintig strijkers en twee harpen (of anders één harp). Het stuk klonk voor het eerst in Krakow in 1948, toen het werd uitgevoerd door het plaatselijke symfonieorkest onder leiding van Panufnik. Na zijn ontsnapping naar het vrije Westen onderwierp hij het werk in 1955 aan een ingrijpende revisie (dat is tevens de versie die op deze cd staat). Fascinerend is het gebruik van kwarttonen en de toepassing van vijftoonsreeksen (pentatoniek). Niet minder boeiend is trouwens ook de pulserende ritmiek van de harppartij(en), met zijn bijna breekbare cantilenen.

Borowicz blijkt weer een uitstekende pleitbezorger van het werk van Panufnik te zijn. Dat geldt niet minder voor de harpiste Anna Sikorzak-Olek en de fluitist Lukasz Dlugosz. Dan zijn er het uitstekend spelende orkest en de ronduit indrukwekkende opname (wàt een imposant, strak laag!), die in mei/juni 2009 werd gemaakt in Witold Lutoslawski Concert Studio van de Poolse Radio in Warschau. Een juweel van een cd!



index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links