CD-recensie

 

© Aart van der Wal, juni 2019

Busnois: Fortuna Desperata (a 3)
Obrecht: Missa Fortuna Desperata (a 3)
Trad.: Maria Zart, von edler Art
Obrecht: Missa Maria Zart (a 4)

Beauty Farm: Bart Uvyn (countertenor), Jon Etxabe Arzuaga en Florian Schmitt (tenor), Joachim Höchbauer (bas)
Frabernardo FB 1905157 • 38' + 57' • (2 cd's)
Opname: augustus 2018, Karthuizerklooster, Mauerbach (Oostenrijk)

http://frabernardo.com

   

Vaststaat dat Jacob Obrecht, zoon van stadstrompetter Willem Obrecht (of Hobrecht) in Gent werd geboren (en niet, zoals soms nog wel wordt beweerd, in Bergen op Zoom). Het precieze jaar kan niet worden vastgesteld, maar de historici houden het op 1457 of 1458.

Enfant terrible?
Deze grote tijdgenoot van een andere formidabele Nederlander, de Augustijner monnik, humanist, schrijver en filosoof Desedirius Erasmus (Rotterdam ca. 1467-Bazel 1536), maakte als zanger en componist geen al te opzienbarende carrière, waaraan zijn ongedurigheid en opvliegende karakter grotendeels debet moeten zijn geweest. Zo werd hij in Brugge door het kerkbestuur ontboden nadat hij een aantal koorknapen wat al te hardhandig had aangepakt. Maar ook op andere terreinen waren er herhaaldelijk conflicten. Hij reisde veel, hield zich overal en nergens op en slaagde er maar niet in zich definitief ergens te vestigen om daar in alle rust aan zijn loopbaan te werken. Toen hij in 1504 dan eindelijk die kans wel kreeg, was het de pest die aan een verwachtingsvolle, mooie toekomst vrij abrupt een einde maakte.

Zwervend door Europa
Net als zijn vader zat het zwerven evenals de muziek hem in het bloed. Obrechts bestaan werd min of meer beheerst door de vele pleisterplaatsen, waar hij zich voor korte of voor langere tijd ophield, waaronder Bergen op Zoom, Utrecht, Antwerpen, Brugge, Kamerijk, Cambrai, Innsbruck en Ferrara. Ondanks zijn nogal zwakke constitutie zwierf hij veel en langdurig door Europa, in vaak verre van gemakkelijke omstandigheden, zonder veel comfort. Alles bijeen genomen was het voor hem bepaald geen feest, in tegenstelling tot zovele van zijn vakbroeders, de meeste van hen veel minder getalenteerd dan hij, die zich aan de vele belangrijke vorstenhoven of in de religieuze centra financieel gesteund en in alle rust als kapel- of koormeester annex componist konden ontplooien en er bovendien niet tegen opzagen buitenstaanders uit hun kring te weren.

Mogelijk was hij niet eens een goede zanger, want pas op zijn dertigste reisde Obrecht naar Italië. Dit in tegenstelling tot de echt talentvolle, jeugdige knapen die al vrij snel door rondreizende 'headhunters' als zodanig werden herkend en naar de Italiaanse hoven en kerken werden gehaald om daar in het koor te worden opgenomen. De jonge Obrecht bekwaamde zich na zijn opleiding tot koormeester en kerkmusicus, waar hij in het gebied tussen Bergen op Zoom en Brugge zijn brood verdiende.

Ferrara
De rijke vocale polyfonie van de Italiaanse meesters moet ook op Obrecht een onweerstaanbare aantrekkingskracht hebben uitgeoefend. De onverwachte invitatie van de in het Italiaanse hertogdom Ferrara, niet ver van Modena zetelende hertog Ercole d'Este I zal Obrecht in 1487 dan ook zeker met beide handen hebben aangegrepen. Hij kreeg nu de kans om niet alleen zijn compositorische talenten en andere muzikale vaardigheden aan het hof te demonstreren, maar kon hij ook aan den lijve kennismaken met de toonaangevende Italiaanse stijlrichtingen.

Enige jaren eerder had Obrecht een mis gecomponeerd waarvan een afschrift langs allerlei omwegen bij de hertog terecht was gekomen. Wie nu precies deze muziek toen op waarde heeft weten te schatten is niet bekend, maar de invloed van het Ferraraanse hof was in ieder geval groot genoeg om Obrecht niet alleen een halfjaar verlof toe te staan (hij kon, als koormeester verbonden aan de Sint-Donaas-kathedraal in Brugge), niet zomaar weg) maar ook om de lange en vermoeiende reis van Brugge naar Ferrara te ondernemen. Van een vaste aanstelling kwam het echter toch niet. Na tien maanden keerde hij weer terug, vier maanden later dan hem door het kerkbestuur in Brugge was toegestaan.

Zwarte dood
In 1504, na weer allerlei tussentijdse aanstellingen in onder andere Antwerpen en Gent, ondernam hij een tweede reis naar het Ercolaanse hof, die hij uiteindelijk met de dood moest bekopen. Obrecht, toch al niet gezegend met een sterke gezondheid, had de adviezen om niet naar het door de pest beheerste Italië af te reizen, in de wind geslagen. Blijkbaar schatte hij zijn kansen op een belangrijke aanstelling in Ferrara hoger in dan besmet te raken door de pest. Of dat echter aan het Ercolaanse hof was, lijkt twijfelachtig want daar was nu juist kort daarvoor Josquin des Prez als kapelmeester in dienst getreden. Maar zonder dat Obrecht dat toen wist. was Josquin voor de rondwarende pest op de vlucht geslagen en had de wijk genomen naar Frankrijk. Obrecht kwam precies op tijd om de daardoor opengevallen plek van kapelmeester aan het hof op te vullen. Die benoeming bleek echter van korte duur. Nog geen jaar later, in 1505, stierf de hertog zelf aan de pest. Obrecht was prompt kapelmeester af en moest op zoek naar een nieuwe broodheer. Hij probeerde het nog in Mantua, maar vond daar geen emplooi. In de zomer van datzelfde jaar werd ook Obrecht het zoveelste slachtoffer van de rondwarende zwarte dood.

Ongedurig
In tegenstelling tot de meeste andere belangrijke musici van zijn tijd bond Obrecht zich niet aan de bepaalde plaats, hof of kerk. In die zin had hij op zijn concurrenten een respectabele achterstand opgelopen. De meeste en in ieder geval de beste posten waren al lang en breed bezet, waardoor er voor Obrecht geen plaats was. Daardoor miste hij die zo noodzakelijke rustpunten en financiële zekerheden om ongestoord te kunnen componeren en musiceren. Obrechts levensloop werd gekenmerkt door een groot aantal aanstellingen in verschillende plaatsen, die hoogstens ieder een paar jaar duurden, maar vaak ook niet meer dan slechts luttele maanden.

Misschien heeft Obrechts ongedurige en temperamentvolle levensstijl invloed gehad op zijn componeren. Van Josquin weten we dat hij nu juist naar binnen was gekeerd, beschouwend was en zich niet liet verleiden tot overhaaste beslissingen. Schreef Obrecht een complexe mispartituur in een paar dagen, Josquin kon er maanden en soms zelfs jaren aan sleutelen en vijlen, alsof hij nooit echt tevreden was met zijn werk. Josquin en Obrecht hebben elkaar waarschijnlijk nooit ontmoet, maar uit de ingevlochten, letterlijke citaten in hun missen blijkt zonneklaar dat ze elkanders werk althans deels hebben gekend.

Cantus firmus
De missen, maar merendeels ook de motetten van Obrecht zijn gestoeld op de in lange noten gezongen cantus firmus (letterlijk in het Latijn: vaste zang), omgeven door een stemmenweefsel dat ondanks het complexe karakter en de hechtheid ervan gekenmerkt wordt door helderheid en doorzichtigheid. Obrecht bouwde boven en onder de cantus firmus steen voor steen een fantastische textuur die vijfhonderd jaar later niet alleen nog ongebroken is, maar bovenal een overweldigende indruk maakt. Fantastisch en overweldigend in de zin van de ultieme schoonheid die zo frank en vrij uit deze muziek opbloeit, volkomen ongekunsteld, door niets gehinderd, puur en van een bijzondere reinheid. In Obrechts doorzichtige, meerstemmige klankweefsel kan de cantus firmus bovendien altijd op de voet worden gevolgd, als een ware rots in de polyfone branding.

Conflicten
Het valt aan de meeste muziek uit de Renaissance niet af te leiden: dat het een tijdperk was waarin de conflicten zich opstapelden. Zo geeft de muziek die werd geschreven tijdens de Honderdjarige Oorlog of de Franse invasie van Italië er niet of nauwelijks blijk van. Terwijl het overal en onder alle bevolkingslagen aan bestaanszekerheid, aan veiligheid ontbrak. Ook componisten, uitvoerende musici en zangers moeten zich daarvan vrijwel dagelijks bewust zijn geweest.

Het onzekere, rusteloze, beangstigende van dat tijdgewricht zal ook Obrecht zeker niet onberoerd hebben gelaten, maar inhoudelijk wordt dat in zijn missen niet of nauwelijks weerspiegeld. Tenminste, zoals wij nu tegen deze muziek aankijken. Of het zou de titel moeten zijn van de eerste mis op dit album: de ‘Missa Fortuna Desperata', die vooraf wordt gegaan door de canzona ‘Fortuna Desperata' van Antoine Busnois (ca. 1435-1492), tijdgenoot van Obrecht, een lied dat wel alles in zich heeft van een bittere klacht. Het is een raadsel waarom Busnois wel en andere componisten niet naar dit expressieve stijlmiddel hebben gegrepen. Busnois' ‘Fortuna Desperata', de canzona die zich duidelijk richt tegen de ‘duivelse en vervloekte' godin van het geluk:

Fortuna desperata
Iniqua e maledecta
che de tal dona electa
la fama hai denigrata.

Wanhopig noodlot
oneerlijk en vervloekt
die de goede naam heeft besmeurd
van een vrouw die met niets te vergelijken is.

Vrouwe Fortuna… De ( Romeinse) godin van het toeval en het geluk…

Architectuur boven expressie
Is het een wonder dat dit eenvoudige strofische lied van Busnois toen zo populair was? Immers, de tekst sprak uit wat velen voelden of ervoeren en de melodie sprak gemakkelijk aan. Obrecht kende, zoals zovelen, de canzona en heeft die zelfs in zijn ‘Missa Fortuna Desparata' vakkundig zowel gemodelleerd in de tenorpartij als geciteerd in de boven (superius)- en onderstem (bas). Toch heeft Obrecht de expressie die de canzona zo duidelijk uitstraalt ondergeschikt gemaakt aan de melodische en harmonische architectuur (in de betekenis van symmetrische opbouw en het invlechten van herhalingen als onderdeel daarvan) van de mis.

Maria zart
Obrecht moet ook op de hoogte zijn geweest van een ander populair vijftiende-eeuws religieus lied: ‘Maria zart, von edler Art', uiteraard verwijzende naar de zachtmoedige, edele jonkvrouwe Maria. Het moet rond 1500 zijn gecomponeerd in Zuid-Duitsland en waarschijnlijk in Augsburg. Zowel tekst als melodie moeten zeer in de smaak zijn gevallen, want binnen een paar jaar werden er vele afschriften van gemaakt. De populariteit ervan zal alles te maken hebben gehad met het uitdrukkingsvolle karakter van zowel de tekst als de melodie (ondanks het feit dat die is gecomponeerd in de frygische modus).

Het is dit lied dat Obrecht als fundament gebruikte voor zijn gelijknamige mis: de ‘Missa Maria Zart'. Het eerste dat daarbij opvalt is dat het vierstemmige werk (nog) ambitieuzer en grootschaliger is dan de driestemmige ‘Missa Fortuna Desperata'. Dat blijkt al gelijk aan het begin van het Kyrie. Een ander belangrijk kenmerk is de melodische, harmonische en ritmische vrijheid waarvan de componist zich heeft bediend. Menigmaal heeft het zelfs improvisatorische karaktertrekken. Wat op zich al een sterk contrast oplevert met de streng gehouden architectuur van de ‘Fortuna'. Bovendien is het de enige mis van Obrecht die is gestoeld op een Duits lied (in alle andere gevallen schreef hij zijn missen naar het Latijnse, soms Franse en incidenteel Vlaamse model). Of hij de mis zelf ooit heeft gehoord weten we niet. Eerst in 1507, twee jaar na zijn dood, verscheen het werk in Bazel in druk.

Een belangrijke bron die door vooral muziekwetenschappers wordt geraadpleegd is de ‘Concentus harmonici quattuor missarium, peritissimi musicolorum Jacobi Obrecht', de eerste gedrukte editie van Obrechts meerstemmige muziek.

Voor wie bedoeld?
Dan blijft nog wel de vraag over voor wie Obrecht de ‘Maria Zart' bedoeld heeft. Was de mis wellicht voor een Duitse opdrachtgever bestemd? De musicologe Birgit Lodes* verwijst naar Filips de Schone (Augsburg 1503), terwijl weer anderen verwijzen naar Maximiliaan I (wat kracht wordt bijgezet door de plaats van eerste publicatie: Bazel). Maar misschien is nog wel het belangrijkste dat Obrecht het populaire Duitse lied heeft gebruikt om hopelijk daarmee zijn mis in (nog) grotere kring geliefd te maken, een ‘techniek' die ook vandaag de dag nog steeds - en met succes, vooral in de popsector - wordt toegepast. Waar dan weer tegenover staat dat de componist het uitvoerenden en toehoorders op sommige punten niet bepaald gemakkelijk heeft gemaakt. Bijvoorbeeld door de cantus firmus in verschillende laagjes te hakken.

Beauty Farm
E
en nogal vreemde naam voor een ensemble dat zich heeft gespecialiseerd in a capella werken uit Middeleeuwen en Renaissance (zoals ook de cover weer allesbehalve alledaags is!) heeft zich al eerder bewezen als een uitgelezen ensemble dat in dit zo bijzondere repertoire bijzonder goed de weg weet. Met drie tot vier uitgelezen zangers (de 'Fortuna' is driestemmig, de 'Maria' vierstemmig) ligt wel het gevaar op de loer dat gestaalde perfectie in de vertolkingen insluipt, maar daarvan is ook in dit geval geen enkele sprake. De kracht van dit kleine ensemble is juist mede gelegen in de (door zijn geringe omvang gemakkelijker te realiseren) differentiatie in de stemvoering. De expressie vaart bovendien wel bij het individualistische karakter van deze uitvoeringen (die stemmen zijn voortdurend goed te volgen, de textuur is glashelder), terwijl de coherente architectuur schijnbaar moeiteloos in stand blijft. Voeg daarbij de spatzuivere intonatie en de volmaakte dictie en het beeld is dat van schitterende zang die diep onder de huid kruipt.

Een compliment ook voor de geslaagde opname, die werd gemaakt in het Karthuizerklooster in het Oostenrijkse Mauerbach, blijkbaar de vaste opnamelocatie van het ensemble.

_________________________

*Birgit Lodes, Gregor Mewes: ‘Concentus harmonici und die letzten Messen Jacob Obrechts'. Universiteit München 2002, blz. 178 e.v.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links